RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/15/380588 / JU RK 26-1183
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Velserbroek,
over
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
verblijvende in [plaats] ,
advocaat: mr. S.B.J. Hiemstra, kantoorhoudende te Haarlem.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
verblijvende in [plaats] ,
[de gezinshuisouder 1] en [de gezinshuisouder 2] ,
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het schriftelijke (spoed)verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 24 juli 2026;
de verwijzingsbeschikking van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
mr. K.C. van Hoogmoed (waarnemend voor mr. S.B.J. Hiemstra);
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
De ouders zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen. De gezinshuisouders zijn, zonder bericht, niet ter zitting verschenen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
De kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 16 april 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 30 april 2025. De kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 28 april 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot 16 juli 2025.
De kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 16 april 2025 ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 april 2025 tot 30 april 2025. De kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 22 april 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 april 2025 tot 30 april 2025. De kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij beschikking van 28 april 2025 een machtiging verleend [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 juli 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2025 [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot 7 juli 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] , verleend tot 7 januari 2026. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 7 juli 2026. Bij beschikking van de meervoudige kamer van 6 juli 2026 zijn de maatregelen verlengd tot 7 juli 2027.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven sinds 4 augustus 2026 in gezinshuis [gezinshuis] in [plaats] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt met spoed toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. De afgelopen periode heeft de GI hard gezocht naar een nieuwe plek in de regio [regio] , omdat de ouders hier zouden verblijven. Er is een passende en langdurige verblijfplaats voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] beschikbaar gekomen in gezinshuis [gezinshuis] in [plaats] . Gelet op het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij continuïteit, duidelijkheid en een stabiele woonomgeving is het wenselijk dat de wijziging van de verblijfplaats op korte termijn kan worden gerealiseerd. Daarnaast verblijven [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] inmiddels langer dan wenselijk bij het [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . Een spoedige beslissing voorkomt dat de zorgvuldig voorbereide plaatsing onnodig wordt vertraagd en dat de beschikbare passende verblijfplaats mogelijk verloren gaat. Hoewel geen sprake is van een acute onveilige situatie, vindt de GI het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk dat op korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over hun vervolgverblijfplaats en dat de voorgenomen plaatsing doorgang kan vinden.
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op 4 augustus 2026 zijn overgeplaatst naar het nieuwe gezinshuis. Tijdens de zitting van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 is het verzoek van de GI tot toestemming wijziging verblijfplaats behandeld. De GI was in de veronderstelling dat de rechtbank dit verzoek destijds had afgewezen, omdat de gemeente niet instemde met de beoogde verblijfplaats en er geen andere plek beschikbaar was. Gelet op de problematiek van de kinderen is een verblijf in een pleeggezin niet passend. De GI heeft verder aangegeven dat zij de moeder per e-mail en Whatsapp op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen. Hierop heeft zij geen reactie van de moeder ontvangen. Curess zal de omgang tussen de kinderen en de ouders gaan begeleiden. Curess kan de omgangsbegeleiding tot maximaal [plaats] bieden. De reistijd voor ouders is daarmee vergelijkbaar met de reistijd naar het vorige gezinshuis.
4. Het standpunt van de ouders
De advocaat van de moeder heeft naar voren gebracht dat de ouders met veel vragen zitten. Zij hebben van de GI geen informatie ontvangen over het nieuwe gezinshuis. Daarnaast hebben de kinderen en de ouders geen kennismaking gehad met het nieuwe gezinshuis. De voornaamste bezwaren van de ouders zien op het gebrek aan informatie vanuit de GI en de afstand tussen [plaats] en het nieuwe gezinshuis. De GI heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke inspanningen zijn verricht om een passende plek dichterbij [plaats] te vinden. De advocaat heeft verder vraagtekens geplaatst bij de relatieve bevoegdheid en ontvankelijkheid.
5. De beoordeling
Rechtsmacht
De moeder, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de Poolse nationaliteit. Dat brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter moet beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt en, zo ja, welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter1 komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe nu [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Aangezien de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Op grond van artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt een minderjarige de woonplaats van diegene die het gezag over hem uitoefent.
Aangezien de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich relatief onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de rechtbank Noord-Holland is de rechtbank Noord-Holland op grond van artikel 270, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan die verwijzing gebonden om onnodige vertraging van de behandeling van de zaak te voorkomen. Daarnaast bestaan er voldoende aanknopingspunten om de zaak inhoudelijk te kunnen behandelen. De kinderen verbleven immers tot voor kort in een gezinshuis in [plaats] , de laatste zaak betreffende de kinderen is daarom eveneens door deze rechtbank behandeld. De kinderrechter zal het verzoek van de GI dan ook inhoudelijk behandelen.
Absolute bevoegdheid
De kinderrechter verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek. Artikel 1:265i BW ziet uitsluitend op de situatie waarin een minderjarige ten minste één jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat hiermee de situatie wordt bedoeld waarin een minderjarige in een pleeggezin verblijft. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie van het Hof Arnhem-Leeuwarden. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verbleven voorafgaand aan de overplaatsing op 4 augustus 2026 niet in een pleeggezin, maar in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Artikel 1:265i BW is daarom niet van toepassing. Nu de nieuwe verblijfplaats van de kinderen binnen de reikwijdte van de geldende machtiging uithuisplaatsing valt, heeft de GI voor de wijziging van de verblijfplaats van de kinderen dan ook geen expliciete toestemming van de rechtbank nodig.
De kinderrechter merkt nog wel op dat de rechtbank bij beschikking van 6 juli 2026 het perspectiefbesluit, inhoudende dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet bij de ouders kunnen opgroeien, niet heeft onderschreven. De ouders hebben blijkens de beschikking volgens de rechtbank onvoldoende de kans gekregen om te laten zien dat zij de zorg voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kunnen dragen en daarop zou moeten worden ingezet. De afstand tussen [plaats] en het nieuwe gezinshuis is aanzienlijk, waardoor het lastiger zou kunnen zijn om te werken aan de gestelde doelen en de opdracht van de rechtbank. De GI heeft toegelicht dat in de regio waar ouders verblijven geen passende plek beschikbaar is en daarom voor deze plek is gekozen, omdat de kinderen niet langer in het gezinshuis konden blijven. De kinderrechter heeft de GI meegegeven dat de rechtbank van de GI verwacht dat zij de ouders actief bij de plaatsing betrekt en hen een reële kans biedt om aan te tonen dat zij de zorg voor de kinderen kunnen dragen. De GI dient de betrokkenheid van de ouders zoveel mogelijk te faciliteren en zich ervoor in te spannen dat de afstand en reistijd daarbij geen belemmering vormen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verklaart de GI niet-ontvankelijk in het verzoek tot wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.A Onderwater, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier, en op schrift gesteld op 19 augustus 2026.