RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12326138 \ VV EXPL 26-110
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. de Graaff,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
TUI AIRLINES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Oude Meer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: TUI,
gemachtigde: mr. J.R. Vos en mr. E.R.M. Snijders.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 24;- de aanvullende producties 25 t/m 30 van [eiser] ;- de conclusie van antwoord met 14 producties;- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eiser] ;- de pleitnota van TUI.
2. Feiten
[eiser] is sinds 1 oktober 2025 als Junior First Officer in dienst bij TUI, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 1 oktober 2026).
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [eiser] door TUI in de gelegenheid wordt gesteld een opleiding tot vlieger Boeing 737 te volgen. In de tussen partijen gesloten Opleidingsovereenkomst is bepaald dat [eiser] de interne en opleiding TQ (Type Qualification) met aircraft training (hierna: ‘de opleiding’ of ‘de training’) zal volgen.
De opleiding bestaat uit verschillende onderdelen: theoretische examens, Computer Based Training modules, simulatietrainingen en fysieke vluchten (ook wel de: lijntraining). De lijntraining vindt plaats tijdens reguliere passagiersvluchten met het vliegtuig van het type waarvoor wordt opgeleid (in dit geval de Boeing 737), onder begeleiding van daartoe opgeleide en gecertificeerde instructeurs.
De lijntraining bestaat uit drie fasen: de familiarization phase, de confidence phase en de consolidation phase. Iedere fase kent een aantal sectoren. Een sector is één enkele vlucht: een start en een landing. Bij een rechtstreekse retourvlucht worden er dus twee sectoren gevlogen, bij een tussenstop op de vlucht is sprake van een derde sector.
De instructeurs stellen na iedere vlucht een uitgebreide rapportage op. Deze rapportages worden bijgehouden in het trainingsdossier. Voor de overstap naar een volgende fase van de lijntraining is met name van belang dat de Junior First Officer voldoet aan de daarvoor benodigde capaciteiten en hij/zij naar het oordeel van de instructeurs bekwaam genoeg is om een volgende stap te zetten.
Verordening (EU) Nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 bepaalt de technische eisen en administratieve procedures voor de veiligheid van luchtvaartoperaties binnen de Europese Unie, waaronder op het gebied van de opleiding van piloten. TUI heeft de daaruit voortvloeiende eisen geïmplementeerd in de Operations Manual Part D (hierna ook: OM-D). In het OM-D is (voor zover van belang) het volgende bepaald:
“ 3.2.2.1. Composition of the Training Commission
The Training Commission consists of the NPFO [Nominated Person Flight Operations] and NPCT [Nominated Person Crew Training].
The Training Commission decides by agreement upon the further course of action. This may be any of the following:
Inform the Trainee that his progress is below the required level and set expected gates of performance for further evaluation
Decide upon a remedial training program and set expected gates of performance for further evaluation
Stop the training and pass the responsibility towards the disciplinary supervisor (Flight Operations or Cabin Department) for further disciplinary actions
3.2.2.2. Consisted or Repeated Failure
“If a Trainee shows a consistent and or repeated failure to meet the required training standard, the NPCT [Nominated Person Crew Training] decides on further action.
This may be any of the following:
inform the Trainee that his progress is below the level expected and set expected gates of performance for further evaluation
Decide upon a remedial training program and set expected gates of performance for further evaluation
Any further action deemed necessary, e.g. arrange a Training Commission or pass the responsibility towards the disciplinary supervisor (Flight Operations or Cabin Department)”
Op de arbeidsovereenkomst is de cao TUI Vliegers TUI Fly Nederland 2024-2026 van toepassing (hierna: de cao).
In de cao is bepaald dat de NPFO de aangewezen persoon is om te oordelen over de vliegbekwaamheid van piloten. Dat doet hij aan de hand van Bijlage 7 van de cao, waarin de procedure is beschreven die kan worden gestart indien er twijfel bestaat over de bekwaamheid van een piloot.
[eiser] heeft de eerste onderdelen van de opleiding en de daarbij behorende examens met goed gevolg afgerond.
In januari 2026 is [eiser] gestart met de lijntraining.
Op 20 maart 2026 heeft [eiser] een extra simulatiesessie gevolgd, onder meer gericht op landingen.
Op 25 maart 2026 heeft de lijninstructeur geoordeeld dat [eiser] klaar was om door te gaan naar de tweede fase van de lijntraining: de confidence phase.
Op 27 april 2026 heeft [betrokkene 1] (de leidinggevende van [eiser] ) aan [eiser] laten weten dat zijn training ‘on hold’ zou worden gezet.
[eiser] had op dat moment in totaal 27 sectoren gevlogen:
Vlucht
Sector
Datum
Route
Overall result
Interventie nodig
1
1-2
25-01-2026
AMS-LPA-AMS
Normal progress
Ja
2
3-5
06-02-2026
AMS-KAJ-KAO-AMS
Normal progress
Nee
3
6-8
08/09-02-2026
AMS-BVC-SID-AMS
Slow progress
Ja
4
9-10
12-02-206
AMS-FUE-AMS
Normal progress
Nee
5
11-12
19-02-2026
AMS-FUE-AMS
Slow progress
Ja
6
13-14
24-02-2026
AMS-LPA-AMS
Needs extra training
Ja
7
15-16
07-03-2026
AMS-LPA-AMS
Slow progress
Ja
8
17-18
14-03-2026
AMS-SCR-AMS
Needs extra training
Ja
9
19-20
25-03-2026
AMS-RMF-AMS
Normal progress
Nee (door naar confidence phase)
10
21-23
06-04-2026
AMS-LPA-GRQ-AMS
Slow progress
Nee
11
24-25
16-04-2026
AMS-LPA-AMS
Normal progress
Ja
12
26-27
24-04-2026
AMS-ZTH-AMS
Needs extra training
Ja
Op 5 mei 2026 heeft [betrokkene 1] [eiser] uitgenodigd voor een gesprek op 8 mei 2026. In dit gesprek heeft TUI aan [eiser] laten weten de opleiding niet verder voort te zetten en hem voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst vrij te stellen van werkzaamheden (met behoud van loon).
Bij brief van 21 mei 2026 heeft TUI het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 30 september 2026 schriftelijk aangezegd.
Bij e-mail van 5 juni 2026 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het besluit van TUI om de opleiding te beëindigen.
Bij e-mail 26 juni 2026 heeft TUI toegelicht dat zij er ook voor had kunnen kiezen om een Bijlage 7-onderzoek naar de bekwaamheid van [eiser] als vlieger in te stellen, maar dat zij daar vanwege de tijd die nog nodig zou zijn om überhaupt de opleiding af te ronden, de tijd die nog nodig zou zijn om het onderzoek uit te laten voeren en de aanbevelingen op te volgen en de beperkte resterende duur van het dienstverband niet voor heeft gekozen.
[eiser] heeft TUI vervolgens meermaals gesommeerd om hem weer toe te laten tot de opleiding.
Op 21 juli 2026 heeft TUI [eiser] uitgenodigd voor een gesprek om de beslissing van de
trainingscommissie toe te lichten en over de verdere invulling van het dienstverband te
spreken, waaronder de mogelijkheid om (alsnog) een Bijlage 7-onderzoek te starten. [eiser] was hiertoe niet bereid.
3. Het geschil
[eiser] vordert de kantonrechter om bij wijze van voorlopige voorziening:
I. TUI te veroordelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis toe te laten tot zijn eigen werk, onder betaling van het overeengekomen loon en andere arbeidsvoorwaarden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. TUI te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de tussen partijen gesloten Opleidingsovereenkomst na te komen, en [eiser] de opleiding TQ met aircraft training te laten vervolgen en alles te doen wat is vereist om hem daarbij te ondersteunen, en alles na te laten wat [eiser] hierin mocht belemmeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. TUI te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis [eiser] te laten starten met het uitvoeren van 3 vluchtsectoren per week onder leiding van een line captain totdat hij minimaal 40 vluchtsectoren, althans het benodigde aantal vluchten voor het afleggen van het lijnexamen heeft gedaan en op advies extra trainingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. TUI te bevelen om [eiser] in de gelegenheid te stellen het lijnexamen en zo nodig een herkansing behorende bij de opleiding TQ met aircraft training vòòr 1 oktober 2026 af te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. Subsidiair, een zodanige beslissing te nemen als de rechter meent te behoren;
VI. TUI te veroordelen in de proceskosten.
[eiser] legt – samengevat – aan de vordering ten grondslag dat TUI tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de opleidingsovereenkomst. Het onderwijsrecht kent hoge drempels voor het opschorten of beëindigen van een opleiding. TUI heeft daaraan niet voldaan. [eiser] beroept zich daarom op nakoming van de opleidingsovereenkomst.
TUI voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] . Zij voert aan dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat de vorderingen van [eiser] zich niet lenen voor kort geding. Voor zover de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de zaak, heeft TUI zich op het standpunt gesteld dat zij de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en de opleidingsovereenkomst heeft nageleefd en dat zij heeft gehandeld conform de voor haar geldende (wettelijke) voorschriften ten aanzien van het opleiden van haar vliegers.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu de arbeidsovereenkomst van [eiser] binnen twee maanden van rechtswege afloopt en er (dus) geen tijd is om een bodemprocedure af te wachten.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of TUI in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de opleiding van [eiser] voortijdig te beëindigen. TUI heeft terecht aangevoerd dat de kantonrechter niet kan oordelen over de bekwaamheid of het functioneren van [eiser] als piloot. De kantonrechter kan echter wél een voorlopige inschatting maken van hoe de voorliggende rechtsvraag in een eventuele bodemprocedure zal worden beantwoord. Daarbij merkt zij op dat voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen in dit kort geding geen plaats is. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De gevraagde voorzieningen zullen hierna inhoudelijk worden behandeld.
De kantonrechter stelt voorop dat het onderwijsrecht hoge drempels kent voor het opschorten of beëindigen van een opleidingsovereenkomst door de opleider. Daarbij gaat het vooral om eisen van zorgvuldigheid, motivering en gelijkheid. Een besluit tot afstroom of verwijdering mag geen verrassing zijn, maar moet volgen uit eerdere beoordelingen met een zekere consistentie. Die drempels uit het onderwijsrecht kunnen via het goed werkgeverschap ook binnen het arbeidsrecht relevant zijn. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter zich bij de beoordeling van dergelijke besluiten in beginsel terughoudend dient op te stellen.
TUI heeft ter zitting toegelicht dat de NPCT (in de persoon van dhr. [betrokkene 2] ) de opleiding van de aspirant-vliegers monitort. Op basis van het trainingsdossier van [eiser] heeft [betrokkene 2] besloten om een extra simulatiesessie en extra sectoren aan de opleiding van [eiser] toe te voegen. Omdat die maatregelen volgens hem niet tot voldoende progressie hebben geleid, heeft hij vervolgens conform het derde opsommingsteken van artikel 3.2.2.2. van het OM-D besloten om de trainingscommissie bij elkaar te roepen. De trainingscommissie heeft vervolgens conform het derde opsommingsteken van artikel 3.2.2.1 van het OM-D besloten om de training stop te zetten en de verantwoordelijkheid over de casus aan de disciplinaire leidinggevende (NPFO) over te dragen. De NPFO heeft vervolgens de beslissing genomen om (omwille van de resterende tijd van de arbeidsovereenkomst, geld en energie) geen nader onderzoek in te stellen naar de bekwaamheid van [eiser] als vlieger, maar om hem voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst vrij te stellen van arbeid.
De kantonrechter is van oordeel dat TUI op het gebied van de zorgvuldigheid steken lijkt te hebben laten vallen. Zij heeft [eiser] niet geïnformeerd over de beslissing van [betrokkene 2] om de trainingscommissie bijeen te roepen en/of over het feit dat de kwestie bij de trainingscommissie voorlag. Dat had wel gemoeten. [eiser] is eerst op 8 mei 2026 op de hoogte gebracht van het besluit van de trainingscommissie om de opleiding stop te zetten. Dit is mondeling door zijn leidinggevende aan hem medegedeeld. TUI heeft daarbij geen inzicht gegeven in de wijze waarop dit besluit tot stand is gekomen. Zij is daarover niet transparant geweest. Zij heeft enkel aangegeven dat zij het gelet op de resterende duur van het dienstverband niet zinvol vond om hier nog verdere tijd en energie in te steken en dat daarom was besloten om de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen en hem tot de einddatum van het contract vrij te stellen van werkzaamheden met behoud van loon. Bij deze uitleg, waarin geen gemotiveerd besluit over de bij TUI gerezen inzichten over de voortgang van de opleiding is te herkennen bleef het. Ook na het gesprek van 8 mei 2026 heeft [eiser] geen formeel besluit van de trainingscommissie, of een schriftelijke bevestiging van dat besluit ontvangen. Het gaat hier om een voor beide partijen essentieel besluit dat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter in beginsel niet zonder schriftelijke bevestiging en deugdelijke motivering kan worden gelaten. Deze gang van zaken is niet zorgvuldig en transparant.
Dat TUI in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, betekent echter niet zonder meer dat de trainingscommissie niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de opleiding van [eiser] stop te zetten. In dat verband is onder meer ook van belang dat uit de arbeidsovereenkomst niet volgt dat iedere kandidaat zonder meer recht heeft op het afronden van de opleiding, en dat TUI een zekere beleidsvrijheid toekomt met betrekking tot de vraag of eventuele extra inspanningen in redelijke verhouding staan tot de kans op het succesvol afronden van de opleiding.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat er meerdere signalen waren dat het niet de goede kant op ging met de opleiding van [eiser] . Van de twaalf vluchten die [eiser] heeft uitgevoerd, zijn er zeven beoordeeld met het overall resultaat ‘slow progress’ of ‘needs extra training’. Ook blijkt uit het trainingsdossier dat hij herhaaldelijk een onvoldoende heeft gescoord op de onderdelen Workload Management, Situational Awareness en Flight Path Management Manual. Dat betekent een concrete vermindering van de vliegveiligheid. Daarnaast was bij acht van de zevenentwintig door [eiser] uitgevoerde sectoren een fysieke interventie van de instructeur noodzakelijk. TUI heeft toegelicht dat het terugkerend patroon lijkt te zijn dat [eiser] onder druk het vermogen verliest om meerdere informatiebronnen tegelijk te verwerken. Dat [eiser] wel al was ingeschreven voor het examen, doet daar niet aan af.
[eiser] heeft daartegen aangevoerd dat hem onvoldoende vluchten en/of (extra) trainingen zijn aangeboden. Ook was de interval tussen de vluchten te groot. Dit komt volgens [eiser] doordat er te weinig vluchten waren ten opzichte van het aantal aangenomen Junior Flight Officers. Dit heeft in de weg gestaan aan zijn progressie, doordat hij iedere keer het gevoel had opnieuw te moeten beginnen. Ook heeft [eiser] veel verschillende instructeurs gehad die soms tegengestelde aanwijzingen gaven, hetgeen hij als verwarrend heeft ervaren. Al met al stelt [eiser] zich op het standpunt dat TUI tekort is geschoten in haar zorgplicht als opleider.
De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste fase van de lijntraining (de familiarization phase) uit (minimaal) 14 vluchtsectoren bestaat. Ook staat vast dat [eiser] 20 vluchtsectoren heeft gevlogen én een extra simulatiesessie heeft gevolgd voordat hij op 25 maart 2026 groen licht kreeg om door te gaan naar de tweede fase van de lijntraining. Dat betekent dat [eiser] in de eerste fase zes extra sectoren heeft gevlogen. [eiser] heeft aangevoerd dat hij daarvan vijf sectoren niet heeft kunnen invullen, omdat Junior First Officers bij het aanvliegen van winterbestemmingen niet zelf de landing mogen uitvoeren. Daarmee miskent hij echter dat het landen slechts één onderdeel van de competenties is die een piloot moet beheersen. TUI heeft toegelicht dat in de cockpit altijd een gezagvoerder en een copiloot aanwezig zijn, waarbij de één het vliegtuig bestuurt en de ander monitort. Ook op het monitoren moeten aspirant-vliegers worden getraind. Het voorgaande maakt dan ook niet dat deze sectoren niet ‘meetellen’ in de training. TUI heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de zes extra sectoren als extra aangeboden trainingen moeten worden aangemerkt, ook al staat dat niet als zodanig in het trainingsdossier vermeld en is dat evenmin aan [eiser] gecommuniceerd. TUI heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat ook na de overgang naar de confidence phase de gewenste progressie uitbleef: ondanks de extra trainingen werden opnieuw twee van de drie vluchten met ‘slow progress’ en/of ‘needs extra training’ beoordeeld.
De kantonrechter stelt vast dat de trainingsvluchten in de laatste fase inderdaad minder frequent hebben plaatsgevonden dan aan het begin van de opleiding. Dat betekent echter niet zonder meer dat sprake was van een te laag aanbod of een te grote interval tussen de vluchten. TUI heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de intervallen tussen de trainingen van [eiser] niet afwijken van de andere startende piloten en het maximumaantal dagen dat voor hem tussen twee vluchten heeft gezeten zelfs veel lager is dan voor de andere piloten. Die andere piloten hebben de opleiding inmiddels succesvol afgerond. Het is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook niet gebleken dat [eiser] onvoldoende vluchten aangeboden heeft gekregen om hem een redelijke kans te bieden de opleiding te laten slagen.
Aan [eiser] kan worden toegegeven dat TUI er ook voor had kunnen kiezen om hem nog meer sectoren aan te bieden, zeker aangezien hij nog niet eens de helft van het minimale aantal vluchten in de confidence phase had gevlogen. Maar TUI heeft nu eenmaal beleidsvrijheid op dit punt. Daarbij weegt ook mee dat de startende piloten de beperkte beschikbare opleidingscapaciteit moeten delen.
De kantonrechter is gelet op de resultaten van de lijntraining, de al aangeboden extra trainingen en het door TUI te bewaken belang van de vliegveiligheid van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de beslissing van TUI om de opleiding van [eiser] stop te zetten nergens op is gebaseerd, en (dus) zodanig in strijd is met het beginsel van goed werkgeverschap dat de primair gevraagde voorzieningen geïndiceerd zijn. Dit geldt te meer nu [eiser] het aanbod van TUI om alsnog een Bijlage 7-onderzoek naar zijn bekwaamheid te starten (en daarmee de gebreken in haar onzorgvuldige handelwijze te herstellen) zelf heeft afgewezen. Hoewel het volgen van die procedure naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de juiste weg zou zijn geweest, is van een toerekenbare tekortkoming is om die reden evenmin sprake. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het voor [eiser] een grote teleurstelling is dat de opleiding op deze manier is geëindigd en hij groot belang heeft bij de door hem in kort geding gevraagde toelating daartoe. Dat leidt er alleen niet toe dat TUI veroordeeld moet worden om hem een nieuwe kans te geven. Van een juridische grondslag daarvoor is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken. Voor zover er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter reden is om in het kader van de subsidiaire vordering van [eiser] TUI te veroordelen tot het volgen van een Bijlage 7-onderzoek, wordt het toewijzen daarvan verhinderd door de weigering van [eiser] om daaraan medewerking te geven. Voorts heeft [eiser] op de zitting op een vraag van de kantonrechter geantwoord dat zijn werk zonder opleiding inhoudsloos is, zodat er geen grond is voor een veroordeling tot toelating tot het werk, zolang TUI niet veroordeeld wordt tot nakoming van de opleidingsovereenkomst op de door [eiser] gevorderde wijze.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] in kort geding worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TUI worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
De griffier De kantonrechter