RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
voorzieningenrechter
Wet tijdelijk huisverbod
zaak-/rekestnummers: C/15/381069 / TH ZA 26-7 (voorlopige voorziening)
C/15/381070 / FA RK 26-4427 (beroep)
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van 12 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] , verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker),
wonende te [plaats] ,
gemachtigde mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht,
tegen
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder,
zetelende te Zaandam,
gemachtigde mr. S.E.H. van Thoor, advocaat te Hoofddorp,
in welke zaak belanghebbende is:
[partner van verzoeker] , partner van verzoeker,
wonende te [plaats] .
1. De procedure
Bij besluit van 23 juli 2026 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en een contactverbod met de kinderen van verzoeker opgelegd voor de periode van 23 juli 2026 te 12:15 uur tot 2 augustus 2026 te 12:15 uur. Bij besluit van 24 juli 2026 heeft verweerder het besluit van 23 juli 2026 hersteld en aangevuld met een contactverbod met de partner van verzoeker.
Bij besluit van 30 juli 2026 is het huisverbod en contactverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, te weten tot 20 augustus 2026 te 12:15 uur.
Tegen het besluit van 30 juli 2026 (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 6 augustus 2026 beroep ingesteld. Bij brief van 10 augustus 2026 heeft verzoeker tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft op 11 augustus 2026 de volgende stukken ingediend:
het formulier Situatie ter plaatse d.d. 23 juli 2026;
het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld d.d. 23 juli 2026;
het proces-verbaal van bevindingen hulpofficier van justitie d.d. 23 juli 2026;
het besluit van verweerder d.d. 23 juli 2026;
de vervolgbeschikking van verweerder d.d. 24 juli 2026;
het formulier Episode journaal;
het beleidsadvies d.d. 30 juli 2026;
het zorgadvies d.d. 30 juli 2026;
het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
verzoeker, bijgestaan door mr. D.M. Moes als waarnemer van mr. F.D.W. Siccama;
verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.E.H. van Thooren.
Partner van verzoeker is niet ter zitting verschenen.
2. De beoordeling
Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbende, dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daarom zal de voorzieningenrechter gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
Op grond van artikel 9 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat:
er sprake was en nog steeds is van gevaar, want er zijn nog onvoldoende afspraken gemaakt die de veiligheid van verzoekers partner en kinderen waarborgen;
de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid, want de (veiligheids)situatie ten tijde van het bestreden besluit was ongewijzigd en de ingezette hulpverlening heeft nog niet tot het gewenste resultaat geleid.
Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet noodzakelijk was omdat er geen sprake (meer) was van gevaar, verzoeker meewerkt aan de ingezette hulpverlening en aan verzoeker een (strafrechtelijke) gedragsaanwijzing voor de duur van negentig dagen is opgelegd. Ook heeft verweerder het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en de belangen van verzoeker en zijn kinderen niet zorgvuldig afgewogen.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, concludeert de voorzieningenrechter dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds sprake was van gevaar. Dit omdat de situatie nog onvoldoende verbeterd was en omdat het de ingezette hulpverlening nog niet is gelukt om voldoende rust in de situatie te brengen en toereikende en duurzame (veiligheids)afspraken te maken met verzoeker en zijn partner. Verweerder was daarom bevoegd het bestreden besluit te nemen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheden gebruik heeft kunnen maken. De omstandigheid dat aan verzoeker een (strafrechtelijke) gedragsaanwijzing is opgelegd en dat zijn partner en kinderen tijdelijk elders verblijven, is bij het verlengen van het tijdelijk huisverbod niet van doorslaggevende betekenis, gezien de omstandigheden van dit geval. De verweerder heeft deze afweging op grond van die omstandigheden dus kunnen maken.
Tot slot dient te worden beoordeeld of er op dit moment aanleiding bestaat het huis- en contactverbod op te heffen omdat aangenomen kan worden dat het gevaar is geweken. Hiervoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding. Er is immers gebleken dat er nog geen duurzame veiligheidsafspraken zijn gemaakt en het contact tussen verzoeker en zijn partner en kinderen nog niet is hersteld. Gezien de ernst van het geweldsincident naar aanleiding waarvan de partner van verzoeker met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht, en gezien de gesignaleerde angst voor verzoeker bij zowel de partner als bij beide kinderen, zijn goede veiligheidsafspraken en een zorgvuldige aanpak van het contactherstel in dit geval wel geïndiceerd.
De voorzieningenrechter zal daarom het beroep ongegrond verklaren.
Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
Er is geen grond om een van partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. Het verzoek van de verzoeker daartoe wordt daarom afgewezen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hausenblasová, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.