RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12089685 \ CV EXPL 26-847
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. O. Planten,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. K.R. Stephan.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2026 met 6 producties;
- de conclusie van antwoord van 11 maart 2026 met 5 producties;
- het bericht van [eiser] van 24 juli 2026 met eisvermindering en aanvullende productie 7;
- het bericht van [gedaagde] van 27 juli 2026 met aanvullende producties 6 t/m 8;
- de mondelinge behandeling van 3 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de spreekaantekeningen van [eiser].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
[eiser] is op 1 april 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden als ontbijtmedewerkster, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden (tot 1 november 2025).
Op 13 oktober 2025 heeft [eiser] in verband met een familiebezoek ter gelegenheid van de 70e verjaardag van haar moeder in Roemenië verlof aangevraagd voor haar (reeds ingeplande) diensten van 19, 23 en 25 oktober 2025. [gedaagde] heeft daarop aan [eiser] laten weten dat het werkrooster al geruime tijd was vastgesteld en in Shiftbase bevestigd, dat de dienst van 23 oktober 2025 kon worden geruild, maar dat - omdat er op die dagen niet geruild kon worden, het herfstvakantie was en ook nog druk was - het niet mogelijk was om haar op 19 en 25 oktober 2025 vrij te geven. [eiser] heeft daarop als volgt gereageerd:
“(…) Zondag 19 oktober en zaterdag 25 ben ik er niet, dan kan [betrokkene 1] het alleen doen met wat hulp van jullie of [betrokkene 2]. (…)”.
[gedaagde] heeft diezelfde dag aan [eiser] laten weten dat het niet aan haar is om zelfstandig te besluiten om tóch vrij te nemen. Daarbij heeft zij [eiser] verzocht om, gezien haar arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 afloopt, de resterende weken op een correcte manier af te ronden.
Op 14 oktober 2025 heeft [gedaagde] twee opties aan [eiser] voorgelegd: (1) de ingeplande diensten volgens het rooster komen werken, of (2) per direct zelf ontslag nemen, waarbij de opzegtermijn wordt kwijtgescholden.
Op 15 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] bezwaar gemaakt tegen het voorstel van [gedaagde].
Op 17 oktober 2025 heeft [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] geschreven:
“(…) Middels deze weg wordt nogmaals kenbaar gemaakt dat uw cliënte onverminderd wordt verwacht om op haar dienst te verschijnen op de dagen dat zij is ingeroosterd. De eerstvolgende dienst is gepland op zondag 19 oktober 2025. Mocht uw cliënte niet verschijnen, dan kwalificeert dit als werkweigering, hetgeen een ontslag op staande voet rechtvaardigt – met alle (arbeidsrechtelijke en sociaalzekerheidsrechtelijke) gevolgen van dien. Uw cliënte is dus een gewaarschuwd mens.
Dat gezegd hebbende ziet cliënte ook een andere mogelijkheid. Zulks heb ik reeds telefonisch toegelicht. De arbeidsovereenkomst van uw cliënte eindigt – los van bovenstaande – van rechtswege op 1 november 2025. De arbeidsovereenkomst van uw cliënte wordt namelijk niet verlengd, zij is hiermee bekend. Om die reden is cliënte ook bereid om uw cliënte voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst vrij te stellen van arbeid, logischerwijs zonder recht op loon. De uren die uw cliënte wel heeft gewerkt deze maand worden op reguliere wijze uitbetaald. Een en ander onder de voorwaarden dat uw cliënte de in haar bezit zijnde bedrijfsmiddelen (zoals sleutels en werkkleding) uiterlijk op 18 oktober 2025 inlevert, en partijen daarna niets meer van elkaar te vorderen hebben.
Zoals ook telefonisch gezegd, wens ik nogmaals te benadrukken dat cliënte de wens heeft dat uw cliënte wél verschijnt op haar ingeroosterde diensten. Mocht uw cliënte de voorkeur geven aan de tweede mogelijkheid, dan verzoek ik u dit mij te bevestigen per mail (…).”
De gemachtigde van [eiser] heeft daarop als volgt gereageerd:
“cliënte kiest voor de optie waarin zij morgen na de dienst de sleutel inlevert. Daarmee accepteert zij dat zij deze maand niet verder meer zal worden opgeroepen.”
De gemachtigde van [gedaagde] heeft kort daarop als volgt gereageerd:
“Dank voor uw bericht. Ik zal cliënte doorgeven dat de sleutel morgen wordt ingeleverd. Zoals gezegd zal cliënte zorgen voor de uitbetaling van de door uw cliënte gewerkte uren, en na het inleveren van de bedrijfsmiddelen zullen partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben.”
[eiser] heeft op 18 oktober 2025 sleutels van [gedaagde] ingeleverd. Zij heeft nadien (op 23 en 25 oktober 2025) geen werkzaamheden meer voor [gedaagde] verricht.
Bij e-mail van 27 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] onder meer meegedeeld dat [eiser] de finale kwijting niet heeft aanvaard en aanspraak maakt op loon over de periode tot en met 31 oktober 2025, de aanzegvergoeding, transitievergoeding en een aandeel in de fooienpot.
Op 1 november 2026 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege geëindigd.
3. Het geschil
[eiser] vordert – kort samengevat en na vermindering van eis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallig salaris (inclusief emolumenten) over oktober 2025, de transitievergoeding en een bedrag aan fooi.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser] geen aanspraak kan maken op enige vordering uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, omdat partijen elkaar finale kwijting hebben verleend in de vaststellingsovereenkomst van 17 oktober 2025. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat zij weliswaar heeft ingestemd met een vrijstelling van werkzaamheden zonder behoud van loon gedurende haar vakantie in Roemenië en met het inleveren van haar sleutel, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat zij na afloop van die vakantie haar werkzaamheden niet zou hervatten voor de resterende duur van het dienstverband of afstand zou hebben gedaan van haar rechten.
De kantonrechter overweegt als volgt. Partijen hebben op 17 oktober 2025 afspraken gemaakt ter beëindiging van een geschil. De uitleg en de reikwijdte van deze afspraken moet worden bepaald aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In dit geval is van belang dat [gedaagde] een duidelijke keuze aan [eiser] heeft voorgelegd: óf zij zou haar werkzaamheden overeenkomstig het rooster hervatten, óf zij zou voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst worden vrijgesteld van werk zonder recht op loon, onder de voorwaarde dat zij de haar in bezit zijnde bedrijfsmiddelen uiterlijk op 18 oktober 2025 zou inleveren en partijen daarna niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben.
[eiser] heeft uitdrukkelijk voor de tweede optie gekozen. Daarmee heeft zij het aanbod van [gedaagde] aanvaard. Daarbij is van belang dat [eiser] werd bijgestaan door een professionele gemachtigde en dat de afspraken tot stand zijn gekomen tegen de achtergrond van een geschil tussen partijen, terwijl de arbeidsovereenkomst reeds op korte termijn zou eindigen. [eiser] heeft (door op 18 oktober 2025 haar sleutel in te leveren en daarna naar Roemenië te vertrekken) ook uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat zij heeft ingestemd met alle onderdelen van het aanbod van [gedaagde], waaronder de finale kwijting. Dat betekent dat [eiser] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst niets meer van [gedaagde] te vorderen heeft.
[eiser] heeft subsidiair aangevoerd dat zij de vaststellingsovereenkomst op 27 oktober 2025 op grond van artikel 7:670b BW heeft ontbonden. In dat artikel staat dat indien de arbeidsovereenkomst door middel van een schriftelijke overeenkomst wordt beëindigd, de werknemer het recht heeft om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, door een schriftelijke, aan de werkgever gerichte, verklaring te ontbinden. In dit geval is echter geen sprake van een beëindigingsovereenkomst. [gedaagde] had op 13 oktober 2025 al aan [eiser] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 afliep. In de brief van [gedaagde] van 17 oktober 2025 staat expliciet opgenomen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 1 november 2025 door het aflopen van de bepaalde tijd, en dus niet door een overeengekomen beëindiging. De wettelijke bedenktijd is daarom niet van toepassing.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De kantonrechter komt daarom ook niet toe aan de vraag of de vorderingen met de juiste procedure zijn ingeleid, en zo nee, of een spoorwissel moet worden toegepast.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De door [gedaagde] verzochte vergoeding van volledige kosten van rechtsbijstand wordt afgewezen. Voor een volledige proceskostenvergoeding is alleen plaats in geval van buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht. Daarvan is geen sprake. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
542,50
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
De griffier De kantonrechter