RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378514 / HA ZA 26-355
Vonnis in incident van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. L. Schellevis,
tegen
[gedaagde] ,
in haar hoedanigheid van executeur – afwikkelingsbewindvoerder en erfgenaam,te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L. Bosch.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot inzage en afschrift van informatie met producties 1 tot en met 10;
de incidentele conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11;
de akte overlegging nadere productie in incident van [eiseres] met productie 11.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten voor zover van belang in incident
De heer [erflater] (hierna: erflater) is op 1 maart 2025 overleden. Ten tijde van zijn overlijden was hij getrouwd met [gedaagde] . Uit het huwelijk is één kind geboren: [eiseres] .
Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 19 september 2023. Uit het testament volgt dat [gedaagde] tot enig erfgename en executeur/afwikkelingsbewindvoerder is benoemd. [eiseres] is uitgesloten als erfgenaam.
3. Het geschil in de hoofdzaak
In de hoofdzaak vordert [eiseres] dat de rechtbank de omvang van de legitimaire massa in de nalatenschap van erflater, alsmede de omvang van de legitimaire portie van [eiseres] vaststelt. Ook vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
4. Het geschil in het incident
[eiseres] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair
I. [gedaagde] op grond van artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek (BW) veroordeelt tot het verstrekken van inzicht in en afschrift van de informatie die [eiseres] nodig heeft voor het vaststellen van haar legitieme portie, te weten:
a. Taxatierapport van de woning, gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , per overlijdensdatum;
b. Taxatierapport van de auto, per overlijdensdatum;
c. Een afschrift van de verklaring van executele en/of erfrecht;
d. Een afschrift van de aangifte erfbelasting van erflater;
e. Een overzicht van alle giften aan afstammelingen;
f. Een overzicht van alle giften aan derden over de periode vanaf 5 jaar voor het overlijden;
g. Een kopie van de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van erflater over de jaren 2022 t/m 2024;
h. De ontbrekende bankafschriften van de spaarrekening [rekeningnummer 1] , in ieder geval over de perioden:
o Juni t/m december 2020;
o Januari en maart 2021;
o Juni t/m oktober 2022;
o Maart, juni, november en december 2023;
o Augustus, september, november en december 2024;
i. De ontbrekende bankafschriften van het rekeningnummer [rekeningnummer 2] , vanaf 1 maart 2020 t/m 1 maart 2025, met vermelding van het saldo per overlijdensdatum,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-,
Subsidiair
II. [gedaagde] op grond van artikelen 194 en 195 Rv veroordeelt tot het verstrekken van de informatie zoals hiervoor onder I. benoemd, of straffe van verbeurte van een dwangsom,
Primair en subsidiair
III. bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de handtekening van [gedaagde] , voor zover instanties dit noodzakelijk achten, zodat [eiseres] zelfstandig de onder I. genoemde stukken kan opvragen;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
[eiseres] legt aan haar vordering in het incident ten grondslag dat zij op grond van artikel 4:87 BW recht en belang heeft op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij nodig heeft voor de berekening van de legitimaire massa en de onderbouwing van haar legitieme portie. [gedaagde] is in haar hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder verplicht om de gevorderde informatie te verstrekken.
[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat zij altijd heeft meegewerkt aan verzoeken om informatie. Voor het verkrijgen van bepaalde bescheiden is zij echter afhankelijk van verschillende instanties, zodat zij simpelweg nog niet beschikt over de gevraagde informatie. Een deel van de gevraagde informatie kan niet verstrekt worden, omdat die informatie er niet is. Ten slotte zijn er ook bescheiden opgevraagd waarbij [eiseres] geen belang heeft.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in het incident
Toetsingskader
Op grond van artikel 4:78 BW kan een legitimaris die geen erfgenaam is – zoals [eiseres] – tegenover de erfgenaam en de executeur ( [gedaagde] ) aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van haar legitieme portie behoeft. Deze informatieverplichting moet ruim worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Op grond van artikel 4:65 BW wordt de legitieme berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a t/m c en f BW. Met de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt bedoeld de waarde op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden (artikel 4:65 BW in samenhang met artikel 4:6 BW).
Artikel 4:78 BW houdt echter geen verplichting in tot rekening en verantwoording en schept ook geen algemeen inzagerecht. Om fishing expeditions te voorkomen, moet [eiseres] voldoende concreet stellen en onderbouwen waarom de gevorderde stukken voor de berekening van de legitieme portie noodzakelijk zijn.
Benodigde gegevens voor de berekening van de legitieme portie
De rechtbank constateert dat [eiseres] ten aanzien van de meeste gevraagde stukken niet concreet en onderbouwd heeft gesteld waarom deze stukken noodzakelijk zijn. [eiseres] stelt voor de meeste stukken enkel dat zij belang heeft bij de stukken en dat [gedaagde] de stukken nog niet beschikbaar heeft gesteld. Alleen met betrekking tot het gevorderde afschrift van de verklaring van executele en/of erfrecht en de bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer 2] heeft zij haar belang nader toegelicht.
Omdat [gedaagde] alleen ten aanzien van het gevorderde afschrift van de verklaring van executele en/of erfrecht verweer heeft gevoerd tegen het belang van [eiseres] en zij verder geen concreet verweer heeft gevoerd tegen de stelling dat de gevorderde stukken noodzakelijk (kunnen) zijn bij het berekenen van de legitieme portie, zal de rechtbank de gevraagde stukken en informatie toetsen aan het geschetste toetsingskader en het door [gedaagde] gevoerde verweer. In het vervolg van dit vonnis worden de gevorderde stukken één voor één besproken, waarbij de nummering zal worden aangehouden zoals weergegeven onder 4.1.
a. Taxatierapport van de woning, gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , per overlijdensdatum
[gedaagde] voert aan dat zij er geen bezwaar tegen heeft om het taxatierapport van de woning met [eiseres] te delen. Door [gedaagde] is contact gelegd met een taxateur, maar – na wat digitale problematiek – bleek dat deze taxateur geen taxatierapporten van woningen opmaakt. [gedaagde] heeft aangekondigd dat zij zich zal wenden tot een andere taxateur en dat zij het taxatierapport aan [eiseres] zal toesturen zodra zij daarover beschikt.
De rechtbank zal de vordering van [eiseres] op dit onderdeel toewijzen, in die zin dat zij [gedaagde] zal veroordelen het taxatierapport te verstrekken zodra zij het rapport heeft ontvangen. Nu [gedaagde] nog niet over de informatie beschikt, zal de rechtbank aan de veroordeling tot verstrekking van de informatie geen dwangsom verbinden.
b. Taxatierapport van de auto, per overlijdensdatum
Het taxatierapport van de auto is door [gedaagde] bij de conclusie van antwoord overgelegd, zodat [eiseres] geen belang meer heeft bij haar vordering. De rechtbank wijst de vordering op dit onderdeel daarom af.
c. Een afschrift van de verklaring van executele en/of erfrecht
[gedaagde] voert aan dat [eiseres] geen belang heeft bij deze stukken. [eiseres] heeft de stukken niet nodig voor de vaststelling van haar legitieme portie, omdat zij al een uittreksel van het testament heeft ontvangen waaruit volgt dat zij is uitgesloten van de nalatenschap en dat zij zich kan wenden tot de executeur- afwikkelingsbewindvoerder, namelijk [gedaagde] .
[eiseres] heeft toegelicht dat zij wel belang heeft bij de gevorderde stukken, omdat zij wenst vast te stellen of [gedaagde] de nalatenschap en/of executele daadwerkelijk heeft aanvaard en de wijze waarop.
De rechtbank stelt voorop dat een verklaring van executele en een verklaring van erfrecht wezenlijk van elkaar verschillen. In een verklaring van executele staat alleen vermeld wie de executeur is en wat diens bevoegdheden zijn. In een verklaring van erfrecht staat ook vermeld wie de erfgenamen zijn, de wijze waarop zij eventueel de nalatenschap hebben aanvaard en wat hun erfdeel is.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] in ieder geval geen belang heeft bij verstrekking van beide verklaringen, omdat de inhoud van de verklaringen deels overlapt. Verder blijkt uit de toelichting van [eiseres] dat zij niet slechts wil vaststellen of [gedaagde] de taak van executeur heeft aanvaard, maar dat zij ook wil vaststellen of en – zo ja - hoe [gedaagde] de nalatenschap heeft aanvaard. Gelet op deze toelichting heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij de verklaring van executele, omdat deze niet alle informatie bevat die zij stelt nodig te hebben. De vordering van [eiseres] zal op dit punt worden afgewezen.
De rechtbank is met [eiseres] van oordeel dat zij belang heeft bij het ontvangen van een verklaring van erfrecht. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] op dit onderdeel daarom toewijzen. Nu [gedaagde] nog niet over de informatie beschikt, zal de rechtbank aan de veroordeling tot verstrekking van de informatie geen dwangsom verbinden.
d. Een afschrift van de aangifte erfbelasting van erflater
De aangifte erfbelasting is door [gedaagde] bij de conclusie van antwoord overgelegd, zodat [eiseres] geen belang meer heeft bij haar vordering. De rechtbank wijst de vordering op dit onderdeel daarom af.
