ECLI:NL:RBNHO:2026:10170

ECLI:NL:RBNHO:2026:10170

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer AWB - 25 _ 5932
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Wet WOZ. Artikel 220a Gemeentewet. De onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning. De rechtbank stelt de WOZ-waarde in goede justitie vast.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaken tussen

mr. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

de heffingsambtenaar van Cocencus, verweerder.

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 25/5930 en HAA 25/5932

en

Procesverloop

HAA 25/5930

Verweerder heeft bij beschikking van 25 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op

€ 645.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: ozb) voor het kalenderjaar 2023 bekendgemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2023 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De waarde is verlaagd naar € 604.000 en de aanslag ozb is dienovereenkomstig verminderd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

HAA 25/5932

Verweerder heeft bij beschikking van 25 februari 2025 op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2025 vastgesteld op

€ 736.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag ozb voor het kalenderjaar 2025 bekendgemaakt.

Belanghebbende heeft verweerder op 4 november 2025 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2025 het bezwaar ongegrond verklaard. In hetzelfde geschrift heeft verweerder met betrekking tot de ingebrekestelling geoordeeld dat deze prematuur en daarmee niet-ontvankelijk is.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Beide zaken

Bij brief van 4 februari 2026 heeft verweerder belanghebbende meegedeeld dat de WOZ-waarden verlaagd worden naar € 450.000 (kalenderjaar 2023) en € 480.000 (kalenderjaar 2025).

Belanghebbende heeft de beroepen gehandhaafd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gebouwd omstreeks 1650 en heeft een gebruiksoppervlakte van 52 m². De onroerende zaak bestaat uit begane grond, eerste etage, tweede etage en een zolder. De perceeloppervlakte is 25 m². Belanghebbende heeft volgens de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres [adres] ingeschreven gestaan van 31 januari 2020 tot 1 december 2024.

Geschil 2. In geschil is of verweerder de onroerende zaak terecht als woning heeft aangemerkt. Voorts is in geschil of de WOZ-waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2022 (HAA 25/5930) respectievelijk de waardepeildatum

1 januari 2024 (HAA 25/5932) niet te hoog is vastgesteld.

3. Belanghebbende bepleit voor het kalenderjaar 2023 en 2025 (en ook voor de kalenderjaren 2020, 2021, 2022 en 2024) een waarde van € 184.000, zijnde de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2019. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank begrijpt, tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, verlaging van de vastgestelde WOZ-waarden en veroordeling van verweerder tot vergoeding van de proceskosten. Belanghebbende vordert tot slot de wettelijke rente over de teveel betaalde ozb.

4. Verweerder stelt dat hij de waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2023 en voor 2025 niet te hoog heeft vastgesteld. Verweerder verwijst daarbij naar de bij het verweerschrift gevoegde matrices waarin is verwezen naar gerealiseerde verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten (woningen). De bestemming van de onroerende zaak is volgens verweerder woning. Het betreft een tussenwoning met uitzicht over een gracht. Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) stond belanghebbende van 31 januari 2020 tot en met 1 december 2024 ingeschreven als bewoner op dit adres. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, uitsluitend vanwege het feit dat de waarden hangende de beroepsprocedure zijn verlaagd.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het beroep HAA 25/5930

5. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld.

6. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Hoewel het beroepschrift van belanghebbende meer dan zes weken na de dagtekening van de beslissing op bezwaar is ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

7. De termijn voor het indienen van een beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid, van de Awb). Bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking (artikel 3:41, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

8. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 23 november 2023. Nu belanghebbende de ontvangst van deze uitspraak betwist, is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat deze is verzonden. Daarbij is in ieder geval vereist dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verweerder heeft de verzending niet onderbouwd door bijvoorbeeld het overleggen van een verzendadministratie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Dat betekent dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat de uitspraak op bezwaar niet volgens de voorgeschreven regels bekend is gemaakt op of omstreeks 23 november 2023. De beroepstermijn vangt in dat geval aan op de dag waarop belanghebbende een afschrift van de uitspraak op bezwaar onder ogen heeft gekregen (vgl. HR

17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960). Vaststaat dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar op 11 november 2025 heeft ontvangen. Belanghebbende heeft op 5 december 2025 en daarmee binnen zes weken na de ontvangst van het duplicaat van de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld (vgl. HR 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515). Gelet op het voorgaande is het beroep van belanghebbende tijdig ingediend.

Ontvankelijkheid van het beroep HAA 25/5932

9. Het beroep is binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. Belanghebbende is dus ontvankelijk in zijn beroep.

WOZ-waarden voor de kalenderjaren 2020, 2021, 2022 en 2024

10. Belanghebbende stelt dat hij ook beroep heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar voor het kalenderjaar 2024. Bij de rechtbank is echter geen beroep bekend voor het kalenderjaar 2024. Ter zitting is gebleken dat verweerder een uitspraak op bezwaar voor het kalenderjaar 2024 heeft gedaan met dagtekening 22 februari 2024 en verzenddatum

7 februari 2025. Verweerder heeft ter zitting toegezegd voor het kalenderjaar 2024 aan te zullen sluiten bij de uitspraak van de rechtbank in de onderhavige beroepszaken. Voor zover het beroep is gericht tegen genoemde uitspraak op bezwaar, is het te laat ingediend en kan evenmin worden gesproken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

11. Voor zover belanghebbende in zijn beroepschrift de rechtbank verzoekt om ook de WOZ-waarden van de onroerende zaak voor de kalenderjaren 2020, 2021 en 2022 te beoordelen, overweegt de rechtbank dat dit niet mogelijk is. Verweerder stelt dat er voor de kalenderjaren 2020, 2021 en 2022 geen bezwaarschriften zijn ingediend. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt en het vindt ook geen steun in de stukken. Belanghebbende heeft ook geen afschriften van bezwaarschriften voor die kalenderjaren overgelegd. Hij heeft ter zitting onder meer gesteld dat “het in de procedure van de fiscus aan de orde komt”. De fiscus is echter een ander orgaan dan verweerder. Er is dan ook geen uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot genoemde kalenderjaren. De beroepen dienen in zoverre ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Waarde van de onroerende zaak (2023 en 2025)

12. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan die onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die onroerende zaak zou zijn betaald.

13. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarden niet te hoog heeft vastgesteld.

14. Reeds vanwege het feit dat verweerder hangende het beroep de waarden van de onroerende zaak hangende de beroepsprocedure heeft verlaagd zijn de beroepen gegrond. De bestreden uitspraken op bezwaar dienen te worden vernietigd. De rechtbank zal hieronder beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarden van

€ 450.000 (kalenderjaar 2023) en € 480.000 (kalenderjaar 2025) niet te hoog zijn.

15. Alvorens te kunnen beoordelen of verweerder met het overleggen van de matrices aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, zal de rechtbank eerst ingaan op het betoog van belanghebbende dat de onroerende zaak ten onrechte als woning is aangemerkt.

16. Artikel 220a van de Gemeentewet luidt als volgt:

1. Met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen wordt als onroerende zaak aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

17. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de vraag of een onroerende zaak een woning is ingevolge artikel 220a van de Gemeentewet, maatgevend of het object geschikt is om te worden gebruikt als woning. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard en inrichting van het object (vgl. Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2084).

18. De rechtbank is van oordeel dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

19. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de onroerende zaak niet beschikt over een keuken, een woonkamer en een slaapkamer. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat de onroerende zaak daags voor de zitting is bezocht door een medewerker. Verweerder heeft erkend dat de woning niet beschikt over een keuken, woonkamer of slaapkamer. Wel stelt hij dat op zolder een opklapbed/matras is aangetroffen. De onroerende zaak heeft als bestemming kantoorfunctie/woonfunctie. Het is dus mogelijk om de onroerende zaak als kantoor te gebruiken.

20. De enkele omstandigheid dat er op zolder een opklapbed/matras aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de onroerende zaak als woning aan te merken. Ook de enkele omstandigheid dat belanghebbende op de waardepeildata in de BRP op dit adres stond ingeschreven maakt niet dat de onroerende zaak als woning diende te worden aangemerkt. Belanghebbende heeft met hetgeen hij ter zitting heeft verklaard en met de door hem overgelegde inschrijving bij de Kamer van Koophandel aannemelijk gemaakt dat hij de onroerende zaak op de waardepeildata en ook na beëindiging van zijn loopbaan als advocaat is blijven gebruiken als kantoorruimte voor zijn werkzaamheden als juridisch adviseur en als archiefruimte.

21. De onroerende zaak moet naar het oordeel van de rechtbank op de waardepeildata worden aangemerkt als niet-woning. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn betoog dat ook als de onroerende zaak als niet-woning moet worden aangemerkt de door verweerder vastgestelde waarden gelijk blijven. Hiervoor is een gedegen onderbouwing noodzakelijk, welke naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt. Blijkens de matrices is de waarde bepaald op basis van transactiecijfers van woningen. Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien dat ervan uit kan worden gegaan dat kantoorruimte en woningen op deze locatie dezelfde of een vergelijkbare waarde hebben. De omstandigheid dat de onroerende zaak mogelijk wel kan worden verbouwd tot woning maakt dit niet anders. Verweerder heeft desgevraagd niet aan kunnen geven welke gevolgen de bovengenoemde recente inpandige opname heeft voor de WOZ-waarde in de onderhavige jaren. Verweerder heeft dus niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

22. Belanghebbende is van mening dat de waarde van de onroerende zaak voor beide kalenderjaren dient te worden vastgesteld op € 184.000, zijnde de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2019. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. Ook als het gaat om een niet-woning ligt het niet in de rede om niet uit te gaan van een waardestijging van de onroerende zaak. Hierbij neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat de onroerende zaak op relatief eenvoudige wijze kan worden omgezet in een woning en dat gebruik als woning is toegestaan en de waarde van woningen de afgelopen jaren aanzienlijk is gestegen.

23. Nu noch verweerder noch belanghebbende de voorgestane waarden aannemelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank in goede justitie de waarde van de onroerende zaak bepalen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank neemt de matrices, de daarin opgenomen transactiecijfers en de daaruit voortvloeiende prijzen per vierkante meter van de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak als uitgangspunt voor de waardebepaling. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat de onroerende zaak geen woning betreft, een betere ligging heeft dan de vergelijkingsobjecten en dat onderhoud van de onroerende zaak evenals de vergelijkingsobjecten gemiddeld is. De kwaliteit van de onroerende zaak is eveneens gemiddeld. De kwaliteit van de vergelijkingsobjecten is voor beide jaren matig/voldoende. De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat de onroerende zaak een kantoorruimte betreft en wegens het ontbreken van een keuken niet kan worden gebruikt als woning, maar wel kan worden omgezet naar een woning. Gelet op hetgeen partijen op dit punt over en weer hebben betoogd, vermindert de rechtbank de volgens de matrices vastgestelde waarde voor beide kalenderjaren met € 60.000. De rechtbank schat dat minimaal een bedrag van circa € 100.000 benodigd is voor een verbouwing van deze onroerende zaak tot woning. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat investeringen in onroerende zaken zich maar ten dele vertalen in een hogere waarde daarvan. De rechtbank gaat ervan uit dat dit waardeverhogende effect ongeveer 60% van de investeringen bedraagt. Dus een investering in een verbouwing van € 100.000 leidt tot een waardeverhoging van € 60.000. De rechtbank stelt de waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2023 aldus in goede justitie vast op € 390.000 (€ 450.000 minus € 60.000) en voor 2025 op € 420.000 (€ 480.000 minus € 60.000).

24. Bij deze uitkomst zal de rechtbank niet ingaan op de door belanghebbende opgeworpen vraag of de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd.

Schending van de hoorplicht?

25. Belanghebbende heeft betoogd dat verweerder hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

26. In het eerste lid van artikel 231 van de Gemeentewet is bepaald dat de heffing van gemeentelijke belastingen geschiedt met toepassing van (onder meer) de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). In artikel 25, eerste lid, van de AWR is bepaald dat – in afwijking van het in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde – een belanghebbende op diens verzoek wordt gehoord. Nu nergens uit blijkt dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om te worden gehoord, is geen sprake van een schending van de hoorplicht. Het standpunt van belanghebbende slaagt dus niet.

Dwangsom

27. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding voor toekenning van een dwangsom. Er is tijdig uitspraak gedaan op de ingediende bezwaarschriften en de ingebrekestelling is prematuur geweest.

Slotsom

28. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren, de uitspraken op bezwaar vernietigen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2024 in goede justitie uit zou komen op € 405.000. De beroepen inzake de WOZ-waarde 2020, 2021, 2022 en 2024 zijn niet-ontvankelijk.

29. Er is geen reden voor toewijzing van de gevorderde wettelijke rente. De Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 (op grond van artikel 231 van de Gemeentewet van toepassing bij de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen) regelt uitputtend de vergoeding/vermindering van belasting- en invorderingsrente voor gevallen waarin belastingaanslagen worden verminderd. Er is daarnaast geen plaats voor vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarmee een aanslag wordt verminderd.

Proceskosten en griffierecht

30. Het verzoek om een vergoeding voor proceskosten of andere kosten wijst de rechtbank af, nu van volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. Wel dient verweerder het griffierecht in beide zaken aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Filius, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand