ECLI:NL:RBNHO:2026:10306

ECLI:NL:RBNHO:2026:10306

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer C/15/360758 / HA ZA 25-23
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Erfrecht. Vordering dochters op vader. Discussie over opeisbaarheid en omvang van deze vordering. Uitvoering gegeven aan periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden? Volgens vader wel en anders geen verrekening vanwege vervalbeding en verjaring. Rechtbank: vordering is opeisbaar en verrekening is niet aan de orde. De rechtbank stelt de omvang van de vordering van de dochters vast en veroordeelt vader tot betaling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/360758 / HA ZA 25-23

Vonnis van 5 augustus 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,

beiden te [plaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,

advocaat: mr. J.C. van den End,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [plaats 1] ,

advocaat: mr. M.J.P. Schipper,

hierna te noemen: vader,2. [gedaagde 2],

te [plaats 2] ,

niet verschenen,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

gedaagde partijen.

De zaak in het kort

Zussen [eiser 1] en [eiser 2] hebben vanwege het overlijden van hun moeder (in 2010) een vordering op vader. Zij willen dat vader hen nu betaalt. Ter discussie staat de opeisbaarheid en omvang van deze vordering. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is de vordering opeisbaar omdat vader is hertrouwd. Voor de omvang van de vordering moet volgens hen ook rekening worden gehouden met de verrekenvordering die tot de nalatenschap van moeder behoorde doordat het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van vader en moeder niet zou zijn uitgevoerd. Vader betwist de opeisbaarheid van de vordering en voert ten aanzien van de omvang ervan aan dat het huwelijksvermogen destijds wel periodiek verrekend is en anders niet meer verrekend kan worden vanwege een vervalbeding en vanwege verjaring.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] opeisbaar is en dat het inroepen van het vervalbeding door vader onder de gegeven feiten en omstandigheden niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, zodat verrekening van het huwelijksvermogen niet aan de orde is. De rechtbank stelt verder de omvang van de (resterende) vorderingen vast en veroordeelt vader tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] .

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;

- de akte overleggen nadere producties en wijziging c.q. aanvulling van eis met producties 26 t/m 28 van [eiser 1] en [eiser 2] ;

- de aanvullende producties 7 en 8 van vader;

- de akte overleggen producties met producties 29 t/m 36 van [eiser 1] en [eiser 2] ;

- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

- de aantekeningen van mr. Van den End namens [eiser 1] en [eiser 2] ;

- de pleitnota van mr. Schipper namens vader.

Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Op de rol van 6 mei 2026 hebben partijen de rechtbank laten weten dat overleg niet tot een regeling heeft geleid en hebben zij verzocht om vonnis.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

Op 13 november 2010 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster was ten tijde van haar overlijden gehuwd op huwelijkse voorwaarden met vader. Door het overlijden van erflaatster is dit huwelijk ontbonden. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren: [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagde 2] .

In de huwelijkse voorwaarden is een periodiek verrekenbeding opgenomen waarin staat dat onverteerde vruchten en inkomsten steeds aan het einde van het jaar zullen worden verdeeld. Er is ook een vervalbeding opgenomen waarin staat:

Vóór een september van het daaropvolgende jaar zal terzake hiervan tussen de echtgenoten moeten worden afgerekend, bij gebreke waarvan geacht wordt geen grond voor verrekening aanwezig te zijn.

Erflaatster heeft in een testament van 23 december 2002 over haar nalatenschap beschikt (hierna: het testament). Partijen zijn de gezamenlijke erfgenamen van erflaatster, ieder voor gelijke delen. In het testament is een ouderlijke boedelverdeling opgenomen, waardoor [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagde 2] ieder een niet-opeisbare onderbedelingsvordering kregen op vader ter hoogte van hun erfdeel. Vader is tot executeur benoemd, welke benoeming door hem is aanvaard. Alle erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

Ten aanzien van de boedelverdeling bepaalt het testament:

1. Ter berekening van het aan ieder van mijn erfgenamen toekomende erfdeel zullen de baten van mijn nalatenschap worden geschat naar de waarde op mijn sterfdag, zoals deze waarde zal worden vastgesteld in onderling overleg:

2. (…)

3. In verband met mijn voormelde zorgplicht zullen de aan mijn afstammelingen toebedeelde vorderingen ten laste van mijn genoemde echtgenoot, evenals de daarover verschuldigde enkelvoudige rente berekend tegen een percentage, dat gelijk is aan en dat het verloop zal hebben van de wettelijke rente, eerst opeisbaar zijn bij het overlijden van mijn genoemde echtgenoot, (…), alsmede bij zijn eventueel hertrouwen of het aangaan van een geregistreerd partnerschap, doch in dat geval uitsluitend indien niet bij huwelijkse/partnerschaps-voorwaarden elke gemeenschap van goederen is en blijft uitgesloten en genoemde voorwaarden geen enkel verrekenbeding bevatten, met uitzondering van het beding dat leidt tot verrekening van onverteerde inkomsten, en hij weigert, na daartoe te zijn aangemaand, voldoende zekerheid te stellen voor de terugbetaling van de aan mijn afstammelingen toebedeelde vorderingen.

(…)

Erflaatster bezat ten tijde van haar overlijden de aandelen in [bedrijf 2] B.V.

Vader bezat ten tijde van het overlijden van erflaatster de aandelen in [bedrijf 3] B.V., de bloot eigendom van de woning aan [adres 1] in [plaats 1] , de eigendom van diverse andere onroerende zaken (waaronder een pand aan de [adres 2] ), alsook vorderingen en contanten. Hij had ook een rekening-courantschuld aan [bedrijf 3] B.V.

Op 5 juli 2011 zijn in de nalatenschap van erflaatster de aanslagen erfbelasting opgelegd. Daarin is uitgegaan van een nalatenschapssaldo van € 874.034,-. Het erfdeel per erfgenaam was € 218.507,-.

Vader heeft in 1992 het [bedrijf 1] opgericht (hierna: het notariskantoor). [eiser 1] en [eiser 2] hebben het notariskantoor overgenomen van vader. In 2011, respectievelijk 2014, hebben [eiser 1] en [eiser 2] daartoe ieder 1/3e van de aandelen van vader overgenomen. Het restant van de aandelen hebben zij in 2019 samen van vader overgenomen.

In 2023 zijn de verhoudingen tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en vader anderzijds verstoord geraakt. Vader had op dat moment een affectieve relatie met (destijds) een werknemer van het notariskantoor, mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ). Tussen [eiser 1] en [eiser 2] (dan wel het notariskantoor) en vader/ [betrokkene] zijn diverse gerechtelijke procedures gevoerd.

In gelijkluidende brieven van 30 januari 2024 heeft vader aan [eiser 1] en [eiser 2] laten weten voornemens te zijn op korte termijn hun erfdelen inzake de nalatenschap van erflaatster aan hen over te maken. Over de hoogte van de vordering heeft vader geschreven:

Jouw moederlijk erfdeel heb ik voorlopig vastgesteld op € 80.000,00. De wettelijke rente vanaf 13 november 2010 bedraagt (afgerond naar boven) € 26.000,00. Dus in totaal maak ik € 106.000,00 aan je over.

Recent is er namelijk in mijn huis ingebroken. De hangmap met het rode ruitertje waarop vermeld staat ‘overlijden [erflaatster] ’ is uit mijn bureaulade meegenomen.

Zolang ik niet over de gegevens vermeld in de hangmap beschik, weet ik niet het exacte bedrag dat ik aan jullie moet overmaken.

Zodra de gegevens weer in mijn bezit zijn maak ik het restant per omgaande over.

Op 5 februari 2024 heeft vader aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] een bedrag van € 106.000,- overgemaakt.

Op 29 februari 2024 is vader hertrouwd met [betrokkene] .

Op 3 april 2024 heeft vader aan [eiser 1] en [eiser 2] gelijkluidende e-mails gestuurd met het bericht dat hij aan ieder van hen een bedrag van € 63.976,- heeft overgemaakt, zijnde, wat hem betreft, het restant erfdeel met wettelijke rente inzake de nalatenschap van erflaatster. De berekening van dit bedrag was als bijlage aan de e-mail toegevoegd.

In reactie hierop hebben [eiser 1] en [eiser 2] in een e-mail van 5 april 2024 uiteengezet dat de nalatenschap van erflaatster blijkens de ingediende aangifte en opgelegde aanslag erfbelasting € 874.034,- bedroeg en ieders erfdeel daarom minimaal € 218.509,- bedraagt. Ook hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangegeven dat de vordering door het hertrouwen van vader opeisbaar is geworden.

Wegens het uitblijven van een reactie van vader hebben [eiser 1] en [eiser 2] per e-mail van 26 april 2024 aan vader een eigen berekening van de openstaande vordering en daarbij behorende rente gestuurd. Die berekening is gebaseerd op de ingediende aangifte erfbelasting. Daarbij is verder verzocht om een gespecificeerd overzicht te verstrekken van de bezittingen.

In een e-mail van 25 juni 2024 heeft de advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] aan vader vragen gesteld over de aangifte erfbelasting. Op 4 juli 2024 heeft de advocaat van vader hierop kort gezegd gereageerd dat vader niet meer weet hoe het bedrag tot stand is gekomen en hij ook niet meer over stukken beschikt om dat na te zien.

Op 11 juli 2024 heeft vader een bedrag van € 23.242,33 aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] overgemaakt. In totaal heeft vader daarmee een bedrag van € 193.218.33 per persoon aan [eiser 1] en [eiser 2] betaald.

De advocaten van partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over de hoogte van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] onder verwijzing naar diverse berekeningen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben in een brief van 3 oktober 2024 vader aangemaand – indien hij niet akkoord is met hun voorstel tot uitbetaling van de nominale vordering van € 368.508,50 per persoon – om voldoende zekerheid te stellen door zijn medewerking te verlenen aan het ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] vestigen van een recht van hypotheek op het pand aan de [adres 2] in [plaats 1] .

In een brief van 28 oktober 2024 heeft vader de huurovereenkomsten van het pand aan [adres 2] in [plaats 1] , waarin een deel van het notariskantoor is gevestigd, opgezegd tegen 31 juli 2029 respectievelijk 31 augustus 2029.

3. Het geschil

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen na wijziging van eis:

bij tussenvonnis:

I. een deskundige te benoemen om de aandelen in [bedrijf 3] B.V. te waarderen, bij welke waardering tevens de waarde van de deelnemingen meegenomen dienen te worden, waaronder de deelneming in [bedrijf 1] B.V.,

II. een deskundige te benoemen om de aandelen in [bedrijf 2] B.V. te waarderen,

bij eindvonnis:

I. te verklaren voor recht dat de geldvorderingen die [eiser 1] en [eiser 2] na het overlijden van hun moeder (erflaatster) op hun vader kregen, opeisbaar zijn;

II. de geldvorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] vast te stellen op de volgende wijze:

primair: de vorderingen van eisers vast te stellen op een nog door [eiser 1] en [eiser 2] aan te geven bedrag, nadat een door de rechtbank te benoemen deskundige de waarde van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. respectievelijk [bedrijf 2] B.V. heeft vastgesteld;

subsidiair: de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] vast te stellen op € 408.071,- per persoon en daarbij te bepalen dat dit bedrag vanaf 1 december 2025 tot de dag van voldoening vermeerderd dient te worden met de in het testament van erflaatster opgenomen rente;

meer subsidiair: de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] vast te stellen op € 92.869,49 per persoon, dan wel vast te stellen op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, en daarbij te bepalen dat dit bedrag vanaf 31 december 2024 tot de dag van voldoening vermeerderd dient te worden met de in het testament van erflaatster opgenomen rente;

III. vader te veroordelen om aan [eiser 1] en [eiser 2] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de door de rechtbank vast te stellen geldvorderingen te voldoen;

IV. vader te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat vaststaat dat zij een vordering op vader hebben uit hoofde van de nalatenschap van erflaatster. Deze vordering is op grond van het testament gelijk aan ieders zuiver erfdeel van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende baten. Omdat partijen nooit in overleg de waarde van de nalatenschap van erflaatster hebben vastgelegd, moet die nog worden bepaald. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de waarde van de nalatenschap gelijk is aan de helft van de waarde van het op datum overlijden aanwezige vermogen van erflaatster en vader gezamenlijk. Dit komt doordat tijdens het huwelijk van vader en erflaatster geen uitvoering is gegeven aan het periodieke verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden, zodat bij het overlijden van erflaatster moest worden afgerekend over de totale waarde van het aanwezige vermogen. Tot de nalatenschap behoort daarom ook een verrekenvordering op vader, waarvan de waarde alleen correct kan worden vastgesteld als de aandelen in [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. door een deskundige worden gewaardeerd (peildatum overlijdensdatum). Zij vorderen primair de benoeming van een deskundige voor deze waardering. Als er geen deskundige wordt benoemd, stellen [eiser 1] en [eiser 2] zich subsidiair op het standpunt dat hun erfdelen per persoon € 435.111,- bedroegen, te vermeerderen met verschuldigde rente en te verminderen met al ontvangen bedragen, zodat per 1 december 2025 een vordering van € 408.071,- per persoon resteerde. Meer subsidiair stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat voor de vaststelling van de onderbedelingsvordering aangesloten kan worden bij de aangifte erfbelasting. Zij verwijzen daarbij naar het uit de aanslag erfbelasting blijkende zuiver saldo van de nalatenschap van € 874.034,- In dat geval bedroegen de erfdelen per persoon € 218.508,50 per persoon, waarvan na rentevermeerdering en al van vader ontvangen betalingen per 31 december 2024 per persoon een vordering van € 92.869,49 resteert, te vermeerderen met de tot datum voldoening verschuldigde rente.

De vorderingen zijn volgens [eiser 1] en [eiser 2] opeisbaar, omdat vader is hertrouwd met [betrokkene] , zonder dat zij huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt en zonder dat vader zekerheid heeft gesteld.

Vader voert verweer. Vader concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure.

Vader voert aan dat tot de nalatenschap geen verrekenvordering vanwege het periodiek verrekenbeding behoorde, omdat:i) het periodiek verrekenbeding wel tijdens het huwelijk is uitgevoerd;ii) een vervalbeding voor het periodiek verrekenbeding is opgenomen, zodat na het overlijden van erflaatster verrekening van vermogen niet meer aan de orde is; iii) het recht om verrekening te vorderen inmiddels is verjaard. Daarnaast zijn de onderbedelingsvorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] niet opeisbaar, omdat vader is getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden die geen gemeenschap of verrekening inhouden. [eiser 1] en [eiser 2] hebben hem ook niet aangemaand om zekerheid te stellen. Bovendien stelt vader de onderbedelingsvorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] al volledig te hebben voldaan door de eerdere betalingen. Omdat de vorderingen op dat moment nog niet opeisbaar waren, konden deze worden betaald naar contante waarde in plaats van de nominale waarde. Naar de contante waarde is destijds voldoende door vader betaald.

Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover nodig, nader in.

4. De beoordeling

De overbedelingsvordering is opeisbaar

De vraag ligt voor of de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] opeisbaar is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Uit het testament van erflaatster volgt dat [eiser 1] en [eiser 2] een vordering op vader hebben die opeisbaar wordt bij een eventueel hertrouwen, maar uitsluitend in het geval dat niet bij huwelijkse-/partnerschapsvoorwaarden elke gemeenschap van goederen is en blijft uitgesloten en genoemde voorwaarden geen enkel verrekenbeding bevatten. Vaststaat dat vader in februari 2024 is hertrouwd met [betrokkene] . Vader betoogt dat hij is gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, maar weigert – ondanks meerdere verzoeken van [eiser 1] en [eiser 2] hiertoe – de huwelijkse voorwaarden aan hen te verstrekken. Vader heeft de huwelijkse voorwaarden niet in deze procedure overgelegd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben verder gesteld dat zij het huwelijksgoederenregister hebben geraadpleegd, maar dit geen resultaat opleverde. De rechtbank houdt het er daarom voor dat bij het hertrouwen van vader geen huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt. Hoewel vader aanvoert dat voor opeisbaarheid van de vordering niet alleen een hertrouwen zonder het maken van afdoende huwelijkse voorwaarden, maar ook een weigering om zekerheid te stellen nodig is, volgt in ieder geval uit de brief van 3 oktober 2024 van [eiser 1] en [eiser 2] aan vader dat zij om deze zekerheid hebben verzocht. Vader voert in deze procedure aan dat zekerheidsstelling niet is geweigerd en hij daartoe nog steeds bereid is, maar het uitblijven van een inhoudelijke reactie impliceert een weigering tot zekerheidsstelling. Voornoemde feiten en omstandigheden leiden dan ook tot de conclusie dat de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] op vader opeisbaar is.

Er is geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding

Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen betreft het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden tussen vader en erflaatster. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is nooit uitvoering gegeven aan dat beding: vader en erflaatster hebben niet jaarlijks verrekend. Daarmee komt volgens [eiser 1] en [eiser 2] het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW in beeld: het bij het einde van het huwelijk (de sterfdatum van erflaatster) aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het gaat dus om (de helft van) de waarde van het op datum van overlijden aanwezige vermogen van vader en erflaatster.

Volgens vader is tijdens het huwelijk wel uitvoering gegeven aan het verrekenbeding. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dit in de arbeidsrechtelijke procedure tegen de huidige echtgenote ( [betrokkene] ) van vader ook erkend en daarmee staat dit vast, zo betoogt hij.

Het betoog van vader dat tijdens het huwelijk uitvoering is gegeven aan het verrekenbeding kan niet slagen. Vader heeft dit betoog niet toegelicht of onderbouwd met enig stuk, hetgeen wel op zijn weg had gelegen, zeker omdat [eiser 1] en [eiser 2] er op hebben gewezen dat bij het overlijden van erflaatster ruim 4/5e deel van het vermogen op naam van vader stond en nog geen 1/5e deel op naam van erflaatster, terwijl jaarlijkse verrekening zou hebben geleid tot min of meer gelijkwaardige privévermogens. Vader heeft uitsluitend gesteld dat [eiser 1] en [eiser 2] in rechte hebben erkend dat verrekening heeft plaats gevonden omdat zij in een (arbeidsrechtelijke) procedure tussen hen en [betrokkene] daarover een opmerking hebben gemaakt in het processtuk ‘akte overleggen nadere producties en wijziging c.q. aanvulling van eis’. Dat is echter onvoldoende om in het onderhavige geding te spreken van een erkenning waarop [eiser 1] en [eiser 2] niet meer zouden kunnen terugkomen. Het gaat hier om een opmerking van de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] in een andere procedure, die niet de nalatenschap van erflaatster betrof. Een gerechtelijke erkentenis geldt als zodanig slechts in het geding waarin zij is afgelegd; alle andere erkentenissen gelden als buitengerechtelijke, ook wanneer zij in een ander geding zijn afgelegd. De rechtbank acht de toelichting van vader onvoldoende en volgt [eiser 1] en [eiser 2] in hun betoog dat de vermogensverdeling tussen vader en erflaatster ten tijde van haar overlijden geen andere conclusie toelaat dan dat tijdens het huwelijk niet (alle jaren) periodiek is verrekend.

Een beroep op het vervalbeding is in dit geval aanvaardbaar

Vader heeft vervolgens betoogd dat de verplichting om tot verrekening over te gaan is vervallen door het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden. [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd dat volgens vaste lijn in de jurisprudentie een beroep op een vervalbeding bij een periodiek verrekenbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een beroep daarop is slechts toelaatbaar indien de partij die zich daarop beroept stelt en zo nodig bewijst dat er bijzondere omstandigheden zijn die het beroep rechtvaardigen. Vader heeft dergelijke omstandigheden niet of nauwelijks aangevoerd, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .

In zijn arrest van 19 januari 1996 heeft de Hoge Raad overwogen dat:

een in de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervalbeding niet nietig is wegens strijd met dwingend recht;

ook een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

een vervalbeding in belangrijke mate de werking ontneemt aan de tussen partijen overeengekomen verrekening;

om voor de hand liggende redenen partijen in het algemeen niet tot verrekening zullen overgaan zolang het huwelijk duurt en zij zich niet van de consequenties bewust zullen zijn;

het op grond van het voorgaande naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn als een van de gewezen echtgenoten na hun echtscheiding zich op het vervalbeding beroept.

De verdere jurisprudentie over het vervalbeding in huwelijkse voorwaarden ziet, net als in het arrest van de Hoge Raad, in de regel steeds op een situatie van echtscheiding waarbij één van partijen door de inroeping van het vervalbeding (veel) slechter af is dan de andere partij. De partij die dan slechter af is, is in de betreffende jurisprudentie doorgaans degene die door het verrichten van niet-betaalde arbeid ten behoeve van het huishouden en de verzorging van de kinderen, de andere partij in staat stelde om gedurende het huwelijk vermogen op te bouwen. De voorliggende zaak onderscheidt zich in die zin van deze rechtspraak, dat het geschil zich hier niet voordoet tussen gewezen echtgenoten, en het geschil bovendien geruime tijd (circa veertien jaar) na de in de vervalbepaling genoemde termijn is ontstaan.

In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat met het overlijden van erflaatster het hele aan haar toebehorende vermogen onder algemene titel op vader is overgegaan. De kinderen hebben destijds alleen een (niet opeisbare) vordering op vader gekregen ter grootte van hun erfdelen. Peildatum voor de bepaling van zowel de omvang van het vermogen (van erflaatster) als de waarde daarvan (en daarmee de waarde van het erfdeel en dus de hoogte van de vorderingen van de kinderen op vader), moeten worden bepaald op de sterfdatum van erflaatster.

Van het vermogen van moeder maakte deel uit een vordering tot verrekening op vader uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden. Aan die vordering tot verrekening was echter een vervalbeding verbonden. In deze procedure beroept vader zich tegenover [eiser 1] en [eiser 2] op het vervalbeding. Blijkens voornoemd arrest van de Hoge Raad is een dergelijk vervalbeding geldig, maar kan het beroep daarop tussen partijen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In de onderhavige kwestie zijn de volgende omstandigheden van belang:

tussen vader en erflaatster is staande huwelijk niet verrekend (zie r.o. 4.4.) en het ligt voor de hand dat als erflaatster niet zou zijn overleden, ook geen verrekening zou hebben plaatsgevonden;

zolang vader en erflaatster gehuwd waren, deelde erflaatster mee in het door vader opgebouwde vermogen gelet op de levensstandaard die zij erop na kon houden;

door het overlijden van erflaatster werd vader (via de ouderlijke boedelverdeling) eigenaar van een vordering op zichzelf, die door vermenging teniet is gegaan (zie artikel 6:161 BW), zodat vader de vordering niet kon incasseren, ook niet ten behoeve van de nalatenschap;

het vervalbeding speelt hier niet in een situatie van echtscheiding tussen vader en erflaatster maar in een situatie van waardering en verdeling van de nalatenschap van erflaatster, zodat de huwelijkse zorgplicht niet aan de orde is;

tussen de datum van overlijden en het moment waarop [eiser 1] en [eiser 2] zich voor het eerst hebben beroepen op het verrekenbeding, is circa veertien jaar verstreken.

Gelet op het voorgaande is het beroep op het vervalbeding in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarom heeft vader een geslaagd beroep gedaan op het vervalbeding bij de vaststelling van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] en gaat het beroep van [eiser 2] en [eiser 1] op het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW niet op. De conclusie is daarmee dat de vordering (ter hoogte van het kindsdeel) uitsluitend moet worden bepaald op basis van de vermogensbestanddelen die ten tijde het overlijden van erflaatster van haar waren.

Omvang van de nalatenschap van erflaatster

De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande de omvang van de nalatenschap van erflaatster bepalen.

Vaststaat dat vader ten tijde van het overlijden van erflaatster enige aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V. was. Deze aandelen waren dan ook niet van erflaatster en vielen niet in haar nalatenschap.

Vast staat verder dat erflaatster 100% van de aandelen in [bedrijf 2] B.V. hield. Daarmee zijn deze aandelen wél als vermogensbestanddeel van erflaatster aan te merken.

Wat betreft de woning aan het [adres 1] in [plaats 1] heeft vader de bloot eigendom verworven en had erflaatster het vruchtgebruik op deze woning. Het recht op vruchtgebruik is geëindigd met het overlijden van erflaatster en valt dan ook niet in haar nalatenschap.

Voor de overige onroerende zaken geldt dat deze op naam van vader stonden en er daarom, nu verrekening niet aan de orde is, geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij de waardering van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] .

De bankrekening die op naam van erflaatster stond is overgezet op naam van [eiser 1] . Niet is gebleken dat die ten tijde van het overlijden van erflaatster een positief saldo kende.