Een overzicht van alle giften aan afstammelingen en
Een overzicht van alle giften aan derden over de periode vanaf 5 jaar voor het overlijden
[gedaagde] heeft aangevoerd dat er door erflater geen giften zijn gedaan, zodat een overzicht niet kan worden overgelegd. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] niets heeft gesteld op basis waarvan kan worden vermoed dat er wel giften zijn gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat [eiseres] geen belang heeft bij de verzochte informatie, zodat de vordering op deze onderdelen zal worden afgewezen.
g. Een kopie van de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van erflater over de jaren 2022 t/m 2024
[gedaagde] heeft de aanslagen inkomstenbelasting al eerder aan [eiseres] overgelegd. Ook zijn deze bij de conclusie van antwoord overgelegd. Dit betekent dat [eiseres] geen belang meer heeft bij haar vordering tot afgifte van deze stukken, zodat de vordering op dit punt wordt afgewezen.
Ten aanzien van de aangiftes inkomstenbelasting heeft [gedaagde] aangegeven dat deze zijn opgevraagd bij de Belastingdienst. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] toewijzen in die zin dat zij [gedaagde] zal veroordelen om de aangiftes aan [eiseres] toe te sturen zodra deze van de Belastingdienst zijn ontvangen. Nu [gedaagde] nog niet over de informatie beschikt, zal de rechtbank aan de veroordeling tot verstrekking van de informatie geen dwangsom verbinden.
h. De ontbrekende bankafschriften van de spaarrekening [rekeningnummer 1]
[gedaagde] voert aan dat de stelling van [eiseres] – dat er afschriften ontbreken – niet juist is. Alle gevraagde bankafschriften van deze bankrekening zijn (ook bij conclusie van antwoord) overgelegd. Echter, in verschillende maanden hebben er vanaf deze bankrekening geen transacties plaatsgevonden zodat er van die maanden ook geen afschriften bestaan. Dit is af te leiden uit de volgnummers op de bankafschriften.
De rechtbank constateert dat de volgnummers van de overgelegde bankafschriften inderdaad kloppen en aansluitend zijn. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat alle beschikbare bankafschriften zijn overgelegd, zodat [eiseres] geen belang meer heeft bij afgifte van de stukken. De vordering van [eiseres] zal daarom op dit punt worden afgewezen.
i. De ontbrekende bankafschriften van het rekeningnummer [rekeningnummer 2]
[gedaagde] voert aan dat deze bankrekening geruime tijd heeft rood gestaan en daarom is opgeheven door de bank. Het bewijs van opheffing is bij de conclusie van antwoord overgelegd.
[eiseres] stelt dat zij alsnog belang heeft bij de afgifte van de bankafschriften tot het moment dat de rekening werd opgeheven. Zij heeft er belang bij om te kunnen nagaan of er in de periode van 1 maart 2020 tot het moment van opheffing van de rekening door erflater giften zijn gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] belang heeft bij afgifte van de verzochte bankafschriften. De vordering zal op dit onderdeel worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] veroordeelt zal worden om de bankafschriften van 1 maart 2020 tot het moment dat de bankrekening werd opgeheven aan [eiseres] toe te sturen.
Dat [gedaagde] op dit moment over deze stukken beschikt is niet gebleken of gesteld, zodat de rechtbank aan deze veroordeling tot verstrekking van de informatie geen dwangsom zal verbinden.
Termijn opvragen stukken en dwangsom
Nu de rechtbank geen dwangsom aan [gedaagde] oplegt ten aanzien van het overleggen aan [eiseres] van de toe te sturen stukken, zal de rechtbank aan [gedaagde] wel een termijn opleggen van één maand na de datum van de betekening van dit vonnis waarbinnen [gedaagde] de toe te sturen stukken dient op te vragen bij de betreffende instanties. Aan deze termijn van één maand zal de rechtbank een dwangsom verbinden van € 100,- voor iedere dag dat zij hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. [gedaagde] dient aan [eiseres] een bewijs van het opvragen van de op te vragen stukken te verstrekken.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank
in het incident
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te overleggen:
het taxatierapport van de woning te [woonplaats] ;
de verklaring van erfrecht;
de aangiftes inkomstenbelasting van erflater voor de jaren 2022 tot en met 2024;
de bankafschriften van het rekeningnummer [rekeningnummer 2] voor de periode van 1 maart 2020 tot de datum dat de bankrekening werd opgeheven,
bepaalt dat [gedaagde] de onder 6.1. genoemde stukken binnen één maand na de betekening van dit vonnis dient op te vragen bij de betreffende instanties en dat zij aan [eiseres] een bewijs van opvragen dient te verstrekken,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder 6.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt,
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 september 2026 voor het indienen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak door [gedaagde] ,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt, rechter, bijgestaan door de griffier M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.