ECLI:NL:RBNHO:2026:10209

ECLI:NL:RBNHO:2026:10209

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer HAA 26/45
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Wpbr - overtreding. Waarschuwing. Sprake van een kennelijke schrijffout. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad zijn reactie kenbaar te maken. Staatssecretaris was bevoegd om de waarschuwing op te leggen. Geen aanleiding om de waarschuwing in te trekken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit Alkmaar, eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/45

(gemachtigde: F.M. van Egmond),

en

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Dienst Justis, Justitiële uitvoeringsdienst, Toetsing, Integriteit en Screening

(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de door de staatssecretaris opgelegde bestuurlijke boete.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris terecht een boete heeft opgelegd aan eiseres. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 16 september 2025 (primair besluit) heeft de staatssecretaris aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd wegens op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) beboetbare overtredingen.

Met het bestreden besluit van 27 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij dat besluit gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres de heer [directeur/eigenaar] (directeur/eigenaar), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de minister van rechtsbescherming aan eiseres onder voorwaarden een vergunning verleend voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie als bedoeld in artikel 3, onder a, van de Wpbr. In de verleende vergunning is toestemming gegeven om de heer [directeur/eigenaar] te belasten met de leiding van de particuliere beveiligingsorganisatie.

Op 29 april 2025 heeft de korpschef van de Nationale Politie een ambtsbericht aan de staatssecretaris uitgebracht. Uit het ambtsbericht heeft de staatssecretaris opgemaakt dat op de locatie [locatie] verschillende overtredingen van de Wpbr zijn begaan, namelijk het tewerkstellen van twee personen zonder een geldige toestemming om beveiligingswerkzaamheden uit te voeren, waarbij deze personen niet het goedgekeurde uniform inclusief het bijbehorende embleem droegen. Daarnaast is gebleken dat eiseres de korpschef niet via het vastgestelde aanmeldformulier heeft geïnformeerd over de nieuwe beveiligingswerkzaamheden. De overtredingen zijn aan eiseres als houder van de vergunning toe te rekenen. De staatssecretaris heeft eiseres bij brief van 2 september 2025 in kennis gesteld van de geconstateerde overtredingen, waarbij is aangegeven dat de staatssecretaris voornemens is om een bestuurlijke boete op te leggen van in totaal € 6.400,-. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Op 10 september 2025 heeft eiseres gereageerd. Vervolgens heeft de staatssecretaris bij besluit van 16 september 2025 een bestuurlijke boete aan eiseres opgelegd van € 6.400,- voor (kort samengevat) de volgende overtredingen met vermelding van de daarbij behorende wetsartikelen:

€ 4.000 (2x € 2.000) voor het tewerkstellen van twee personen zonder voorafgaande toestemming van de korpschef

€ 1.000 (2x € 500) voor het niet dragen van een goedgekeurd uniform

€ 600 (2x € 300) voor het niet dragen van het vastgesteld embleem op het uniform

€ 500 voor het niet nakomen van de plicht om de korpschef te informeren wanneer een begin wordt gemaakt met nieuwe beveiligingswerkzaamheden

€ 300 voor het niet op correcte wijze toelichten van nieuwe werkzaamheden op het vastgestelde aanmeldingsformulier bij de korpschef

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

In het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft de staatssecretaris de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van een kennelijke schrijffout?

