RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/381313 / JU RK 26-1315
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2026.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2022 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, waarna de ondertoezichtstelling telkens is verlengd, laatstelijk tot 28 juli 2024.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop met spoed te beslissen, dus zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
Sinds juni 2026 was Veilig Thuis betrokken bij het gezin naar aanleiding van een melding van Parteon (woonconsulent) over zorgen die gemeld zijn door buurtbewoners, te weten dat [de minderjarige] regelmatig in de avond en nacht gilt, schreeuwt en huilt. De woonconsulent heeft bij Veilig Thuis aangegeven dat hier geluidsopnames van zijn en dat het geschreeuw de indruk wekt van een kind dat pijn ervaart of in paniek verkeert. Ook zijn andere woorden hoorbaar zoals “stop” en “niet doen”. Volgens omwonenden komt [de minderjarige] nauwelijks buiten en gaat zij niet of nauwelijks naar school. De woonconsulent heeft meerdere pogingen gedaan om contact te leggen met het gezin door brieven te sturen en langs te gaan, maar er wordt niet op gereageerd en de deur wordt niet open gedaan. De tuin van de woning maakt een verwaarloosde indruk en de ramen van de woning zijn structureel gesloten.
Vervolgens is [de minderjarige] op 16 augustus 2026 verward op straat aangetroffen en doet zij uitspraken waaruit blijkt dat zij zich zeer onveilig voelt thuis. Zo zegt [de minderjarige] tegen de politie dat zij al 13 jaar wordt mishandeld door haar moeder en oom van moederszijde (mz) die bij hen woont, zij lang nauwelijks naar buiten mocht en moet liegen over wat er thuis gebeurt. Ook zegt [de minderjarige] dat zij in haar bed wordt gedrukt door moeder en oom (mz) waarna zij haar pijn doen. [de minderjarige] heeft drie dagen op een crisisplek verbleven, met toestemming van de moeder. [de minderjarige] is erg alert en zeer angstig voor haar moeder en oom (mz) en doodsbang om door hen te worden gevonden/opgehaald.
Onder de huidige omstandigheden is het – zoals de Raad terecht vaststelt – niet mogelijk dat [de minderjarige] naar huis terugkeert, ook niet met (intensieve) hulpverlening in de thuissituatie. De omstandigheden die worden beschreven, waarin het onder meer gaat over (kinder)mishandeling en isolatie, zijn namelijk zeer zorgelijk. Dit geldt te meer nu het terugkerende zorgelijke signalen betreft, nadat een ondertoezichtstelling in juli 2024 is afgesloten. Zelfs als de zorgen niet terecht zijn en de uitspraken van [de minderjarige] voortkomen uit haar diagnoses, zoals de moeder stelt, kan [de minderjarige] op dit moment niet naar huis terugkeren, vanwege de grote angst die zij ervaart. De situatie dient eerst verder goed onderzocht te worden.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 19 augustus 2026 tot 19 november 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 augustus 2026 tot 16 september 2026;
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier de Raad, de GI en de moeder tijdig zal oproepen voor die zitting;
bepaalt dat de griffier [de minderjarige] tijdig zal oproepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.