RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/361369 / HA ZA 25-47
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [woonplaats] ,3. [eiseres sub 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. H. van Lingen,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
te gemeente [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te gemeente [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna ieder afzonderlijk te noemen als [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] , en tezamen als [gedaagden] ,
niet langer vertegenwoordigd door een advocaat (voorheen mr. M.V. Vermeij).
1. De procedure
Het verder verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025;
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026 waarbij de zaak als gevolg van het wrakingsverzoek van [gedaagden] niet inhoudelijk is behandeld. De griffier heeft van deze zitting proces-verbaal opgemaakt;
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaat van [eisers] heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die hij heeft overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eisers] en [gedaagde sub 1] zijn de kinderen van de op 4 oktober 2016 overleden heer [erflater] (hierna: vader) en de op 13 juli 2024 overleden [erflaatster] (hierna: moeder). [gedaagde sub 2] is de echtgenote van [gedaagde sub 1] .
Vader en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
Bij testament van 7 februari 2014 heeft vader in aanvulling op zijn testament van 30 juli 2004 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft vader – kort gezegd – met inachtneming van de wettelijke verdeling, moeder voor 1/100e gedeelte tot zijn erfgename benoemd en zijn kinderen voor het resterende gedeelte van zijn nalatenschap voor gelijke delen. Verder heeft vader het navolgende legaat aan [gedaagde sub 1] gemaakt:
“ LEGAAT TEGEN INBRENG
Aan mijn zoon (..) zijn door mij en mijn echtgenote tijdens leven gelden ter leen beschikbaar gesteld. Deze schuld(en) zullen in schuldvergelijking moeten worden gebracht na het overlijden van mij respectievelijk mijn echtgenote. ”
Indien ik overlijd na mijn echtgenote, legateer ik aan mijn zoon (..) een bedrag gelijk aan het bedrag dat zijn (restant-)schuld zijn verkrijgingen uit de nalatenschappen van mij en mijn echtgenote overtreft, onder de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van door hem vervaardigde kunstwerken, waarvan de waarde ten minste gelijk dient te zijn aan het gelegateerde bedrag.”
Moeder heeft op dezelfde data gelijkluidend over haar nalatenschap beschikt. [eisers] en [gedaagde sub 1] zijn daarom voor gelijke delen erfgenaam van haar nalatenschap.
Bij onderhandse schuldbekentenis van 27 februari 2014 heeft [gedaagde sub 1] van zijn beide ouders een bedrag van in totaal € 200.000,00 ter leen ontvangen, voor zover hier van belang onder de navolgende voorwaarden:
vergoeding van een rentepercentage van 1% per jaar, maandelijks bij nabetaling door [gedaagde sub 1] te voldoen;
directe opeisbaarheid ingeval van niet of niet tijdige nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst, alsmede executoriaal beslag onder [gedaagde sub 1] als debiteur.
Sinds 4 oktober 2016 heeft [gedaagde sub 1] geen rente meer betaald.
Omstreeks begin 2019 zijn [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en hun kinderen bij moeder ingetrokken in haar woning op [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Ten behoeve van hun levensonderhoud betaalde moeder aan [gedaagden] een bijdrage van € 1.000,00 per maand.
Op 26 juni 2019 heeft de naamloze vennootschap Friedberg & Mahn advocaten N.V. executoriaal beslag gelegd op de kunstcollectie van [gedaagde sub 1] .
Tot de nalatenschap van moeder behoort onder meer de woning te [woonplaats] . De woning is belast met een hypotheek ten gunste van Moneyou.
Op 11 mei 2026 heeft Friedberg & Mahn ten laste van [gedaagden] op de woning executoriaal beslag gelegd. Namens Moneyou heeft haar tussenpersoon Mender [eisers] en [gedaagden] per brief van 21 mei 2026 onder meer het navolgende bericht:
“Mender behandelt het executoriaal beslag namens Moneyou (..)
Wanneer u niets doet, veilen wij uw woning in opdracht van Moneyou.”
3. Het geschil
in conventie
[eisers] vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] , te veroordelen om na betekening van het vonnis hun volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan [adres] te [woonplaats] via een gezamenlijk door partijen aan te wijzen makelaar dan wel indien [gedaagden] hieraan niet meewerken binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, aan een door [eisers] aan te wijzen makelaar, onder welke medewerking is begrepen het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar en het opvolgen van verkoopadviezen van de makelaar;
[gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] , te veroordelen tot betaling van een kwart van de makelaarskosten, alsmede een kwart van het door de makelaar in rekening te brengen voorschot;
Aan [eisers] vervangende toestemming verleent om de verkoopdracht aan de onder A. aan te wijzen makelaar, mede namens [gedaagden] , althans namens [gedaagde sub 1] , te ondertekenen indien [gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] , na daartoe te zijn gesommeerd hun medewerking niet binnen een in de sommatie gestelde (redelijke) termijn hebben verleend;
[gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] , te veroordelen tot ondertekening van een koopovereenkomst met de koper(s) wanneer deze koper of kopers naar het deskundige oordeel van de makelaar een marktconforme prijs heeft respectievelijk hebben geboden;
[gedaagden] , althans [gedaagde sub 1] , te veroordelen tot medewerking aan de levering van de woning aan de koper(s), waaronder ondertekening van de notariële akte van levering bij de in de koopovereenkomst aangewezen notaris;
Bepaalt dat, ingeval [gedaagden] – na daartoe te zijn gesommeerd – hun medewerking niet binnen een in de sommatie gestelde (redelijk) termijn aan de hiervoor onder D. en E. geformuleerde veroordelingen hebben verleend, dit vonnis in de plaats wordt gesteld van de door [gedaagden] – in het kader van hun verplichting tot medewerking – te geven toestemming voor de benodigde rechtshandelingen;
[gedaagden] veroordeelt om na betekening van het vonnis, uiterlijk 72 uur voor de datum waarop de woning conform de hiervoor onder C van het petitum bedoelde koopovereenkomst moet worden geleverd, de onroerende zaak aan [adres] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 en een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven;
[gedaagden] veroordeelt in de kosten van het geding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.
[gedaagden] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagden] vorderen - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Voor recht verklaart dat de vordering van vader en moeder van € 200.000,00 alsmede de daarover verschuldigde rente is verjaard;
De omvang van de nalatenschap van vader vaststelt op € 139.154,50 en het vorderingsrecht van [gedaagde sub 1] op de nalatenschap van moeder op € 34.440,74 dan wel op een in goede justitie vast te stellen bedrag, al dan niet door middel van een verklaring van recht;
De omvang van de nalatenschap van moeder vaststelt op € 257.252,40, en het erfdeel van [gedaagde sub 1] daarin op € 64.313,10 dan wel op een in goede justitie vast te stellen bedrag, al dan niet door middel van een verklaring van recht;
e vordering van [gedaagde sub 2] op de nalatenschap vaststelt op een bedrag van € 178.972,59 dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag. Deze vordering toe te delen aan eisers (naar ratio van ieders erfdeel) onder verrekening van de overbedelingsschuld van [gedaagde sub 1] voor zover de woning wordt toegedeeld aan [gedaagde sub 1] , en subsidiair de nalatenschap veroordeelt tot betaling aan [gedaagde sub 2] , vermeerderd met de wettelijke rente per 12 maart 2025, dan wel per de datum van het te wijzen vonnis tot en met het moment van algehele voldoening;
Bepaalt dat de woning aan [adres] te [woonplaats] aan [gedaagde sub 1] wordt toebedeeld voor een bedrag van € 1.195.000,00 dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, onder toedeling van het erfdeel van [gedaagde sub 1] in de nalatenschap van moeder aan [eisers] , tegen vermindering van de overbedelingsschuld van [gedaagde sub 1] aan [eisers] , een en ander slechts voor zover de woning wordt toegedeeld aan [gedaagde sub 1] en zulks onder opschortende voorwaarde dat [gedaagde sub 1] in de procedures tegen de gemeente Den Helder en/of Friedberg & Mahn geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en hij daaruit voornoemde vorderingen van [eisers] kan voldoen;
[eisers] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan het onder E. gevorderde mee te werken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 100.000,00 dan wel een in goede justitie vast te stellen dwangsom en maximum indien niet (tijdig) aan het uit hoofde van het onder E. gevorderde wordt voldaan;
Voor het geval [eisers] niet binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis meewerken aan de door de rechtbank bepaalde wijze van verdeling, [gedaagde sub 1] machtigt om als vertegenwoordiger van [eisers] de handelingen te verrichten die nodig zijn om de verdeling tot stand te brengen, waaronder het namens hen tekenen van de akte van de verdeling en de notariële leveringsakte.
[eisers] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Enkele inleidende opmerkingen vooraf
Hoewel de procedure in conventie aanvankelijk alleen gericht was op – kort gezegd – verkoop van het ouderlijk huis, heeft deze als gevolg van de door [gedaagden] ingestelde vorderingen in reconventie (alsnog) het karakter gekregen van een integrale afwikkeling van zowel de nalatenschap van vader als die van moeder met een nauwkeurige becijfering van ieders aanspraken daarop.
Om deze aanspraken te concretiseren en te becijferen, zijn de vorderingen van [gedaagden] in essentie gericht op vaststelling en verdeling van (1) de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van vader en moeder, (2) de daaruit af te leiden nalatenschappen van vader en moeder en (3) de daaruit voortvloeiende nauwkeurige becijfering van de aanspraken van zowel [eisers] als [gedaagde sub 1] op beide nalatenschappen.
Partijen zijn sterk verdeeld op welke wijze deze (financiële) afwikkeling moet plaatsvinden. De hiervoor genoemde inzet van de procedure stelt hoge eisen aan de stelplicht van partijen. Om de rechtbank in staat te stellen tot een verantwoorde beoordeling ligt het op de weg van partijen om voldoende gemotiveerde feitelijke stellingen te betrekken en deze zoveel mogelijk van een deugdelijke schriftelijke onderbouwing te voorzien. Voor zover dat niet het geval is, neemt de rechtbank in de verdere beoordeling tot uitgangspunt dat het partijdebat (dus) niet de nodige helderheid heeft opgeleverd en de rechtbank niet in staat is (gesteld) tot een adequaat en beargumenteerd oordeel te komen. In die gevallen zal reeds daarom aan bewijslevering niet worden toegekomen.
Voor zover partijen hebben verwezen naar de door hen in het geding gebrachte producties ter feitelijke onderbouwing van hun standpunt, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat in een procedure als deze een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet laten verwoorden, in dit geval door haar advocaat (zie o.a. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628). Dit brengt met zich dat een procespartij niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de door haar in het geding gebrachte stukken, maar dat zij concreet moet maken welke stellingen zij op basis van die stukken inneemt en waar die stellingen in de stukken steun vinden of onderbouwd worden. Dit op een zodanige wijze dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren. Met name [gedaagden] hebben veelvuldig verwezen naar in het geding gebrachte stukken (producties), terwijl zij in de processtukken zelf veelal niet hebben toelicht wat daaruit valt af te leiden, laat staan welke relevantie die stukken hebben voor de betrokken stellingen.
Dit alles brengt met zich dat de rechtbank slechts kan beslissen op die geschilpunten die als zodanig in de processtukken zijn benoemd, dan wel ter zitting aan de orde zijn geweest en waarover een voldragen partijdebat heeft plaatsgevonden.
in conventie
Kern van het geschil is of [gedaagde sub 1] gehouden is om - ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen - zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning én of hij de woning op korte termijn dient te verlaten ten behoeve van de verkoop van de woning. De rechtbank merkt daarbij op dat eisers al in november 2022 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geschreven dat zij ermee rekening moeten houden dat de woning verkocht zal moeten worden als moeder naar een verzorgingstehuis moet, of onverhoopt komt te overlijden.
De rechtbank wijst de gevorderde medewerking ten behoeve van de verkoop van de woning en ook de gevorderde ontruiming toe.
Uitgangspunt is dat deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kunnen vorderen. Partijen zijn ieder voor een vierde deel deelgenoot in de nalatenschapsboedel van hun moeder. De woning maakt deel uit van de boedel. [eisers] hebben steeds gesteld geen probleem te hebben met toedeling van de woning aan [gedaagde sub 1] , mits hij hen kan uitkopen en de hypotheekverplichtingen kan overnemen. [gedaagde sub 1] wil de woning toegedeeld krijgen. Hij voert daartoe met name aan dat hij [eisers] weliswaar op dit moment nog niet kan uitkopen, maar dat hij een vordering op de gemeente Den Helder heeft, die – mits deze in rechte wordt toegewezen – hem in staat stelt de woning tegen vergoeding van de overwaarde over te nemen. [eisers] hebben ter zitting gemotiveerd aangevoerd dat als alle overige stellingen van [gedaagde sub 1] die zien op de mogelijke toedeling van de woning aan hem correct zouden zijn (omtrent de zorgvergoeding van [gedaagde sub 2] ; de verjaring van de vordering van de boedel op [gedaagde sub 1] ; de omvang van zijn vordering in de nalatenschap van vader en moeder), hij nog steeds niet in staat zou zijn om [eisers] uit te kopen. [gedaagden] hebben dit niet betwist, zodat deze overige stellingen dus in het kader van de conventie geen beoordeling behoeven.
Zoals gezegd stellen [gedaagden] een vordering op de gemeente Den Helder te hebben. De rechtbank heeft deze vordering (van EUR 18.883.433,11) bij vonnis van 18 maart 2026 echter afgewezen. Dat [gedaagden] hiertegen hoger beroep hebben ingesteld – zoals mr. Van Lingen ter zitting heeft medegedeeld – maakt niet dat daarom dit hoger beroep moet worden afgewacht. Door Friedberg & Mahn Advocaten N.V. is namelijk executoriaal beslag op de woning gelegd ter delging van een (tot een bedrag van EUR 262.167,04) geverifieerde vordering op [gedaagde sub 1] . Hiermee is voor de overige erfgenamen een doorslaggevend en acuut belang bij ontruiming en levering van de woning, vrij van bewoning reed gegeven. Dit geldt te meer omdat Moneyou een en andermaal executoriale verkoop heeft aangezegd.
Nu [eisers] voorts onbetwist hebben gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] weigeren de woning te verlaten en weigeren mee te werken aan het te koop zetten van de woning, zullen de vorderingen worden toegewezen als na te melden.
Tot slot hebben [gedaagden] zich verzet tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Omdat [gedaagden] dit verzet niet nader hebben onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij.
proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
lening aan [gedaagde sub 1] (vordering onder 3.4 sub A)
Allereerst de in geschil zijnde lening (2.5) aan [gedaagde sub 1] . Kern van het geschil is de vraag of de aan [gedaagde sub 1] verstrekte lening nog in de afwikkeling van de nalatenschap van moeder moet worden betrokken. Onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.5 en 2.7 weergegeven feiten en het bepaalde in artikel 3:307 en 3:308 BW, hebben [gedaagden] aangevoerd dat de rechtsvordering op de aldaar genoemde tijdstippen bij gebreke van enige stuitingshandeling door moeder is verjaard.
De rechtbank stelt vast dat [eisers] dit verjaringsverweer zeer uitvoerig in de conclusie van antwoord in reconventie en ter zitting van 1 juli 2026 hebben weersproken. [eisers] hebben met name uiteengezet dat en waarom een geslaagd beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagden] zijn ter zitting niet verschenen en hebben ook niet op andere wijze daarop gereageerd. Omdat het verweer van [eisers] door [gedaagden] niet is weersproken, stuit het beroep op verjaring door [gedaagden] daarop reeds af. Het onder 3.4 sub A gevorderde zal daarom afgewezen worden.
mantelzorgvergoeding [gedaagde sub 2] (vordering onder 3.4 sub D)
[gedaagden] hebben onder verwijzing naar de in de conclusie weergegeven berekening, gesteld dat [gedaagde sub 2] aanspraak kan maken op een vergoeding uit hoofde van door haar verleende mantelzorg aan moeder berekend over de periode 20 februari 2021 tot aan de opname in een zorginstelling op 5 april 2024. De geleverde zorg heeft een economische waarde, en gelet op de omvang daarvan heeft [gedaagde sub 2] verdiencapaciteit verloren als bedoeld in artikel 4:36 BW, aldus [gedaagden]
[eisers] hebben – kort gezegd – de stellingen van [gedaagden] betwist.
De rechtbank wijst het gevorderde af. Anders dan in het betoog van [gedaagden] besloten ligt, bestaat op grond van de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak niet snel aanleiding voor een vergoeding zoals gevorderd. Een erfgenaam, of behuwdkind zoals in dit geval, heeft slechts onder bijzondere voorwaarden een aanspraak op salaire différé als bedoeld in artikel 4:36 BW. Allereerst moet er sprake zijn geweest van langdurig verrichte arbeid in het beroep of bedrijf of in de huishouding van moeder, daaronder begrepen de verzorging of verpleging van moeder. Voorts moet die arbeid een economische waarde hebben en is daarvoor desondanks door het (behuwd)kind geen passende beloning verkregen, terwijl het kind door zijn of haar arbeid ten opzichte van de mede-erfgenamen in een maatschappelijk en/of financieel slechtere positie is geraakt. Waaruit een billijke vergoeding, de grondslag van de aanspraak, bestaat kan bij de bepaling van het onderhavige geschil echter in het midden blijven. [eisers] hebben een fors aantal Whatsapp berichten bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht waarin naast [eisers] (deels) ook [gedaagde sub 2] is betrokken. Onderdeel van de correspondentie is – kort gezegd – de toenemende zorgbehoefte van moeder en het mogelijk aanvragen van een mantelzorgvergoeding ten behoeve van [gedaagde sub 2] . Daarin heeft [gedaagde sub 2] zelf op (20 januari 2024) het volgende bericht:
“Wat betreft de vergoeding voor de zorg voor mam, zullen we de maandelijkse steun die [gedaagde sub 1] krijgt zien als mantelzorg vergoeding. Toen ik het pgb wilde aanvragen was het niet de bedoeling dat dat van ma zou gaan komen, dus dat is dan opgelost.”
Onder verwijzing naar dit bericht hebben [eisers] aangevoerd dat [gedaagde sub 2] bewust heeft afgezien van een vergoeding ter zake, en de passende beloning bovendien is gelegen in de door [gedaagden] ontvangen maandelijkse vergoeding van moeder (2.6). [gedaagden] zijn – zoals hiervoor gemeld – niet ter zitting verschenen en hebben het hiervoor weergegeven verweer van [eisers] evenmin in de stukken inhoudelijk bestreden. Om die redenen is de grondslag aan het gevorderde komen te ontvallen, en ligt het voor afwijzing gereed. De overige over en weer betrokken stellingen en weren behoeven daarom geen beoordeling meer.
vaststelling omvang en verdeling nalatenschappen vader en moeder (vorderingen onder 3.4 sub B en C)
Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.3 en 4.4. heeft overwogen, stelt de rechtbank voorop dat het in de eerste plaats op de weg ligt van [gedaagden] als eisende partijen om de gestelde juridische grondslagen van voldoende gemotiveerde feitelijke en met stukken onderbouwde stellingen te voorzien. Pas als [gedaagden] daaraan hebben voldaan, is het aan [eisers] , om deze stellingen gemotiveerd en specifiek te weerleggen. Uit de aard van de vorderingen volgt dat het op de weg van [gedaagden] ligt om concreet, helder en duidelijk gespecificeerd te stellen – en bij betwisting te onderbouwen – welke omvang en samenstelling beide nalatenschappen in de visie van [gedaagden] hebben. De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] zich daarover in de stukken zeer beperkt hebben uitgelaten. Opmerking verdient dat [gedaagden] zelf hebben gesteld dat de gevorderde bedragen de uitkomst zijn van een “voorlopige” berekening. Deze berekening volgt echter uit een niet nader toegelichte verwijzing naar een tweetal beknopte boedelbeschrijvingen. Bovendien zijn deze niet van onderliggende stukken voorzien ter onderbouwing van de daarin opgenomen boedelbestanddelen en kostenposten. Daargelaten dat [eisers] de inhoud daarvan hebben bestreden, komt de rechtbank tot de slotsom dat [gedaagden] op deze wijze onvoldoende invulling hebben gegeven aan de op hen rustende stelplicht en het partijdebat om die reden volstrekt onvoldragen is gevoerd. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank aan bewijslevering niet toe, en liggen de vorderingen voor afwijzing gereed.
proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [gedaagden] om na betekening van het vonnis hun volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan [adres] te [woonplaats] via een gezamenlijk door partijen aan te wijzen makelaar dan wel indien [gedaagden] hieraan niet meewerken binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, aan een door [eisers] aan te wijzen makelaar, onder welke medewerking is begrepen het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar en het opvolgen van verkoopadviezen van de makelaar;
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van een kwart van de makelaarskosten, alsmede een kwart van het door de makelaar in rekening te brengen voorschot;
verleent [eisers] vervangende toestemming om de verkoopdracht aan de onder 5.1 aan te wijzen makelaar, mede namens [gedaagden] te ondertekenen indien [gedaagden] na daartoe te zijn gesommeerd hun medewerking niet binnen een in de sommatie gestelde (redelijke) termijn hebben verleend;
veroordeelt [gedaagden] tot ondertekening van een koopovereenkomst met de koper(s) wanneer deze koper of kopers naar het deskundige oordeel van de makelaar een marktconforme prijs heeft respectievelijk hebben geboden;
veroordeelt [gedaagden] tot medewerking aan de levering van de woning aan de koper(s), waaronder ondertekening van de notariële akte van levering bij de in de koopovereenkomst aangewezen notaris;
bepaalt dat, ingeval [gedaagden] – na daartoe te zijn gesommeerd – hun medewerking niet binnen een in de sommatie gestelde (redelijk) termijn aan de hiervoor onder 5.4 en 5.5 geformuleerde veroordelingen hebben verleend, dit vonnis in de plaats wordt gesteld van de door [gedaagden] – in het kader van hun verplichting tot medewerking – te geven toestemming voor de benodigde rechtshandelingen;
veroordeelt [gedaagden] om na betekening van het vonnis, uiterlijk 72 uur voor de datum waarop de woning conform de hiervoor onder 5.4 bedoelde koopovereenkomst moet worden geleverd, de onroerende zaak aan [adres] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 en een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
wijst het gevorderde af;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.