4. Volgens eiseres is de boete onvoldoende bepaalbaar en daarmee onrechtmatig, omdat het voor eiseres niet duidelijk was waarvoor zij werd beboet. Zowel in het voornemen als in het primaire besluit is 29 maart 2025 opgenomen als overtredingsdatum, terwijl uit het ambtsbericht ondubbelzinnig blijkt dat de feitelijke controle heeft plaatsgevonden op 22 maart 2025. Het gaat daarbij volgens eiseres niet om een kennelijke verschrijving, maar om een fataal gebrek in de grondslag van het besluit. Eiseres was hierdoor ook niet in de gelegenheid om een zienswijze te geven over de daadwerkelijke controle, omdat het voornemen uitging van 29 maart 2025. Het achteraf corrigeren van de datum zonder nieuwe zienswijzemogelijkheid is volgens eiseres in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 van de Awb en het motiveringsbeginsel, nu de staatssecretaris heeft nagelaten te waarborgen dat het voornemen en het besluit op dezelfde feiten en datum zijn gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat de in het voornemen en het ambtsbericht genoemde datum (29 maart 2025) een kennelijke verschrijving betreft. Volgens vaste rechtspraak kan gesproken worden van een kennelijke verschrijving als het gaat om een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Het moet daarbij voor het bestuursorgaan en derden direct duidelijk zijn dat van een vergissing sprake is. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit 22 maart 2025 is vermeld als overtredingsdatum. In aanmerking genomen dat in het mutatierapport, dat is meegestuurd met het voornemen en dat tevens de grondslag vormt voor de besluitvorming, ook de correcte datum is vermeld waarop de overtredingen hebben plaatsgevonden, alsmede het feit dat de heer [directeur/eigenaar] zelf aanwezig was op de datum van de overtredingen, is de rechtbank van oordeel dat er aan de zijde van eiseres geen verwarring kon bestaan over de datum waarop de overtredingen hebben plaatsgevonden. Daarbij wordt meegenomen dat de heer [directeur/eigenaar] desgevraagd heeft verklaard dat eiseres in die periode niet met andere overtredingen is geconfronteerd die tot enige verwarring hadden kunnen leiden. Het voorgaande leidt tot de conclusie de onjuiste vermelding van de datum dient te worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving. De rechtbank overweegt temeer dat dit voor eiseres duidelijk was, nu de heer [directeur/eigenaar] in de reactie van 10 september 2025 op het voornemen zelf naar voren heeft gebracht dat er een verkeerde datum genoemd is. Ten slotte staat ook in de beslissing op bezwaar de juiste datum genoemd.

Nu eiseres ten tijde van het voornemen niet in verwarring kan zijn geraakt en bekend was met de kennelijke verschrijving, is eiseres volgens de rechtbank voldoende in de gelegenheid gesteld haar reactie op het voornemen kenbaar te maken.

Had de staatssecretaris de boete moeten matigen?

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat voor zover er sprake is geweest van overtredingen van de Wpbr, er geen sprake was van opzettelijke of bewust begane overtredingen. Ook was één van de twee betrokkene een stagiair en uitsluitend aanwezig in het kader van zijn opleiding. Deze persoon was niet zelfstandig ingezet.

Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat het ging om de eerste evenementopdracht van eiseres. Bij eerdere werkzaamheden via andere beveiligingsbedrijven was het gebruikelijk dat de organisator van het evenement het meldingsformulier verzorgde. Eiseres verkeerde daarom in de veronderstelling dat aan die verplichting was voldaan.

Ten slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat de boete onevenredig is. Eiseres is een relatief kleine beveiligingsonderneming, waardoor een boete van € 6.400,- ingrijpende gevolgen heeft. Door de stapeling van overtredingen is de opgelegde boete onevenredig zwaar in verhouding tot de ernst van de feiten.

Voor zover eiseres stelt dat de boete onevenredig is voor een relatief kleine beveiligingsonderneming, is niet met stukken onderbouwd dat de boete disproportionele financiële gevolgen heeft voor de onderneming. Desgevraagd kon eiseres ter zitting ook geen nadere informatie geven over de omvang van de opdracht. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat de boete onevenredig zwaar is gebleken voor eiseres. Ook in het overige wat eiseres heeft aangevoerd – met name over de verwijtbaarheid van de overtreding – ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete te verlagen. Er sprake is van meerdere overtredingen en er heeft te gelden dat het in de beveiligingsbranche van belang is dat de regels worden gevolgd, mede vanwege de toegekende bevoegdheden. Eiseres is een onderneming en dient zich te vergewissen van de voor haar geldende regelgeving en daar gevolg aan te geven. Dat eiseres dacht dat een en ander geregeld was is onvoldoende reden om tot een matiging van de boetes over te gaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.M. de Vries

Griffier

  • mr. I.E. Molin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand