ECLI:NL:RBNHO:2026:10911

ECLI:NL:RBNHO:2026:10911

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer 24/7805
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Kostenraming. ECLI:HR:2026:24. Meer dan zijdelingse samenhang met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Overheadkosten onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

de heffingsambtenaar van Kennemerland Zuid, verweerder.

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/7805

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 februari 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting gehandhaafd.

Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2025. Belanghebbende is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de zaken met zaaknummers 23/04460 en 24/02548.

De Hoge Raad heeft op 23 januari 2026 arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2026:24 en ECLI:NL:HR:2026:100). Partijen is bij brief van 9 februari 2026 verzocht hierop te reageren. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 3 maart 2026 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 19 maart 2026. Belanghebbende is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 12 februari 2024 omstreeks 19:21 uur is geconstateerd dat de auto van belanghebbende, merk [merknaam] met kenteken [#] , stil stond op een parkeerplaats aan de [adres] te Zandvoort zonder dat aangifte van parkeerbelasting voor het parkeren van de auto was gedaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 77,70. Het nageheven bedrag bestaat uit € 1,00 parkeerbelasting en € 76,70 kosten van de naheffingsaanslag.

2. De gemeente Zandvoort heeft de kosten per naheffingsaanslag parkeerbelastingen voor het belastingjaar 2024 als volgt geraamd:

3. In de uitspraak op bezwaar staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“De verschillende kostenposten, zoals in de kostenraming naheffingsaanslag parkeerbelasting omschreven, zijn als volgt opgebouwd:

• Onder a. (Vaste informatieverwerkingskosten) vallen de kosten van GBKZ (heffing,

invordering (niet de dwanginvordering) en afhandeling bezwaarschriften) en de kosten van

vergunningverlening.

• Onder b. (Vaste materiële kosten) vallen de kosten van lease van scanauto, kleding ed. en

kosten van parkeerservice zoals betalingsverkeer, legen betaalautomaten, en onderhoud

parkeerapparatuur.

• Onder c. (Kosten van afschrijving) vallen de kosten van de afschrijving van de

parkeerapparatuur

• Onder d. (Kosten van interest) vallen de rente van kosten afschrijving apparatuur

• Onder e. (Personeelskosten) vallen de personeelskosten van handhaving (vast en inhuur)

• Onder f. (Overheadkosten) is gerekend met 50% van de vaste personeelskosten.”

Geschil

4. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

5. Belanghebbende heeft ter zitting de standpunten dat geen sprake zou zijn van parkeren en dat ten onrechte het uurtarief is nageheven, ingetrokken.

6. Belanghebbende betwist de juistheid van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag. Belanghebbende voert onder meer aan dat verweerder heeft nagelaten inzicht te verschaffen in de kostenraming. Van de posten is onduidelijk of - en zo ja , op welke wijze - deze verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Subsidiair voert belanghebbende aan dat in een geschil over de verhaalbare kostenlimiet niet kan worden volstaan met het eerst in de uitspraak op bezwaar verschaffen van inzicht in de kostenraming. Artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dan wel het beginsel van hoor en wederhoor, is geschonden.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en in overeenstemming met de Gemeentewet is opgelegd omdat er voldoende inzicht is verschaft in de kostenraming en de kosten die in de kostenraming zijn opgenomen alle meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting.

Beoordeling van het geschil

8. De rechtbank merkt allereerst op dat de rechtbank bij brief van 9 februari 2026 beide partijen uitdrukkelijk heeft gevraagd om een reactie op de arresten van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:24 en ECLI:NL:HR:2026:100). Gemachtigde van belanghebbende heeft met de reactie van 3 maart 2026 hieraan voldaan. Verweerder heeft echter geen reactie toegestuurd. Ter zitting heeft verweerder daarover meegedeeld dat de brief van de rechtbank wel is ontvangen, maar dat er door een interne miscommunicatie, niet is onderkend dat verweerder erop moest reageren. Toen de reactie van gemachtigde was ontvangen wilde verweerder daarop wel reageren, maar omdat de reactietermijn nog maar twee weken was, heeft verweerder dit niet gedaan. De stelling van verweerder dat de reactietermijn te kort was, acht de rechtbank onbegrijpelijk. Niet valt in te zien waarom verweerder niet voor de zitting kon reageren. Het eerst ter zitting gedane aanbod om alsnog gegevens uit de begroting te verstrekken, wijst de rechtbank af.

9. De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet. Nadere regels over de in rekening te brengen kosten zijn op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet opgenomen in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit). Artikel 2, eerste lid, van het Besluit regelt uit welke kostencomponenten de bij een naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten ten hoogste kunnen bestaan. Het betreft ten hoogste de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen:

“a. vaste informatieverwerkingskosten;

b. variabele informatieverwerkingskosten;

c. kosten van afschrijving;

d. kosten van interest;

e. personeelskosten;

f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.”

10. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per nageheven aangesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling doen op basis van een in beginsel op jaarbasis te maken raming van de totale in het eerste lid bedoelde kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven. De raming mag ook een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.

11. In artikel 3 van het Besluit is bepaald dat het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, per 1 januari 2024, ten hoogste € 76,70 bedraagt.

12. In hoofdstuk 6 van Bijlage 1 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening Parkeerbelastingen 2024 van de gemeente Zandvoort, zijn de kosten van de naheffingsaanslag vastgesteld op € 76,70.

13. De rechtbank sluit bij de beoordeling van het geschil over de vraag of de in rekening gebrachte kosten van de naheffingsaanslag voldoende inzichtelijk zijn gemaakt aan bij het toetsingskader zoals vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:24). De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 4.3.3 tot en met 4.3.7.

14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als een belanghebbende overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar kan worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.

‘Lasten ter zake’ in de hiervoor bedoelde zin zijn de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit. Daarvan is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. Voldoende is daarom dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de kosten meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Hierbij geldt dat de gemeente geen kosten mag verhalen die weliswaar vallen onder de omschrijving van artikel 2, eerste lid, van het Besluit maar die niet op de gemeente drukken, omdat zij al op andere wijze worden verhaald.

15. De stelling van belanghebbende dat van de onder punt 3 onder a t/m e opgenomen posten het onduidelijk is of - en zo ja, op welke wijze – deze verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting, volgt de rechtbank niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 4.4.1. houden de kosten van de parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen, dat de toerekening daarvan aan de inning van niet-betaalde parkeerbelasting is geoorloofd. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit ook voor de overige onder punt 3 onder a t/m e genoemde kosten, zodat deze volledig mogen worden toegerekend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de parkeerhandhaving in de gemeente Zandvoort bestaat uit een samenhangend en onlosmakelijk verbonden geheel van systemen, apparaten, processen, werknemers (zoals juristen en handhavers), hardware en software. De systemen voor de parkeercontrole en scanauto’s worden rechtstreeks ‘gevoed’ vanuit parkeerautomaten, parkeerapps en vergunningensystemen. Het hele systeem is erop ingericht dat naheffing van niet-betalers zo efficiënt mogelijk kan plaatsvinden.

Daarnaast hangen de kosten voor ‘afhandeling bezwaarschriften’ meer dan zijdelings samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen omdat een bezwaar- en beroepsprocedure het directe gevolg is van de naheffingsaanslag parkeerbelasting, en moet worden gevoerd om die aanslag in stand te houden.

De kosten van vergunningverlening hangen, anders dan belanghebbende stelt, meer dan zijdelings samen met de controle. Er kan immers alleen worden gehandhaafd als duidelijk is of wel of niet parkeerbelasting is voldaan. Daarvoor is ook de infrastructuur voor het uitgeven van vergunningen nodig.

De invorderingskosten (niet de dwanginvordering), betreffen, anders dan belanghebbende stelt, niet de kosten die via de Kostenwet worden verhaald, maar dit betreffen bijvoorbeeld kosten van personeel die het bezwaar/beroep dient te beoordelen of administratieve verwerkingskosten die als doel hebben het verwerken van betalingen van de naheffingsaanslagen. Er is dan ook geen sprake van kosten die reeds op een andere wijze worden verhaald.

16. Belanghebbende voert aan dat uit de begroting van de gemeente blijkt dat een bedrag van € 8.086.000 aan parkeeropbrengsten wordt begroot. Deze opbrengsten worden gerealiseerd via de betaalfunctie van de parkeerautomaten. Indien wordt uitgegaan van een (ruim genomen) gemiddelde betaling van € 20 per parkeeractie, resulteert dit in circa 404.300 betaaltransacties. Daartegenover staat dat slechts 12.199 naheffingsaanslagen worden geraamd. Van het totaal aantal parkeertransacties (betalingen plus naheffingen: 416.499) vormen de naheffingen dan slechts ongeveer 2%.

17. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de kosten voor parkeerapparatuur beschikbaarheidskosten zijn. Voor de handhaving van parkeerbelasting is een 100% dekkend netwerk van registratiepunten nodig. De kosten voor afschrijving, rente en datacommunicatie verminderen niet als er minder boetes worden uitgedeeld. De rechtbank kan verweerder volgen in deze redenering, zodat de beroepsgrond van belanghebbende niet slaagt.

18. Belanghebbende voert aan dat de raming niet overeenstemt met de begroting. De in de begroting voor 2024 genoemde lasten voor ‘parkeerbelasting’ in algemene zin zijn aanzienlijk lager dan de geraamde lasten voor naheffingen zoals vermeld in de bij de Verordening gevoegde kostenraming. In de begroting is immers een bedrag van € 546.000 aan lasten opgenomen voor ‘parkeerbelasting’, terwijl volgens de raming de kosten van naheffingsaanslagen parkeerbelasting € 1.788.532 bedragen.

19. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het document programmabegroting een document is dat volgens de richtlijnen van de BBV (Besluit begroting en verantwoording) wordt opgesteld en de kostenraming bij de Verordening een fiscaal document is dat volgens het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen wordt opgesteld. Bij de fiscale raming worden andere kosten meegenomen dan die onder het kopje parkeren staan vermeld, zoals ICT en kapitaallasten. Het is dus volgens verweerder geen "goochelen met cijfers", maar het toepassen van twee verschillende wettelijke rekenmethodieken.

De rechtbank acht dit een voldoende uitleg voor het verschil in de door belanghebbende genoemde bedragen. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

20. Belanghebbende voert aan dat niet kan worden vastgesteld of daadwerkelijk is gerekend met 50% van de vaste personeelskosten omdat een deugdelijke berekening vanuit verweerder nog altijd ontbreekt. Bovendien is 50% volgens artikel 2 sub f van het Besluit het maximum en is onduidelijk waarom verweerder meent het maximum in rekening te mogen brengen.

21. Ten aanzien van de rechtsgevolgen die moeten worden verbonden aan een overschrijding van de opbrengstlimiet heeft de Hoge Raad overwogen dat een te hoge vaststelling van het bedrag aan kosten dat door de gemeente in rekening wordt gebracht slechts dan in zijn geheel onverbindend is, indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de vaststelling berust op ramingen die niet voldoen aan de eisen van artikel 2 van het Besluit, en bovendien (b) het vastgestelde bedrag in betekenende mate (10 procent of meer) uitgaat boven het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen. In andere gevallen is de vaststelling van het bedrag dat in rekening wordt gebracht slechts onverbindend voor zover het meer beloopt dan het bedrag dat de gemeente op grond van het Besluit maximaal in rekening mag brengen.

22. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat verweerder de in rekening gebrachte overheadkosten onvoldoende heeft onderbouwd door uitsluitend naar het in rekening te brengen maximum te verwijzen. Verweerder heeft daarmee namelijk geen enkele verklaring gegeven welke kosten onder deze titel in rekening worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank wordt echter aan de voorwaarden voor het in zijn geheel onverbindend achten van de kostenraming, niet voldaan. Immers, ook als de overheadkosten van € 138.075 volledig buiten beschouwing worden gelaten, gaan de verhaalde kosten nog steeds de opbrengst niet te boven.

23. Gelet op het voorgaande voldoet de kostenraming van de gemeente Zandvoort aan de gestelde eisen en heeft verweerder – zij het summier – voldoende inzicht verschaft, met uitzondering van de overheadkosten, in de desbetreffende ramingen. Nu belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming, afgezien van de overheadkosten, redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’, hoeft verweerder, gelet op de onder 14 weergegeven bewijslastverdeling, geen nadere inlichtingen/cijfermatige onderbouwing te overleggen.

24. Belanghebbende voert aan dat er sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden als gevolg waarvan belanghebbende opnieuw in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zijn standpunten naar voren te brengen op een hoorzitting zoals bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Als onderbouwing daarvoor geeft hij aan dat pas in de uitspraak op bezwaar inzicht in de kostenraming is verschaft. Het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

25. De rechtbank volgt belanghebbende niet in dit standpunt. Naar analogie van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ, dienen de gevraagde gegevens uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar te worden verstrekt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2263), en dat heeft verweerder ook gedaan. Dat verweerder gehouden is de informatie eerder te verstrekken, vindt geen steun in het recht.

26. De stelling van belanghebbende dat er geen kostenposten achteraf bij de raming mogen worden betrokken, volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft, gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, geen reden om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de kostenraming is opgemaakt alvorens het tarief door de gemeenteraad is vastgesteld. Echter, ook indien dit niet het geval zou zijn geweest en de kostenraming achteraf zou zijn opgemaakt, leidt dit niet tot het door belanghebbende gewenste gevolg. In het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6867 (het Zutphen-arrest) is het volgende over artikel 2, tweede lid, van het Besluit overwogen:

“Die bepaling eist, anders dan het Hof daarin heeft gelezen, niet dat de gemeenteraad voor elk kalenderjaar daarna een nieuw kostenbesluit neemt op basis van nieuwe ramingen. Wel vloeit uit het Besluit voort dat het in enig jaar geldende kostenbedrag niet mag overtreffen het bedrag dat zou zijn berekend op basis van ramingen voor het desbetreffende jaar. Indien de gemeenteraad heeft nagelaten voor een bepaald jaar het kostenbedrag vast te stellen op basis van ramingen voor dat jaar, en de belastingplichtige zich beroept op zodanig nalaten, rust op de gemeente de bewijslast dat aan die eis is voldaan.”

Belanghebbendes stelling dat een kostenraming niet achteraf kan worden opgemaakt heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor aangehaalde overweging uit het Zutphen-arrest, geen steun in het recht.

Slotsom

27. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 mei 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand