RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12170784 \ CV EXPL 26-2212
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek.
[gedaagde] heeft na de conclusie van repliek niet meer gereageerd. Zij is daartoe wel in de gelegenheid gesteld. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
[gedaagde] heeft aan [eiser] de opdracht gegeven een executoriale titel ten uitvoer te leggen.
Op 23 juli 2025 heeft [gedaagde] de voorschotnota van € 300,00 voldaan, waarna [eiser] op 5 augustus 2025 bankbeslag heeft gelegd ten laste van de schuldenaar van [gedaagde]. Op 6 augustus 2025 is dat beslag betekend aan de schuldenaar.
Op 15 oktober 2025 heeft [eiser] de opdracht teruggegeven vanwege een meningsverschil tussen partijen over het verloop van de opdracht.
Op 7 mei 2026 heeft de eerste beslagleggende deurwaarder de opbrengst van het bankbeslag (€ 145,90) naar [eiser] overgemaakt.
3. Het geschil
[eiser] vordert – na vermindering van eis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 216,42, vermeerderd met rente en kosten. Zij voert aan dat [gedaagde] de kosten voor de reeds verrichte werkzaamheden (het beslag kost € 299,93 inclusief btw en de betekening € 103,67 inclusief btw) verschuldigd is. Het uit het bankbeslag ontvangen bedrag van € 145,90 komt daarop in mindering.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Volgens [gedaagde] is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, staan de in rekening gebrachte kosten niet in redelijke verhouding tot de verrichte werkzaamheden, ontbreekt een voldoende gespecificeerde onderbouwing van de kosten en is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om kosten in rekening te brengen als je als opdrachtnemer een opdracht beëindigd hebt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
De kantonrechter stelt voorop dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
De vordering
Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] heeft [eiser] de vordering verder onderbouwd. Daarbij is ook ingegaan op het verweer van [gedaagde].
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] de gestelde ambtshandelingen (het beslag en de betekening) heeft verricht. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij bij de uitvoering van die handelingen toerekenbaar tekort is geschoten. Uit de onderbouwing van [eiser] blijkt hoe de vordering is opgebouwd. Daarbij is van belang dat de kosten voor ambtshandelingen wettelijk zijn vastgesteld in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag). Deze kosten zijn dan ook per definitie redelijk. Volgens [eiser] doet het feit dat zij de opdracht heeft teruggegeven geen afbreuk aan haar aanspraak op vergoeding van de reeds verrichte werkzaamheden. Omdat [gedaagde] daarop niet meer heeft gereageerd en daar dus ook geen bezwaren tegen heeft aangevoerd, zal de kantonrechter de vordering van [eiser] tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 216,42 toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen zoals gevorderd.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
372,07
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 216,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 372,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
De griffier De kantonrechter