Ook de overige vorderingen ad € 418.000,- zijn geen vermogensbestanddeel van erflaatster. Ter zitting heeft vader onweersproken toegelicht dat [adres 3] door hem aan [eiser 1] is overgedragen tegen een koopsom van € 300.000,- en zij hem dit bedrag per saldo schuldig is gebleven. Op 15 december 2010 heeft zij van vader nog een bedrag geleend van € 118.000,-.

Het voorgaande betekent dat bij de vaststelling van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] alleen de waarde van de aandelen in [bedrijf 2] B.V. moet worden betrokken.

De rechtbank stelt vast dat vader en [eiser 1] en [eiser 2] niet eerder afspraken hebben gemaakt over de omvang van de onderbedelingsvorderingen. Nu ook vaststaat dat tot de nalatenschap in essentie alleen de aandelen van moeder behoren, ziet de rechtbank aanleiding om - zoals [eiser 1] en [eiser 2] ook meer subsidiair vorderen - daarvoor aansluiting te zoeken bij de aanslag erfbelasting. Daaruit blijkt namelijk niet alleen de waarde van de aandelen, maar ook de schulden van de nalatenschap. Voor het bepalen van de vorderingen moet immers worden gekeken naar dit saldo. De rechtbank ziet ten aanzien van de waarde van de aandelen geen aanleiding een deskundige te benoemen, omdat de waarde die daarvoor voor de erfbelasting is aangegeven niet substantieel afwijkt van de waarde die uit de jaarrekening 2010 volgt. Daarbij geldt dat erflaatster medio november 2010 is overleden, zodat een aansluiting bij de peildatum 31 december 2010 (in de jaarrekening 2010), daarop voldoende aansluit. De rechtbank verduidelijkt dat zij zal uitgaan van het zuivere nalatenschapssaldo dat uit de aanslag erfbelasting – en niet de aangifte – blijkt, nu [eiser 1] en [eiser 2] hun vordering baseren op de bedragen die zijn opgenomen op de aanslag erfbelasting. De rechtbank stelt daarom vast dat de vorderingen initieel een nominale waarde van € 218.809,- per persoon bedroegen. Daar komt nog bij de enkelvoudige rente die volgens het testament van erflaatster daarover is verschuldigd.

De vordering moet worden betaald naar nominale waarde

Daarnaast bestaat discussie tussen partijen over de vraag of de vordering op basis van de contante of nominale waarde berekend moet worden. Vader stelt dat de vorderingen in beginsel worden berekend naar rato van de gerechtigdheid in de nalatenschap, rekening houdend met de verschuldigde erfbelasting, maar dat daarin nog niet is verdisconteerd dat de vorderingen niet opeisbaar zijn. Om die reden moet de waarde volgens vader contant worden gemaakt. Nu de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat de vorderingen wél opeisbaar zijn geworden met het hertrouwen op 29 februari 2024, de vorderingen toen nog niet volledig waren voldaan en een nadere onderbouwing van de stelling van vader dat (desondanks) gewaardeerd moet worden op basis van de contante waarde ontbreekt, zal waardering plaatsvinden op basis van de nominale waarde.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de nalatenschap bestaat uit een waarde van € 875.236,-. De nominale vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] bedroegen € 218.809,- per persoon, te vermeerderen met de volgens het testament van erflaatster daarover verschuldigde rente, en te verminderen met de door vader al gedane betalingen. Volgens de berekening van [eiser 1] en [eiser 2] bedraagt deze resterende vordering € 92.869,49, te vermeerderen met de vanaf 31 december 2024 tot datum voldoening verschuldigde testamentaire rente. Vader heeft deze berekening op zichzelf verder niet bestreden, zodat de rechtbank de berekening zal volgen.

Proceskosten

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat de geldvorderingen die [eiser 1] en [eiser 2] na het overlijden van erflaatster op vader kregen opeisbaar zijn,

stelt de (resterende) vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] uit hoofde van de nalatenschap van erflaatster vast op € 92.869,49 per persoon, te vermeerderen met de in het testament van erflaatster opgenomen rente met ingang van 31 december 2024 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt vader om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het hiervoor genoemde bedrag van de (resterende) vorderingen aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis, met uitzondering van het onder 5.1. bepaalde, uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. J.J. Dijk en mr. D.C. van Beelen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

1589

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Notamail 2026/192 Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/459
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand