Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] ¸ wonende te [woonplaats] , belanghebbende
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6135
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema)
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 31 december 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2025. Belanghebbende is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst tot de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de zaken met zaaknummers 23/04460 en 24/02548.
De Hoge Raad heeft op 23 januari 2026 arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2026:24 en ECLI:NL:HR:2026:100). Partijen is bij brief van 9 februari 2026 verzocht hierop te reageren. Partijen hebben niet gereageerd.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 7 april 2026. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2] . Belanghebbende is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
Feiten
1. Op 12 december 2023 omstreeks 18:45 uur constateerde een parkeercontroleur van de gemeente Alkmaar dat de auto die belanghebbende geparkeerd heeft, merk [merknaam] met kenteken [#] , op de parkeerplaats op de [straat] te Alkmaar geparkeerd stond. Bij controle stelde de parkeercontroleur vast dat geen aangifte van parkeerbelasting voor het parkeren van de auto was gedaan. De parkeercontroleur heeft vervolgens aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 73,74. Het nageheven bedrag bestaat uit € 0,84 parkeerbelasting en € 72,90 kosten van de naheffingsaanslag.
2. De gemeente Alkmaar heeft de kosten per naheffingsaanslag voor het jaar 2023 als volgt geraamd:
Geschil
3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en op goede gronden is opgelegd.
4. Belanghebbende stelt dat hem geen redelijke termijn is gegund om aangifte te doen van de parkeerbelasting en dat de naheffingsaanslag daarom en onrechte is opgelegd. Belanghebbende heeft de parkeeractie op 12 december 2023 aangemeld van 18:52 uur tot 20:18. Ook bestrijdt belanghebbende de juistheid van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslag. Belanghebbende voert onder meer aan dat het kostenonderdeel van de naheffingsaanslag niet conform het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit) is vastgesteld. Er is geen inzicht verschaft in de kostenraming. Het is onduidelijk wanneer de door verweerder verstrekte kostenraming is opgemaakt. Belanghebbende stelt dat het niet is toegestaan om een tariefwijziging door te voeren zonder dat daaraan een actuele raming ten grondslag ligt. In de kostenraming is ten onrechte een correctie toegepast voor oninbare naheffingsaanslagen.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en in overeenstemming met de Gemeentewet is opgelegd. Er is voldoende inzicht verschaft in de kostenraming en de kosten die in de kostenraming zijn opgenomen alle meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting. Anders dan gemachtigde meent is er geen aanleiding voor de veronderstelling dat de kostenraming achteraf is opgemaakt. Maar zelfs al zou dit wel zo zijn, dan leidt dit nog niet tot vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag. Anders dan gemachtigde meent is een correctie voor oninbare aanslagen wel degelijk verdedigbaar.
Beoordeling van het geschil
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
6. Op grond van artikel 234, tweede lid onder a, van de Gemeentewet moet de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren worden voldaan. De parkeerder dient vanaf het moment van parkeren onmiddellijk en onafgebroken uitvoeringshandelingen te verrichten om de verschuldigde belasting te betalen. Ook bij het voldoen van de parkeerbelasting via (telefonische) aanmelding bij een parkeerapp blijft onverkort gelden dat degene die parkeert onmiddellijk uitvoeringshandelingen moet verrichten om de belasting te voldoen. Volgens vaste jurisprudentie dient de parkeerder een redelijke termijn te worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur - in dit geval de parkeerapplicatie van Easypark - in werking te stellen.
7. De vraag of een parkeerder een redelijke termijn is gegund om de parkeerapparatuur in werking te stellen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij parkeerbelasting doorgaans met de app van EasyPark voldoet, dat hij plots was uitgelogd en niet meer kon inloggen. Belanghebbende heeft zijn wachtwoord moeten resetten en heeft de parkeersessie uiteindelijk pas om 18:52 uur kunnen starten. Dat belanghebbende niet meer kon inloggen en zijn wachtwoord heeft moeten resetten kwam doordat EasyPark gehackt bleek te zijn, aldus belanghebbende.
8. Tussen het moment van de controle (18:45 uur) en de aanmelding via de bezoekersapp (18:52 uur) is een periode van 7 minuten verstreken. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van een parkeerder om ervoor te zorgen dat de verschuldigde parkeerbelasting voor het parkeren op een parkeerplaats tijdig, bij aanvang van het parkeren en zolang er wordt geparkeerd, wordt voldaan. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om de verschuldigde parkeerbelasting via EasyPark te voldoen. Dat belanghebbende alvorens op die wijze de parkeerbelasting te kunnen betalen eerst zijn wachtwoord moest resetten en dat belanghebbende bij de auto is weggelopen voordat hij de parkeerbelasting heeft voldaan, komt onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat belanghebbende onverwijld uitvoeringshandelingen heeft verricht, nu er zeven minuten zitten tussen het moment van de naheffingsaanslag en de aanvangstijd waarvoor belanghebbende heeft betaald. Omdat er andere mogelijkheden waren om de parkeerbelasting te voldoen, bijvoorbeeld door het betalen bij een van de op het parkeerterrein aanwezige parkeerautomaten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de naheffingsaanslag heeft opgelegd.
Hoogte kosten naheffingsaanslag
9. De bevoegdheid om kosten in rekening te brengen bij het opleggen van een naheffingsaanslag is neergelegd in artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet. Nadere regels over de in rekening te brengen kosten zijn op grond van artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet opgenomen in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (het Besluit). Artikel 2, eerste lid, van het Besluit regelt uit welke kostencomponenten de bij een naheffingsaanslag in rekening te brengen kosten ten hoogste kunnen bestaan. Het betreft ten hoogste de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen:
“a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.”
10. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat de raad van de gemeente het bedrag vaststelt dat per nageheven aangesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raad moet dat op grond van deze bepaling doen op basis van een in beginsel op jaarbasis te maken raming van de totale in het eerste lid bedoelde kosten, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven. De raming mag ook een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
11. In artikel 3 van het Besluit is bepaald dat het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid, per 1 januari 2023, ten hoogste € 72,90 bedraagt.
12. In de Tarieventabel behorende bij de Verordening Parkeerbelastingen 2023 van de gemeente Alkmaar zijn de kosten van de naheffingsaanslag vastgesteld op € 72,90. Verweerder heeft dit onderbouwd met de onder 2 weergegeven kostenopbouw.
13. De rechtbank sluit bij de beoordeling van het geschil over de vraag of de in rekening gebrachte kosten van de naheffingsaanslag voldoende inzichtelijk zijn gemaakt aan bij het toetsingskader zoals vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:24). De rechtbank verwijst naar rechtsoverwegingen 4.3.3 tot en met 4.3.7.
14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als een belanghebbende overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar kan worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is.
‘Lasten ter zake’ in de hiervoor bedoelde zin zijn de kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 2, eerste 1, van het Besluit. Daarvan is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. Voldoende is daarom dat de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de kosten meer dan zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Hierbij geldt dat de gemeente geen kosten mag verhalen die weliswaar vallen onder de omschrijving van artikel 2, eerste lid, van het Besluit maar die niet op de gemeente drukken, omdat zij al op andere wijze worden verhaald.
15. Verweerder heeft aangevoerd dat de gemeente Alkmaar toezicht en handhaving laat uitvoeren door P1 (www.p1.nl). De kostenposten “kosten handhaving basis”, “kosten handhaving uitbreiding 2022”, “kosten coördinatie (overhead)” zijn kosten die door P1 aan de gemeente Alkmaar in rekening worden gebracht. Deze kosten hangen dus samen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. Deze kosten bedragen tezamen € 685.000 + € 14.085 + € 70.500 = € 769.585. De invordering van niet-betaalde parkeerbelastingen en de behandeling van bezwaar- en beroepsprocedures die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen worden namens de gemeente Alkmaar uitgevoerd door de GR Cocensus te Heemskerk. De hierop betrekking hebbende kostenposten ad € 90.000 en
€ 20.000 = € 110.000 hangen dus ook samen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen. De post “regievoering P1” heeft betrekking op de kosten van de regievoerder Parkeren – de regievoerder is de medewerker van de gemeente Alkmaar die namens de directie opdrachtgever is van de parkeerdienstverlener (P1) en alle overige (interne) afdelingen en (externe) bedrijven die zich met de parkeerregulering in Alkmaar bezighouden. Deze post hangt dus ook samen met de innig van niet betaalde parkeerbelastingen. Wanneer laatstgenoemde post ad € 100.000 wordt opgeteld bij de kosten van P1 en Cocensus, leidt dit reeds tot een kostenpost van € 769.585 + € 110.000 +
€ 100.000 = € 979.585. Deze kosten hebben voor 98% betrekking op zogenoemde “fiscale plaatsen”. De toe te rekenen kosten die uit deze posten voortvloeien bedragen alsdan 0,98 * € 979.585 = € 959.993. Aangezien dit ruim hoger ligt dan het aantal geraamde inbare naheffingsaanslagen maal het maximale tarief per naheffingsaanslag zoals opgenomen in Tarieventabel bij de Verordening parkeerbelastingen 2023 (12.584 * € 72,90 =
€ 917.373,60) moet worden geconcludeerd dat de geraamde kosten per naheffingsaanslag uitgaan boven het bedrag van € 72,90 zoals opgenomen in de Tarieventabel.
16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met voornoemde uitleg, de raming voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft tegenover voornoemde uitleg van verweerder onvoldoende gemotiveerd gesteld dat en waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.
17. Anders dan belanghebbende meent, heeft verweerder een correctie voor oninbare naheffingsaanslagen kunnen toepassen. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:24) waarin de Hoge Raad artikel 2, tweede lid, van het Besluit uitlegt dat de gemeente, als zij bij de vaststelling van het bedrag aan kostenverhaal een raming moet maken van het jaarlijkse aantal naheffingsaanslagen, daarbij slechts rekening hoeft te houden met inbare naheffingsaanslagen.
18. De stelling van belanghebbende dat uit het raadsinformatiesysteem niet blijkt dat het bedrag van € 72,90 berust op een raming van de jaarlijkse totale kosten verbonden aan het opleggen van de naheffingsaanslag in verhouding tot het aantal op te leggen naheffingsaanslagen, kan niet slagen. De rechtbank overweegt dat de gemeente Alkmaar een sluitende kostenraming heeft gemaakt (als weergegeven onder punt 2). De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de kostenraming, als vermeld onder punt 2, is opgemaakt alvorens het tarief door de gemeenteraad is vastgesteld.
Het enkele feit dat de kostenraming niet aan het raadsvoorstel van de gemeenteraad gevoegd was, brengt niet met zich mee dat mag worden uitgegaan van de omstandigheid dat de kostenraming achteraf is opgemaakt.
19. Echter, ook indien de kostenraming achteraf zou zijn opgemaakt, betekent dat niet dat bij de naheffing geen kosten in rekening mochten worden gebracht. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2002, r.o. 3.4 (ECLI:NL:HR:2002:AD6867).
Slotsom
20. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
20 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).