ECLI:NL:RBNHO:2026:1095

ECLI:NL:RBNHO:2026:1095

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 15/253696-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling art. 6 WVW. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door zich zeer onvoorzichtig en onoplettend te gedragen. Geen toepassing ASR. Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uur. OBM 2 jaar met aftrek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/253696-23 (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Lenderink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. de Vries, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 27 september 2023 een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair hij op of omstreeks 27 september 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Westzijde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- met een niet toegestane en/of gezien de wegsituatie/verkeerssituatie onverantwoord hoge snelheid te rijden en/of- bij het naderen en/of passeren van de kruising met de Frans Halsstraat niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en/of onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- geen voorrang te verlenen aan een voor hem van rechts komende bromfietser en/of in met de bromfietser in botsing te komen, waardoor die bromfietser (genaamd [benadeelde]) zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in zijn bekken en aangezicht, een longkneuzing, scheuren in zijn long, milt, lever en balzak en/of bandletsel aan zijn knie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Subsidiair hij op of omstreeks 27 september 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Westzijde,- met een niet toegestane en/of gezien de wegsituatie/verkeerssituatie onverantwoord hoge snelheid heeft gereden en/of- bij het naderen en/of passeren van de kruising met de Frans Halsstraat niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of- geen voorrang heeft verleend aan een voor hem van rechts komende bromfietser (te weten [benadeelde]) en/of in met de bromfietser in botsing is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. De officier van justitie gaat uit van de hoogste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, omdat geen sprake zou zijn van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 27 september 2023 heeft aan de Westzijde in Zaandam een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte reed in een auto met hoge snelheid over de Westzijde, waar een maximale snelheid van 30 kilometer per uur geldt. Aan de Westzijde bevinden zich meerdere zijwegen. Het verkeer dat daar van rechts komt heeft voorrang. Op de dag van het ongeval reed [benadeelde] (hierna: het slachtoffer) op een bromfiets. Hij kwam vanuit de Frans Halsstraat, een zijweg aan de – vanuit de verdachte bezien – rechterzijde en hij had dus voorrang. De verdachte is met het slachtoffer in botsing gekomen. Als gevolg van het ongeval heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen, waaronder breuken in zijn bekken en aangezicht, een longkneuzing en scheuren in zijn long, milt en lever. Na het ongeval bleken de verdachte en het slachtoffer goede vrienden van elkaar te zijn.

Juridisch kader

De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval, met zwaar lichamelijk letsel van een ander als gevolg, heeft plaatsgevonden. Het begrip “schuld” in de zin van artikel 6 WVW houdt in dat minimaal sprake moet zijn geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kunnen worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer bijzondere gevallen als roekeloos handelen. Bij de beoordeling van de vraag of het verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk dan wel zeer onvoorzichtig en/of onoplettend of roekeloos is geweest, gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.

Beoordeling

De politie, afdeling forensische opsporing, heeft onderzoek verricht naar de snelheid waarmee de verdachte reed. Dit is onder meer gedaan aan de hand van de Event Data Recorder (EDR) die in de auto aanwezig was. Uit dit onderzoek blijkt dat de gereden snelheid in de vijf seconden voor de botsing opliep van (afgerond) 75 kilometer per uur tot 84 kilometer per uur en vervolgens afnam tot 78 kilometer per uur op het moment van de botsing. De verdachte heeft dus met een veel hogere snelheid gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur.

De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien voorafgaand aan het ongeval. Uit het forensisch onderzoek op de plaats van het ongeval blijkt echter dat ten tijde van het ongeval het zicht voor de verdachte niet door de wegsituatie of de inrichting van de weg werd belemmerd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte het slachtoffer wel had kunnen zien, als hij zich aan de maximumsnelheid had gehouden. De verdachte heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat er verkeer van rechts zou kunnen komen. Hij heeft ook niet tijdig naar rechts gekeken om te controleren of de weg vrij was en hij heeft geen voorrang verleend aan het slachtoffer.

De rechtbank komt op grond van deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte als gevolg van zijn rijgedrag niet in staat was om aan het van rechts komende slachtoffer voorrang te verlenen, met een botsing tot gevolg. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, niet toereikend voor het oordeel dat sprake is van de zwaarste vorm van schuld, roekeloosheid. De rechtbank kwalificeert de verkeersgedragingen van de verdachte als zeer onvoorzichtig en onoplettend. De verdachte is ernstig tekortgeschoten in het in acht nemen van de voorzichtigheid die van hem als bestuurder van een auto mocht worden verwacht.

De verwondingen die het slachtoffer heeft opgelopen kwalificeert de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen (er waren meerdere operaties nodig) en de lange duur van het herstel (dat in november 2023 door een arts op zes tot negen maanden werd geschat).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat

hij op 27 september 2023 te Zaandam, gemeente Zaanstad als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Westzijde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,- met een niet toegestane en gezien de verkeerssituatie onverantwoord hoge snelheid te rijden en- bij het naderen en passeren van de kruising met de Frans Halsstraat niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en - zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij weg kon overzien en waarover deze vrij was en- geen voorrang te verlenen aan een voor hem van rechts komende bromfietser en met de bromfietser in botsing te komen, waardoor die bromfietser (genaamd [benadeelde]) zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in zijn bekken en aangezicht, een longkneuzing, scheuren in zijn long, milt, lever en balzak en bandletsel aan zijn knie is ontstaan.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdend met de door haar veronderstelde overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd van drie jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht toegepast moet worden. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de impact die het ongeval ook op het leven van de verdachte heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden een verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed in een auto met een zeer hoge snelheid over de Westzijde, een 30 kilometerweg, en kon daardoor niet op tijd tot stoppen en voorrang verlenen aan het slachtoffer dat op een bromfiets van rechts kwam. De verdachte is tegen het slachtoffer aangebotst. Door dit ongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij heeft tijdens de zitting verteld dat zijn herstel lang heeft geduurd en dat hij niet meer de dingen kan doen waar hij van houdt, zijn werk niet meer kan doen en zijn school niet kon afmaken.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 december 2025). Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een verkeersovertreding, namelijk voor het rijden zonder rijbewijs in 2022.

Adolescentenstrafrecht

De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 18 jaar. Het uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht, tenzij de rechtbank in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan de rechtbank beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank constateert dat de reclassering in het rapport van 3 september 2025 toepassing van het jeugdstrafrecht, zonder oplegging van bijzondere voorwaarden, heeft geadviseerd. De verdachte lijkt volgens de reclassering de risico’s van zijn handelen als beginnend verkeersdeelnemer beperkt te hebben ingeschat. Het vooruitdenken over de gevolgen van het eigen handelen leken nog beperkt te zijn geweest. De verdachte heeft volgens de reclassering geen pro-criminele houding of crimineel netwerk en lijkt niet vatbaar voor (negatieve) beïnvloeding van leeftijdsgenoten. De verdachte woont bij zijn ouders, neemt actief deel aan het gezin en lijkt ontvankelijk voor sociale, emotionele en/of praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen. Hij heeft een meewerkende houding en er is geen sprake van een licht verstandelijke beperking. Hij heeft zich positieve doelen gesteld die hij zelfstandig behaalt. Hij vertoont geen kinderlijker gedrag dan men gezien zijn kalenderleeftijd mag verwachten. Continueren van de schoolgang vindt de reclassering van belang.

De rechtbank ziet in het reclasseringsrapport onvoldoende aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. De rechtbank zal dus niet het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte volgens de reclassering geen kinderlijker gedrag vertoont dan men gezien zijn leeftijd mag verwachten, de verdachte naast zijn opleiding een baan heeft en eigen inkomen genereert en hij in staat lijkt zelf zijn leven vorm te geven. Bovendien heeft de reclassering geen pedagogische interventies geadviseerd. De reclassering zet dus niet in op een pedagogische aanpak.

De rechtbank zal in strafmatigende zin wel rekening houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en de impact die het ongeval ook op hem heeft gehad. Ook zal de rechtbank rekening houden met het tijdsverloop sinds het ongeval.

Op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens deze oriëntatiepunten geldt voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld en van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. De rechtbank neemt dit als vertrekpunt.

Gelet op de eerder genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van de oriëntatiepunten en aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarnaast een forse taakstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van twee maanden passend en geboden. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf opleggen van 200 uur.

7. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor de duur van twee jaar.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,

mr. J.M. Jongkind en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.H. de Jonge van Ellemeet
  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. H.P.H.I. Cleerdin

Griffier

  • mr. H.P.H.I. Cleerdin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?