RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11981152 \ CV EXPL 25-4507 IL
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
tegen
WONINGSTICHTING KENNEMER WONEN,
te Heiloo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Woningstichting Kennemer Wonen,
gemachtigde: mr. M.J. Dekker.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 13 november 2025 met de producties 1 t/m 9
- conclusie van antwoord met de producties 1 t/m 15
- akte vermeerdering van eis met de producties 10 t/m 13 van [eiser] (ingekomen op 4 februari 2026)
- akte vermeerdering van eis van [eiser] (ingekomen op 16 februari 2026)
- schriftelijke reactie op de conclusie van antwoord van [eiser] (ingekomen op 27 mei 2026)
- akte houdende uitlating omtrent productie 11 t/m 13 van [eiser], met negen bijlagen (ingekomen op 19 juni 2026)
- akte overlegging producties tevens akte uitlating wijziging c.q. vermeerdering van eis van Kennemer Wonen met de producties 16 t/m 18 (ingekomen op 3 juli 2026)
- akte overlegging producties tevens akte uitlating wijziging c.q. vermeerdering eis van [eiser] met de producties 11 en 12 (ingekomen op 6 juli 2026)
- akte overlegging producties tevens akte vermeerdering eis van [eiser] met productie 13 tot en met 15 (ingekomen op 24 juli 2026)
- akte houdende eiswijziging en eisvermeerdering van [eiser] met vier enveloppen met stukken (ingekomen per e-mail op 26 juli en per post op 27 juli 2026)
- akte houdende definitieve eisformulering na bevel van de kantonrechter (ontvangen op 31 juli 2026)
- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
[eiser] huurt sinds 1 maart 1986 de woning aan de [adres 1] in [plaats 1] van Kennemer Wonen. De Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van Kennemer Wonen (versie 1-11-2020) zijn op de huurovereenkomst van toepassing.
In 2018 hebben partijen een geschil gehad over de wijze waarop [eiser] zijn tuin en onroerende aanhorigheden gebruikte en onderhield. In het vonnis van 25 april 2018 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld tot - kort gezegd - het verrichten van tuinonderhoud en het verwijderen van spullen in de tuin die niet in een tuin thuishoren binnen veertien dagen na betekening van het vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit vonnis is op 7 mei 2018 door de deurwaarder aan [eiser] betekend met bevel om de werkzaamheden binnen veertien dagen te verrichten.
In 2020 heeft Kennemer Wonen een renovatie aan de woning uitgevoerd. Op 18 december 2020 hebben partijen een aanhangsel bij de huurovereenkomst ondertekend. Daarin staat onder andere dat de nieuwe netto huurprijs € 432,51 per maand is per 18 december 2020.
Tijdens de renovatie is HR++ glas in de nieuwe kozijnen geplaatst, ook in de uitbouw aan de achterzijde.
Op 9 juni 2024 heeft [eiser] een verzoekschrift bij de Huurcommissie ingediend tot verlaging van de huurprijs vanwege vermindering van het woongenot wegens ernstige onderhoudsgebreken, namelijk verminderde daglichttoetreding tot de woning als gevolg van de renovatie.
Kennemer Wonen heeft in de procedure bij de Huurcommissie twee deskundigenrapporten daglichttoetreding van BBA van 19 augustus 2025 overgelegd. Eén betreft een onderzoek met gebruikmaking van de krijtstreepmethode en één zonder.
In beide rapporten staat onder algemeen:
“De vergunningsaanvraag voor deze uitbouw dateert van 18 september 2020. Op dat moment was het Bouwbesluit 2012, in werking getreden op 1juli 2020 van toepassing.
Conform het Bouwbesluit 2012 gelden voor verblijfsruimten en verblijfsgebieden van woningen specifieke eisen met betrekking tot de daglichttoetreding (…).
Ten tijde van de vergunningsaanvraag gold de NEN 2057:2011 als de geldende norm voor de berekening van de daglichttoetreding. De nieuwe Europese norm NEN-EN 17037, die aanvullende richtlijnen biedt voor daglichttoetreding, zal pas op 1 januari 2026 in werking treden en is derhalve nog niet van toepassing op dit project.
Daarom dient de beoordeling en toetsing van de daglichttoetreding te geschieden conform de regelgeving en normen die op het moment van de vergunningsaanvraag van kracht waren, namelijk het Bouwbesluit 2012 in samenhang met NEN 2057.”
In het rapport van het onderzoek zonder gebruikmaking van de krijtstreepmethode staat als beoordeling:
“In dit rapport zijn de nieuwbouweisen opgenomen om een volledig beeld te geven van de aanwezige daglichttoetreding. Voor de beoordeling blijft echter de eis voor bestaande bouw van toepassing, aangezien de Afdeling Verbouw van het Bouwbesluit geen bepalingen over daglicht bevat voor bestaande woningen en de nieuwbouweisen derhalve niet van toepassing zijn. Voor de woning is een berekening van de normatieve daglichttoetreding gemaakt. Zie bijlage I. Uit de berekeningen blijkt dat de woning ruimschoots voldoet aan de daglichttoetreding voor het rechtens verkregen niveau en de eisen voor bestaande bouw, de eis voor nieuwbouw wordt net niet gehaald. (…)”
In het rapport van het onderzoek met gebruikmaking van de krijtstreepmethode staat als beoordeling:
“Voor de woning is een berekening van de normatieve daglichttoetreding gemaakt. Zie bijlage I. Uit de berekeningen blijkt dat de woning voldoet aan de eis voor nieuwbouw en ruimschoots voldoet aan de daglichttoetreding voor het rechtens verkregen niveau en de eisen voor bestaande bouw. (…)”
Op 22 september 2025 heeft de Huurcommissie beslist dat de woonruimte geen gebrek heeft dat ernstig genoeg is om de huurprijs tijdelijk te verlagen.
3. Het geschil
[eiser] vordert - na meerdere wijzigingen van zijn eis - samengevat:
1. betaling van € 388,66 wegens het onrechtmatig inzetten van de executoriale titel van 10 mei 2021,
2. betaling van € 175,66 wegens het onrechtmatig inzetten van de executoriale titel van 7 mei 2018,
3. betaling van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige overlast en geweldplegingen of een bedrag nader op te maken bij staat,
4. een huurprijsvermindering van € 100,00 per maand over de periode waarin de bovenbuurman in het gehuurde woonachtig was (totaal € 12.000,00) wegens een gebrek aan de woning door de aanhoudende overlast,
5. vervanging van de ruiten in het gehuurde door een type glas waarmee de woning voldoet aan de gestelde ondergrens in het Bouwbesluit, te weten minimaal 10% equivalente daglichtoppervlakte berekend volgens NEN 2057,
6. benoeming van een onafhankelijk deskundige om te onderzoeken en te beoordelen of de bodem ter plaatse van het gehuurde (grotendeels) uit bodemassen bestaat,
7. voorwaardelijk (voor het geval de bodemverontreiniging door de deskundige wordt bevestigd) veroordeling van Kennemer Wonen om de bodem te saneren en af te voeren en te vervangen door gezonde grond, met een dwangsom van € 250,00 per dag,
8. de proceskosten.
[eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag (kort gezegd):
Er is sprake van misbruik van bevoegdheid, omdat Kennemer Wonen op grond van het vonnis van 25 april 2018 tot tenuitvoerlegging is overgegaan.
Kennemer Wonen is als verhuurder stelselmatig en gedurende een reeks van jaren passief gebleven ten aanzien van de ernstige overlast, bedreigingen en fysieke agressie veroorzaakt door haar medehuurder. Kennemer Wonen was gedurende deze periode op de hoogte van de overlast en de onderliggende geweldsincidenten, maar heeft nagelaten adequate maatregelen te nemen. Als direct gevolg van de situatie en het ernstig tekortschieten van Kennemer Wonen heeft [eiser] zwaar fysiek en psychisch leed ondervonden, waaronder lichamelijk letsel en jarenlange stelselmatige verstoring van de nachtrust door hevig gestamp op een niet geïsoleerde houten vloer.
Als gevolg van de renovatie is sprake van een gebrek omdat de woning niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit ten aanzien van daglichttoetreding. Kennemer Wonen heeft zonwerende HR-ruiten met een LTA-waarde van 75% geplaatst, waardoor de woning donkerder dan nodig is. Dit heeft een substantiële vermindering van daglichttoetreding en van huurgenot tot gevolg.
Er is (vermoedelijk) vervuilde grond bij de woning gestort. Een deskundigenonderzoek is noodzakelijk om de ernst van de situatie, de risico’s voor de volksgezondheid en de noodzaak tot herstel objectief vast te stellen. Zonder dit onderzoek kan de feitelijke staat van de bodem en het daarmee gepaard gaande verlies van woongenot niet objectief worden vastgesteld.
Woningstichting Kennemer Wonen voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Geen vervanging van de ruiten
De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van een gebrek aan de woning wegens het niet voldoen aan de eisen voor daglichttoetreding. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en motiveert dat als volgt.
Beide partijen sluiten zich aan bij de rapporten van BBA van 19 augustus 2025. De kantonrechter neemt deze rapporten daarom tot uitgangspunt.
Uit de rapporten blijkt dat het Bouwbesluit 2012 en de NEN norm 2057-2011 van toepassing zijn voor de berekening van de daglichttoetreding. Uit de rapporten blijkt ook dat volgens de berekeningen van BBA (zowel zonder gebruikmaking van de krijtstreepmethode als met gebruikmaking van de krijtstreepmethode) de woning ruimschoots voldoet aan de daglichttoetreding voor het rechtens verkregen niveau en de eisen voor bestaande bouw.
[eiser] beroept zich ten onrechte op de passage in het rapport van BBA (zie hiervoor in alinea 2.6.3) dat de eis voor nieuwbouw net niet wordt gehaald. Er is geen sprake van nieuwbouw, maar van verbouw van bestaande bouw. De voor nieuwbouw geldende eisen zijn dus niet van toepassing. BBA oordeelt dat ook, zoals duidelijk blijkt uit de rapporten. [eiser] verwijst nog naar zijn tekening op pagina 2 van productie 5 bij de dagvaarding en zijn toelichting daarop, maar die slaan ook op nieuwbouw en gaan dus ook niet op.
De conclusie is dat geen sprake is van een gebrek of andere reden voor vervanging van de ruiten. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen.
Geen schadevergoeding en/of huurprijsvermindering wegens een gebrek door overlast
De kantonrechter moet beoordelen of [eiser] recht heeft op een immateriële schadevergoeding en/of huurprijsvermindering, omdat Kennemer Wonen niet is opgetreden tegen door een derde aan [eiser] veroorzaakte overlast en daarom tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst met [eiser]. De kantonrechter beantwoordt beide vragen ontkennend en licht dat hierna toe.
[eiser] stelt - kort gezegd - dat zijn toenmalige buurman hem overlast heeft bezorgd en Kennemer Wonen daar niet of onvoldoende tegenop is getreden. Op de zitting is gebleken dat de buurman medio juni 2019 is verhuisd. Gesteld noch gebleken is dat er daarna nog sprake was van overlast. Het gaat dus om eventuele overlast in de periode vóór medio juni 2019.
Kennemer Wonen voert het bevrijdend verweer dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard. In reactie hierop heeft [eiser] op de zitting gezegd dat hij nooit aan de vordering gedacht zou hebben als hij geen problemen zou hebben gehad met de daglichttoetreding en dat een beroep op verjaring met een beroep op de redelijkheid kan worden gehonoreerd en geweigerd. De kantonrechter volgt het standpunt van Kennemer Wonen en motiveert dat als volgt.
[eiser] vordert een schadevergoeding wegens een tekortkoming van Kennemer Wonen. Het betreft schade wegens lichamelijk letsel (gebroken neus, fysieke agressie) en jarenlange verstoring van de nachtrust door hevig gestamp op de vloer veroorzaakt door zijn toenmalige buurman. Dat betekent dat [eiser] uiterlijk medio juni 2019 daadwerkelijk bekend moet zijn geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Omdat dit langer dan vijf jaren geleden is, is zijn vordering tot schadevergoeding verjaard.
Er is geen sprake van de situatie dat, indien [eiser] zijn vordering niet kon instellen door omstandigheden die aan Kennemer Wonen moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Kennemer Wonen zich erop mag beroepen dat de verjaring is beginnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden die maken dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [eiser] zegt namelijk zelf dat hij nooit aan de vordering gedacht zou hebben als hij geen problemen zou hebben gehad met de daglichttoetreding. Andere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken.
Voor de gevorderde huurprijsvermindering beroept Kennemer Wonen zich op de vervaltermijn van zes maanden. Dit verweer slaagt. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
Een eventuele huurprijsvermindering duurt voort tot het moment dat een gebrek is verholpen. Het gaat om sociale huur dus er geldt een vervaltermijn van zes maanden. Dit betekent dat - voor wat het verleden betreft - geen huurprijsvermindering kan worden verlangd over een langere periode dan zes maanden voorafgaand aan het instellen van de vordering of het indienen van het verzoek. [eiser] heeft de oorspronkelijke (later gewijzigde) vordering tot huurprijsvermindering ingesteld in de akte vermeerdering van eis ingekomen op 4 februari 2026. De vervaltermijn leidt ertoe dat alleen voor de periode vanaf zes maanden voor 4 februari 2026, te weten vanaf 4 augustus 2025, een huurprijsvermindering zou kunnen worden toegewezen (als aan alle overige voorwaarden is voldaan). Omdat de buurman in juni 2019 is verhuisd en gesteld noch gebleken is dat er daarna nog sprake was van overlast, moet de kantonrechter ervan uitgaan dat het gestelde gebrek zich niet meer voordoet en dus is verholpen. Ook hier geldt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen, zoals hiervoor bedoeld (zie alinea 4.9 tweede gedeelte).
De kantonrechter zal de vordering tot immateriële schadevergoeding en huurprijsvermindering daarom afwijzen.
Geen deskundigenonderzoek naar vervuilde bodem
De kantonrechter zal de vordering om een deskundigenonderzoek te bevelen en de voorwaardelijke vordering tot het saneren van de grond afwijzen op basis van het volgende.
Volgens de hoofdregel van het bewijsrecht draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten of rechten daarvan de stelplicht en - zo nodig - de bewijslast. Daarmee ligt het op de weg van [eiser] om voldoende feiten en omstandigheden aan te dragen (en zo nodig te bewijzen) die, als deze komen vast te staan, de conclusie rechtvaardigen dat de bodem vervuild is met bodemassen. De omvang van de stelplicht van [eiser] is mede afhankelijk van het door Kennemer Wonen gevoerde verweer.
[eiser] stelt dat (vermoedelijk) sprake is van vervuilde grond en verwijst naar de door hem overgelegde foto’s. Kennemer Wonen betwist dat sprake is van vervuilde grond en beroept zich op het rapport verkennend bodemonderzoek [straat] (nr. [nummer 1] t/m [nummer 2]) te [plaats 2] van HB Adviesbureau van 27 december 2018, het NL BSB® productcertificaat van Kiwa van 1 januari 2020 en het analysecertificaat van Eurofins van 26 februari 2025.
[eiser] heeft in reactie hierop verwezen naar de foto’s en zijn toelichting daarop en op de zitting meerdere zakjes met grond en brokstukken getoond. Volgens [eiser] ziet het Kiwa-certificaat op gecertificeerde zandgrond (bestratingszand) en betreft het rapport van HB “zand, matig fijn zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor”. En volgens [eiser] blijkt uit zijn foto’s en toelichting daarop dat dit andere grond betreft en zegt dat dus niets over de vervuiling van de tuin.
Daarmee heeft [eiser], in het licht van de betwisting van KW, zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Hierbij weegt mee dat [eiser] op de zitting (net als Kennemer Wonen) verwijst naar het besluit van de Omgevingsdienst. In dat besluit staat dat uit eerdere onderzoeken en monsters is gebleken dat de kwaliteit van de bodem in de tuin van [eiser] de schoonste kwaliteitsklasse heeft en dat uit het bodemonderzoek door [bedrijf] in opdracht van [eiser] bleek dat er geen sprake is van verontreinigde grond/zand. In het besluit staat ook: “(…) Met uw hernieuwde verzoek is er nogmaals naar de door u aangeleverde foto’s en eerder gedane onderzoeken gekeken. De “brokken” zoals door u op de foto vastgelegd zouden in AVI-bodemassen maar ook lavagesteente kunnen betreffen. (…) AVI-bodemassen mogen dus mits gereinigd worden toegepast als bouwstof, en tot 2024 ook zonder melding. (…) Het is dan ook niet onaannemelijk dat deze stoffen in de grond voorkomen, en dit is tevens toegestaan. Er is geen reden om aan te nemen dat dit AVI-bodemassen betreffen die niet gereinigd zijn nu afvalcentrales deze niet zonder meer kunnen afvoeren. Indien er al sprake is van AVI-bodemassen in de in uw tuin toegepaste grond, dan is dit als schone bouwstof toegepast. Er is dan ook geen sprake van een overtreding van de bovengenoemde milieuregels. (…)” Dit besluit onderbouwt de stelling van [eiser] dat de grond vervuild is dus niet; integendeel.
[eiser] heeft zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter komt daarom niet toe aan bewijslevering in de vorm van een deskundigenopdracht. De kantonrechter ziet ambtshalve overigens ook geen reden om een deskundigenonderzoek te bevelen.
De tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 april 2018
Het vonnis van 25 april 2018 bevat een (doorlopende) verplichting tot het verrichten van tuinonderhoud voor [eiser]. [eiser] is veroordeeld om de onder 6.1. van dat vonnis genoemde tuinwerkzaamheden te verrichten binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en om de onder 6.2. van dat vonnis genoemde tuinwerkzaamheden steeds opnieuw te verrichten telkens wanneer daartoe de noodzaak bestaat en zolang de tussen partijen bestaande huurovereenkomst doorloopt, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Het vonnis is op 7 mei 2018 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft geen executiegeschil aanhangig gemaakt.
[eiser] heeft op 2 juli 2018 € 150,00 en op 18 juli 2018 € 25,66 aan (de advocaat respectievelijk deurwaarder van) Kennemer Wonen betaald. Uit productie 7 bij de dagvaarding blijkt dat [eiser] op 29 juni 2021 € 388,62 aan (de deurwaarder van) Kennemer Wonen heeft betaald.
2018 (€ 175,66)
Uit productie 9 van Kennemer Wonen blijkt dat de kosten van tenuitvoerlegging van het vonnis € 175,66 bedragen (€ 96,22 + € 79,44). Naar de kantonrechter begrijpt heeft de betaling door [eiser] van in totaal € 175,66 betrekking op deze executiekosten.
In het vonnis van 25 april 2018 zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Dat betekent dat dat vonnis geen titel oplevert voor de executie van de nakosten, zoals de kosten voor betekening van het vonnis en executiekosten. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de kosten die in verband met de executie worden gemaakt voor rekening van [eiser] komen.
[eiser] stelt terecht dat de kantonrechter in rechtsoverweging 5.3 van het vonnis van 25 april 2018 heeft geoordeeld dat uit de foto’s van [eiser] van 9 april 2018 blijkt dat de tuin is opgeruimd. Dit oordeel is gegeven in verband met de in die procedure ook gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst. En dit oordeel laat zijn (doorlopende) verplichting tot het verrichten van tuinonderhoud (zoals omschreven onder 6.1. en 6.2 van dat vonnis) onverlet.
[eiser] stelt dat er op 7 mei 2018 geen enkele noodzaak of rechtvaardiging was om een deurwaarder in te schakelen, omdat de tuin was opgeruimd. Kennemer Wonen betwist dat; volgens haar voldeed [eiser] niet aan het vonnis. Maar dat standpunt strookt niet met de door [eiser] genoemde e-mail van de gemachtigde van Kennemer Wonen aan zijn toenmalige gemachtigde van 26 april 2018. Daarin staat namelijk dat het vonnis van 25 april 2018 ter betekening aan de deurwaarder is gestuurd en Kennemer Wonen in de week van 14 mei zal controleren of [eiser] aan de veroordeling heeft voldaan. Daarmee staat onvoldoende vast dat [eiser] op 7 mei 2018 tekortschoot in zijn verplichtingen tot het verrichten van tuinonderhoud. Omdat de veroordeling volgens het vonnis van 25 april 2018 pas ingaat na betekening en de betekeningskosten in beginsel voor eigen rekening zijn, komen de executiekosten in principe niet voor rekening van [eiser].
Kennemer Wonen beroept zich op een nadere afspraak. Kennemer Wonen stelt dat zij afspraken met [eiser] heeft gemaakt die zij in haar e-mail van 11 juli 2018 aan hem heeft bevestigd. In die e-mail staat (samengevat) dat de afspraken over de reeds opgelegde dwangsom inhouden i) dat Kennemer Wonen de inmiddels verbeurde dwangsom laat vervallen, [eiser] de overige deurwaarderskosten wel moet voldoen en het al betaalde bedrag in mindering zal worden gebracht op de deurwaarderskosten, en ii) dat [eiser] voortaan ervoor zorgt dat de tuin netjes in orde is en voldoet aan het vonnis van 25 april 2018 en anders de dwangsom voortaan wel wordt opgelegd. [eiser] betwist deze afspraken niet. Voor zover de kantonrechter heeft kunnen nagaan voert [eiser] op dit punt ook geen zelfstandig verweer. [eiser] is de onder i) genoemde afspraak kennelijk ook nagekomen. Op 18 juli 2018 heeft hij immers het restant van de executiekosten betaald. Van een onverschuldigde betaling is dus geen sprake.
2021 (€ 388,62)
Bij exploot van 10 mei 2021 heeft de deurwaarder op basis van het vonnis van 25 april 2018 een hernieuwd bevel aan [eiser] gedaan om alsnog te voldoen aan deze titel en daarom binnen 14 dagen de in het exploot vermelde werkzaamheden in de tuin te verrichten. Op basis van het vonnis van 25 april 2018 (en de afspraken van 11 juli 2018) was Kennemer Wonen bevoegd om dit hernieuwd bevel te doen. De door [eiser] genoemde omstandigheid dat Kennemer Wonen in de voorafgaande periode geen aanzegging of termijnstelling heeft gedaan en zelf nog niet had voldaan aan haar eigen opruimplicht, levert geen misbruik van bevoegdheid op omdat dat niet afdoet aan de eigen verplichtingen van [eiser]. En het hernieuwde bevel dient juist als termijnstelling.
Kennemer Wonen voert aan dat zij op 27 mei 2021 heeft gecontroleerd of [eiser] aan het hernieuwde bevel had voldaan en dat niet het geval bleek te zijn. De tuin was nog steeds een rommel. Daarbij verwijst Kennemer Wonen naar de foto’s van 27 mei 2021 (productie 13). Daarop is de zien dat de tuin inderdaad vol met rommel (spullen die niet in een tuin thuishoren) staat. [eiser] stelt hier onvoldoende tegenover. Alleen de verwijzing naar de e-mail van 11 mei 2021 is zonder nadere toelichting niet voldoende. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [eiser] op 27 mei 2021 in strijd met de veroordeling in 6.2 (het laatste liggend streepje) van het vonnis van 25 mei 2018 heeft gehandeld. Uit de foto’s van Kennemer Wonen blijkt de noodzaak tot het verrichten van die werkzaamheden. De dwangsommen zijn dus verbeurd en terecht opgeëist.
2018 (€ 175,66) en 2021 (€ 388,62)
[eiser] heeft geen (andere) omstandigheden gesteld die leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid en/of onverschuldigde betaling. Hierbij weegt mee dat [eiser] op een onoverzichtelijke wijze heeft geprocedeerd, kennelijk met gebruikmaking van AI, en tal van bijlagen over de schutting heeft gegooid. Het is niet de taak van de kantonrechter om in het dossier te zoeken naar relevante stellingen of bewijsstukken.
De kantonrechter zal de vordering tot betaling van € 175,66 en € 388,62 daarom afwijzen.
De proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De kantonrechter waardeert de door de gemachtigde van Kennemer Wonen verrichte werkzaamheden op drie punten (conclusie van antwoord 1 + akte overlegging producties tevens akte uitlating wijziging c.q. vermeerdering van eis van Kennemer Wonen 1 + mondelinge behandeling 1). Hierbij is van belang dat het aan het procesgedrag van [eiser] is te wijten dat Kennemer Wonen een extra akte heeft moeten nemen. De daarvoor gemaakte kosten komen voor rekening van [eiser].
De proceskosten van Kennemer Wonen worden volgens de geldende tarieven begroot op:
- salaris gemachtigde € 1.731,00 (3 punten x tarief € 577,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld
in de beslissing)
Totaal € 1.875,00.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Kennemer Wonen van € 1.875,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen,
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.