RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12277037 \ AO VERZ 26-81
Beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
DELTA AIR LINES INC.
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
verzoeker
hierna te noemen: Delta
gemachtigde: mr. J.R. van Rij
tegen
[verweerster]
wonende te [plaats]
verweerster
hierna te noemen: [verweerster]
gemachtigde: mr. J. Marges.
1. De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is een lege huls geworden, omdat werknemer de tussen partijen overeengekomen werkzaamheden vanwege het ontbreken van een VGB (en het als gevolg daarvan niet verkrijgen van een Schipholpas) niet kan verrichten en herplaatsing bij werkgever niet in de rede ligt. Werknemer wordt wel een transitievergoeding toegekend.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 9 producties,
- het verweerschrift met 3 producties,
- de e-mail van de zijde van Delta, waarmee de producties 10 tot en met 12 in het geding zijn gebracht,
- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van Delta.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De feiten
Delta is een Amerikaanse luchtvaartmaatschappij die zich onder meer richt op personenvervoer door de lucht. Zij exploiteert op Schiphol een Airport Customer Service-afdeling (hierna: ‘ACS’), die verantwoordelijk is voor alle operationele activiteiten van Delta op de luchthaven.
[verweerster], geboren op [geboortedatum] 1999, is per 17 november 2025 bij Delta in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar. De functie van [verweerster] betreft die van Customer Service Agent en de standplaats van haar werkzaamheden is Schiphol. De werkzaamheden worden verricht binnen het beveiligde gebied van Schiphol. [verweerster] is werkzaam voor 32 uren per week en verdient een bruto salaris van € 2.726,40 per maand, exclusief emolumenten.
Alle functies die worden uitgeoefend binnen het beveiligde gebied van Schiphol zijn aangemerkt als vertrouwensfunctie in de zin van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo). Voor het kunnen/mogen uitvoeren van een vertrouwensfunctie is een Verklaring van Geen Bezwaar (hierna: VGB) vereist. Een VGB wordt afgegeven door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD). Een VGB is nodig voor het afgeven van een Schipholpas waarmee het beveiligd gebied kan worden betreden.
Delta heeft [verweerster] op 9 september 2025 aangemeld voor een veiligheidsonderzoek bij de Unit Veiligheidsonderzoeken (‘UVO’), een gezamenlijke afdeling van de AIVD en de Militaire Inrichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD).
Bij brief van 19 februari 2026 heeft [betrokkene], Hoofd Unit Veiligheidsonderzoeken bij UVO, Delta bericht dat hij een besluit heeft genomen om aan [verweerster] geen VGB te verstrekken, omdat uit het veiligheidsonderzoek ‘nadelige gegevens’ over [verweerster] naar voren zijn gekomen.
Bij brief van 19 maart 2026 heeft mr. D.C.O. Ayinia namens [verweerster] bezwaar gemaakt tegen het definitieve besluit van 2 maart 2026 om aan [verweerster] geen VGB te verlenen. Het bezwaarschrift strekt tot gegrondverklaring van het bezwaar en tot het alsnog verlenen van een VGB aan [verweerster]. Op 11 augustus 2026 (en dus na de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure) heeft de mondelinge behandeling bij de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken plaatsgevonden.
[verweerster] heeft een voorlopige voorziening verzocht bij de rechtbank te Rotterdam, kort gezegd inhoudende dat [verweerster] door Delta wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een VGB. Het verzoek is bij mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 afgewezen, onder meer omdat [verweerster] volgens de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang had bij het verzoek.
[verweerster] heeft zich met ingang van 22 april 2026 ziekgemeld en is momenteel nog volledig arbeidsongeschikt. Zij heeft een operatie aan haar voet ondergaan en zal naar verwachting nog meerdere maanden arbeidsongeschikt blijven.
4. Het verzoek
Delta verzoekt de kantonrechter om de tussen Delta en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden ex artikel 7:671b lid 1 sub a BW, op grond van artikel 7:668 lid 3 sub h BW, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.
Delta legt aan haar verzoek, kort gezegd, het volgende ten grondslag. Het bezit van een VGB en een Schipholpas is een wettelijk vereiste voor de uitoefening van de functie van [verweerster]. [verweerster] beschikt hier niet over, waardoor [verweerster] haar eigen functie bij Delta op Schiphol niet meer kan uitoefenen. Van Delta kan, gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst hiermee een ‘lege huls’ is geworden, niet worden verwacht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren. De omstandigheid dat [verweerster] arbeidsongeschikt is, doet hier niet aan af. Herplaatsing van [verweerster] ligt tot slot niet in de rede, omdat van een passende alternatieve functie in de zin van artikel 7:669 lid 1 BW geen sprake is.
5. Het verweer
[verweerster] voert verweer. Zij meent dat er geen redelijke grond is voor ontbinding de arbeidsovereenkomst. Delta had [verweerster] een tijdelijke functie kunnen aanbieden waarvoor de Schipholpas niet nodig is, namelijk een functie vóór de douane, zoals [verweerster] ook aan Delta heeft verzocht. Delta heeft ervoor gekozen [verweerster] in dienst te laten treden op het moment dat de aanvraag om een VGB nog liep en daarnaast heeft Delta geen ontbindende voorwaarde in de schriftelijke arbeidsovereenkomst opgenomen. Door op deze wijze te handelen heeft Delta het risico genomen dat geen VGB zou worden afgegeven, waardoor [verweerster] niet in staat zou zijn de overeengekomen functie te verrichten. De VGB is verder al op 2 maart 2026 afgewezen. Delta had toen al kunnen weten dat het nog wel enige tijd zou duren voordat de uitslag in de bezwaarprocedure bekend zou zijn. Onduidelijk is waarom Delta op dat moment niet een ontbindingsverzoek bij de rechtbank heeft ingediend, maar heeft gewacht tot 16 juni. [verweerster] ziet niet in waarom de arbeidsovereenkomst niet zou kunnen doorlopen tot 17 november 2026, op welk moment deze van rechtswege zal eindigen. Tot slot blijkt uit het verzoekschrift niet dat Delta zich heeft ingespannen om [verweerster] te herplaatsen.
[verweerster] verzoekt primair om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen. Subsidiair, in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt zij om rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn van een maand en om toekenning van een transitievergoeding van € 1.088,46 bruto. Primair en subsidiair verzoekt [verweerster] om Delta te veroordelen in de kosten van de procedure.
6. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
opzegverbod tijdens ziekte
Volgens Delta houdt haar ontbindingsverzoek geen verband met het bestaan van een opzegverbod en [verweerster] heeft dat ook niet betwist. Het ontbindingsverzoek vindt haar grondslag in de stelling dat [verweerster] de bedongen werkzaamheden niet meer kan uitvoeren doordat zij niet beschikt over een VGB en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid voor [verweerster] om een Schipholpas te verkrijgen. Deze grond staat volledig los van de ziekte van [verweerster], waarbij van belang is dat de VGB is geweigerd bij besluit van 2 maart 2026 en [verweerster] zich pas ruim nadien heeft ziekgemeld.
de h-grond
De redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gelegen in de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst een lege huls is geworden (h-grond). Vast staat immers dat [verweerster] niet over een VGB beschikt en, in het verlengde daarvan, geen Schipholpas kan aanvragen. Daarmee is gegeven dat van Delta niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De met [verweerster] overeengekomen werkzaamheden kan zij gelet op het ontbreken van de VGB immers niet verrichten. De verweren van [verweerster] zoals weergegeven in r.o. 5.1. leiden niet tot een ander oordeel: het aannemen van [verweerster] op het moment dat de aanvraag nog liep, het niet opnemen van een ontbindende voorwaarde en het niet eerder indienen van een ontbindingsverzoek zijn immers allemaal omstandigheden die in het voordeel van [verweerster] hebben gewerkt. Deze omstandigheden maken niet dat het risico van het niet verkrijgen van het VGB en de Schipholpas bij Delta is komen te liggen.
herplaatsing
Voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is echter ook vereist dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Daarbij staat voorop dat voor het beoordelen van de herplaatsingsinspanningen moet worden gekeken naar hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Tussen partijen is niet in geschil dat er bij Delta twee functies zijn waarvoor ‘in theorie’ geen VGB vereist zou zijn, namelijk die van ‘Tower/Load Control Agent’ en die van ‘Office Coordinator’. Delta heeft op de mondelinge behandeling uitgebreid toegelicht waarom deze functies voor [verweerster] niet passend, dan wel passend te maken zijn. Bij gebreke aan een gemotiveerd verweer van [verweerster], zal de kantonrechter van de juistheid daarvan uitgaan.
Daar komt bij dat Delta ook onbetwist het beleid hanteert dat zij óók voor deze functies een VGB vereist van haar medewerkers. De reden daarvoor is gelegen in de zogenaamde ‘Irregular Operations’, met het oogmerk om alle medewerkers van Delta bij onregelmatigheden zoals ernstige vertragingen inzetbaar te laten zijn in de bredere operatie. Omdat (ook) een Schipholpas daartoe onbetwist een vereiste is, stelt Delta terecht dat het ontbreken van de VGB in zoverre een bijkomende zelfstandige grond vormt waarom herplaatsing van [verweerster] in enige andere rol onmogelijk is. Om die reden ligt herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn niet (meer) in de rede.
conclusie
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 oktober 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.
transitievergoeding
Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding. Het verzoek van [verweerster] tot betaling van de transitievergoeding, berekend op een bedrag van
€ 858,00, zal daarom worden toegewezen.
proceskosten
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.
7. De beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,
veroordeelt Delta om aan [verweerster] een transitievergoeding te betalen van € 858,00 bruto,
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.