RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 augustus 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, het college
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3893
[verzoekster] , uit Alkmaar, verzoekster
en
gemachtigde: B. Schellingerhout.
Procesverloop
1. Op 25 juni 2026 heeft verzoekster een briefadres op het adres [adres] in Alkmaar aangevraagd. Met het besluit van 3 augustus 2026 (hierna: het primaire besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekster een woonadres heeft. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met het besluit van 17 augustus 2026 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Omdat verzoekster hiertegen beroep heeft ingesteld, wordt het verzoek om voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het ingediend beroep. Aanvullend heeft verzoekster de voorzieningenrechter gevraagd om in afwachting van de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening een ordemaatregel te treffen.
Overwegingen
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van ordemaatregel te bepalen dat de gemeente Alkmaar wordt gelast de openstaande vordering bij Shurgard te garanderen dan wel te voldoen, ter voorkoming van de feitelijke ontruiming en de openbare veiling van haar levensgoederen binnen de gestelde termijn van 7 dagen.
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan de bevoegdheid, neergelegd in artikel 8:83, vierde lid, van de Awb om zonder dat partijen op zitting zijn gehoord, de gevraagde ordemaatregel toe te wijzen. Van belang daarbij is dat hetgeen verzoekster bij wijze van ordemaatregel vraagt niet door de voorzieningenrechter kan worden bewerkstelligd. Het verzoek om voorlopige voorziening zal zo spoedig mogelijk op zitting worden behandeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een ordemaatregel af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: