ECLI:NL:RBNHO:2026:11031

ECLI:NL:RBNHO:2026:11031

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer HAA 25/600
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Deze zaak gaat over de hoogte van het door het zorgkantoor vastgestelde persoonsgebonden budget (pgb) naar aanleiding van een voor eiser ingediende aanvraag voor een toeslag meerzorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor het bedrag aan meerzorg op goede gronden heeft bepaald op € 300.000,--. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dat betekent dat het beroep ongegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Heemstede, eiser

Zilveren Kruis Zorgkantoor, het zorgkantoor

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/600

(gemachtigde: L.P.E. van Milaan),

en

(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).

1. Deze zaak gaat over de hoogte van het door het zorgkantoor vastgestelde persoonsgebonden budget (pgb) naar aanleiding van een voor eiser ingediende aanvraag voor een toeslag meerzorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor het bedrag aan meerzorg op goede gronden heeft bepaald op € 300.000,--. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2.

Namens eiser is een aanvraag ingediend voor een toeslag meerzorg. Het zorgkantoor heeft met het besluit van 8 mei 2024 aan eiser vanaf 1 juli 2024 voor drie jaar een toeslag meerzorg toegekend ter hoogte van € 300.000,-- per jaar.

Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar is het zorgkantoor bij dit besluit gebleven.

Hiertegen is beroep ingesteld waarop het zorgkantoor met een verweerschrift heeft gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (de moeder van eiser, tevens wettelijk vertegenwoordiger en zorgverlener), [naam 2] (de opa van eiser), [naam 3] (ondersteuner van de familie, werkzaam bij – destijds – Copiloten), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het zorgkantoor. Als toehoorders zijn drie medewerkers van het zorgkantoor van de afdeling Langdurige Zorg / Team meerzorg verschenen ( [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] ).

Totstandkoming van het bestreden besluit Voorgeschiedenis

Eiser is geboren op [datum] 2015. Hij maakt deel uit van een gezin van vijf, bestaande uit moeder, vader en twee zussen. Hij heeft een medische aandoening die wordt aangeduid als het SCN2A Syndroom, waardoor sprake is van een zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperking en epilepsie (ZEVMB problematiek).

Eiser ontvangt vanaf 2021 een pgb voor een zorgprofiel VG8 met een toeslag meerzorg Wlz, waarmee hij de voor hem (aan huis) benodigde zorg inkoopt. In 2022 is een pgb van € 393.000,-- beschikbaar gesteld. Door indexering is het pgb voor 2023 uitgekomen op € 423.790,--. Hieraan heeft geen zorginhoudelijk of medisch advies ten grondslag gelegen.

Vanwege een verhoging van het tarief van de zorgverleners voor de dagbesteding van eiser (de Waggelmannetjes) is eind 2023 een nieuwe aanvraag voor een toeslag meerzorg ingediend. Daarbij is een bedrag van in totaal € 464.374,54 aangevraagd voor 149,5 uur zorg en 18,5 uur dagbesteding per week.

Bij besluit van 17 januari 2024 is aan eiser voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 een pgb toegekend voor het zorgprofiel VG8: Wonen met begeleiding en volledige verzorging en verpleging ter hoogte van € 90.048,-.

Gedurende de beoordeling van de aanvraag voor de toeslag meerzorg is – in afwachting van het besluit hierop – op 27 maart 2024 een pgb (inclusief meerzorg) toegekend voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 ter hoogte van € 210.738.56.

In het zorginhoudelijk advies van een zorginhoudelijk en een medisch adviseur van 8 mei 2024 zijn de bevindingen en het daarop gebaseerde advies vermeld. Daarbij is de totale zorgbehoefte van eiser voor persoonlijke verzorging en verpleging vastgesteld op gemiddeld 98,5 uur per week. De totale zorgbehoefte inclusief de maximale omvang per zorgprofiel voor begeleiding individueel van 7 uur per week is vastgesteld op gemiddeld 105,5 uur per week. Dit is exclusief 18,5 uur dagbesteding. Vermeld is dat een meerzorgtoeslag op basis van gemiddeld 105,5 uur per week voldoende zou moeten zijn om alle noodzakelijke zorg in te kopen en in te regelen. Tot slot is vermeld dat de aanvraag hiermee doelmatig en redelijk blijft en dat eiser dan op een verantwoorde manier thuis in zijn eigen omgeving kan blijven wonen.

Primaire besluit

4. Het zorgkantoor heeft vervolgens bij het primaire besluit aan eiser per 1 juli 2024 voor drie jaar afgerond € 300.000,- per jaar toegekend. Daarbij is vermeld dat is gerekend met 17 uren betaalde zorg per dag, dus 119 uur zorg per week, vanwege aftrek van 7 uur niet betaalde gebruikelijke/ouderlijke zorg per dag. Verder is vermeld dat de verdeling als volgt is gemaakt: 18,5 uur per week voor de Waggelmannetjes (€ 69.264,-- per jaar), 30 uur per week voor door eisers moeder te bieden zorg (€ 38.095,20 per jaar), en voor de overige 70,5 uur per week is gerekend met een uurtarief van € 52,50 (tarieven van 2023, € 192.316,95 per jaar). Verder is vermeld dat de zorgkosten die in een instelling worden gemaakt volgens het zorgkantoor de bovengrens vormen voor wat in de thuissituatie mogelijk is. De door eiser aangevraagde zorg ligt boven dit maximale grensbedrag van zorg in een instelling, reden waarom die kosten niet meer doelmatig zijn. Ook is benoemd dat niet eerder een zo hoog bedrag is toegekend bij kinderen met een soortgelijke zorgvraag binnen het pgb.Volgens het zorgkantoor zou een Zorg In Natura (ZIN) -instelling voor de volgens de adviseurs in eisers geval benodigde zorg (gerekend is met 126 uur) in totaal € 282.145,23 aan meerzorgbudget ontvangen. Tot slot is vermeld dat begrijpelijk is dat het waardevol is voor eiser dat hij thuis kan blijven, zodat het zorgkantoor desondanks enig verschil toelaat tussen de kosten in een ZIN-instelling en het pgb.

Bezwaarprocedure

5. Eiser heeft in bezwaar – samengevat – gesteld dat een meerzorg aanvraag geen plafond kent en niet is beperkt in omvang. Er zijn verder ten onrechte uren zorg in mindering gebracht wegens gebruikelijke of ouderlijke zorg. Het bepalen van de grens van de financiering op basis van een vergelijking met andere aanvragers is verder volgens hem onzorgvuldig en onrechtmatig. Het goed werkgeverschap wordt door het zorgkantoor bovendien belemmerd doordat tarieven uit 2023 worden toegepast en er dus reeds bestaande zorgovereenkomsten moeten worden gewijzigd. Door de beslissing van het zorgkantoor kan eiser niet de benodigde zorg krijgen waardoor zijn kwaliteit van leven niet gewaarborgd wordt. De substantiële verlaging van het eerder toegekende budget heeft een disproportioneel nadelig effect voor het gezin. Het gevolg is dat eiser naar een instelling moet. Dat is in strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).

Bestreden besluit

Het zorgkantoor heeft het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Daarbij is in het bestreden besluit – samengevat, en onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en rechtspraak – vermeld dat de voorwaarde voor het verstrekken van een pgb is dat dit op verantwoorde en doelmatige wijze moet kunnen worden besteed. Gelet hierop mag het zorgkantoor volgens haar de tarieven beoordelen, bestaat een plafond en speelt de gebruikelijke zorg een rol bij de beoordeling van de toeslag meerzorg. Dat het bedrag van het budget niet hoger mag zijn dan wat een verzekerde in een ZIN-instelling zou kosten volgt volgens het zorgkantoor zowel uit de wetsgeschiedenis als jurisprudentie.

Het zorgkantoor heeft in het bestreden besluit de (omvang van) de gebruikelijke zorg opnieuw beoordeeld en komt tot de conclusie dat (afgerond) 126 zorguren voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, in plaats van de bij het primaire besluit berekende 119 uur. Gelet hierop is geen sprake meer van het korten van het aantal Wlz verzekerde, en doelmatige directe uren, maar dient uitgegaan te worden van de eerder door de zorginhoudelijke en de medische adviseur aan doelmatige en Wlz verzekerde zorg vastgestelde 124 uur. Omdat in het primaire besluit bij de vaststelling van de kosten in een ZIN-instelling echter gerekend is met 126 uur, blijft het zorgkantoor gelet op het verbod van reformatio in peius met dit aantal uren rekenen.

Het zorgkantoor heeft vervolgens ter bepaling van het plafond opnieuw berekend welk budget in 2024 toegekend zou worden als een ZIN-instelling voor 126 directe zorguren een meerzorgaanvraag zou indienen voor een verzekerde met zorgprofiel VG8. De totale kosten komen uit op € 282.149,21. In 2025 zou sprake zijn van € 295.252,55. Het plafond blijft daarmee € 300.000,--.

Volgens het zorgkantoor zijn er voor eiser ZIN-instellingen beschikbaar. Daarbij wordt een aantal voorbeelden van zorgaanbieders genoemd. Het zorgkantoor ziet geen reden om op voorhand de beschikbaarheid van de ZIN-instellingen in twijfel te trekken.

Tot slot is in het bestreden besluit vermeld dat het al dan niet toekennen van een pgb waarmee thuiszorg kan worden ingekocht volgens het zorgkantoor niet hetzelfde is als een geforceerde uithuisplaatsing van een kind door de Staat. Daarom valt volgens het zorgkantoor niet in te zien hoe een beroep op artikel 9, eerste lid, van het IVRK, zoals in bezwaar aan de orde gesteld, kan leiden tot buiten toepassing laten van de regel dat zorg thuis niet duurder mag zijn dan in een instelling.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

7.

Uit de toepasselijke regelgeving voor meerzorg en de wetsgeschiedenis van deze bepalingen kan worden opgemaakt dat een verzekerde aanspraak heeft op meer zorg dan de zorg die hoort bij het voor de verzekerde best passende zorgprofiel als zijn zorgbehoefte minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in dit zorgprofiel. Of een verzekerde hiervoor in aanmerking komt is ter beoordeling van het zorgkantoor.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) acht de regelgeving over de beoordeling van meerzorg op dit moment niet eenduidig. De CRvB overweegt daarover dat het zorgkantoor – totdat de wetgever meer duidelijkheid heeft gegeven – bij de beoordeling van een verzoek om meerzorg dient te bepalen welke Wlz-zorg naar aard en omvang uitgedrukt in uren, op medische gronden voor een betrokkene nodig is. Vervolgens moet het zorgkantoor een gekwantificeerde en toetsbare vergelijking maken van de op die manier vastgestelde zorgbehoefte van betrokkene met de zorg die ten grondslag ligt aan het voor betrokkene geïndiceerde zorgprofiel, ook naar aard en omvang, uitgedrukt in uren. Aan de hand van deze vergelijking moet het zorgkantoor bepalen of, en zo ja, onder welke noemer en met welk bedrag het pgb van betrokkene in verband hiermee moet worden verhoogd.

Omvang van het geschil

8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser is aangewezen op een meerzorgtoeslag. Ter discussie staat de vraag of het zorgkantoor de omvang hiervan juist heeft bepaald. Deze vraag beoordeelt de rechtbank aan de hand van eisers hierna te bespreken beroepsgronden.

Is er sprake van een maximum aan meerzorgtoeslag?

Volgens eiser is er geen maximum verbonden aan de meerzorgtoeslag. Er is geen plafond bepaald. Het uitgangspunt is het jaarlijks vastgestelde jaarbudget. Volgens eiser is meerzorg aan de orde als de zorg meer dan 25% van dit budget overstijgt. Eiser stelt dat de zorg wel degelijk duurder mag zijn dan zorg vanuit een ZIN-instelling. Eiser is bekend met meerdere gevallen van een toekenning die boven het grensbedrag van zorg in een instelling uitkomen.

Volgens het zorgkantoor volgt uit de systematiek van de Wlz dat de meerzorgregeling een plafond kent. Dit is in het verweerschrift en ter zitting nader toegelicht.

Naar het oordeel van de rechtbank is door het zorgkantoor inzichtelijk gemotiveerd dat en waarom een meerzorgtoeslag een maximum kent. Daarbij heeft het zorgkantoor er terecht op gewezen dat de wetgever “verantwoorde zorg” en “kosten die niet hoger uitvallen dan die in een instelling” als de belangrijkste voorwaarden bij zorg zonder verblijf in een instelling noemt.Ook kan gevolgd worden dat hiervan sprake is nu blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 3.6.3 van het Besluit langdurige zorg (Blz) de maximumbedragen van bijlage H bij de Regeling langdurige zorg (Rlz) ook zijn ingegeven door de regel dat een pgb niet duurder mag zijn dan ZIN.Het zorgkantoor heeft hiervoor eveneens terecht aanknopingspunten gezien in de systematiek van de Extra Kosten Thuis regeling (EKT) en de daarbij behorende wetsgeschiedenis. Gevolgd kan worden dat de in de Wlz en Rlz voor het verstrekken van een pgb genoemde voorwaarde dat de zorg op doelmatige en op verantwoorde wijze ten huize van een verzekerde moeten kunnen worden geleverd, inhoudt dat de zorg thuis niet duurder mag zijn dan zorg vanuit een instelling. De EKT is hierop een uitzondering. De meerkostentoeslag wordt hierin niet als een dergelijke uitzondering op de hoofdregel genoemd. Reden hiervoor is dat dit een toeslag is die verband houdt met een zorgprofieloverstijgende zorgbehoefte die zowel thuis als in een instelling gelijk is. Deze beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

Is eisers zorgbehoefte goed vastgesteld?

10.

Eiser stelt dat zijn zorgbehoefte niet goed is vastgesteld. Volgens hem is er 24/7 en dus 168 uur per week zorg noodzakelijk. Eiser wijst erop dat eerder bij voorgaande aanvragen wel als Wlz-zorg erkende zorg nu ten onrechte als gebruikelijke zorg is aangemerkt. Het zorgkantoor heeft bij deze aanvraag een onjuiste en te strikte toepassing van gebruikelijke zorg aangehouden. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met zijn unieke omstandigheden en werkelijke zorgbehoefte. In eisers geval is geen sprake van gebruikelijke zorg, omdat hij niets kan bijdragen aan zijn zelfzorg. Persoonlijke verzorging omvat in eisers geval overname van alles, zo luidt zijn stelling. Ten aanzien van muziek luisteren, voorlezen en visuele prikkeling is volgens eiser ook sprake van verzekerde Wlz-zorg, omdat eiser niet zelf tot een activiteit kan komen. Het gaat in zijn geval altijd om directe ondersteuning bij of overname van handelingen en zelfzorg. Hij kan niet alleen zijn en heeft constant toezicht nodig. De zorg kan niet door een willekeurig persoon worden geboden. Eiser is het daarom niet eens met de conclusie van de adviseurs dat in zijn geval in totaal slechts 124 uur per week aan persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en dagbesteding aan de orde is.

Volgens het zorgkantoor is eisers zorgbehoefte op juiste wijze in kaart gebracht. Het zorgkantoor hanteert de maatstaf dat zorghandelingen waarvan van informele zorgverleners in een gedeeld huishouden met de budgethouder redelijkerwijs verwacht kan worden dat deze uit hun informele band met de budgethouder verleend worden, als gebruikelijke zorg worden gezien. Vervolgens is toegelicht dat 24,5 uur toezicht niet vergoed wordt in de context van meerzorg, voor 11 uur en 45 minuten sprake is van gebruikelijke zorg en voor 5 uur en 15 minuten van niet-verzekerde Wlz-zorg. Daarmee is afgerond sprake van een zorgbehoefte van 126 uur per week. Dit is niet lager dan de door de adviseurs vastgestelde Wlz-verzekerde en doelmatige directe zorguren, zodat van de door de adviseurs vastgestelde 124 uur wordt uitgegaan. Dat deze door de adviseur vastgestelde zorgbehoefte onjuist is, is door eiser niet aannemelijk gemaakt en het zorgkantoor ook niet gebleken.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het zorgkantoor van een onjuiste zorgbehoefte is uitgegaan. Dat daarbij van een onjuiste definitie van gebruikelijke zorg is uitgegaan, volgt de rechtbank niet. Dat eiser altijd zorg nodig heeft omdat hij zelf niets kan bijdragen aan zijn zelfzorg, brengt niet mee dat alle zorg daarmee valt onder Wlz-zorg. Daarmee miskent eiser dat in het kader van de doelmatigheidsafweging hier aan de orde, van bepaalde zorg verwacht kan worden dat deze door naasten geleverd wordt. Het zorgkantoor heeft zich laten adviseren door haar zorginhoudelijke en medische adviseur, die navolgbaar hebben gemotiveerd dat de totale zorgbehoefte 124 uur per week is. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit advies onjuist is en dat op medische gronden meer zorg nodig is. Het zorgkantoor is bij het bestreden besluit uitgegaan van dit advies en niet (meer) van de bij het primaire besluit als gevolg van 7 uur als gebruikelijke zorg aangemerkte zorg vastgestelde 119 zorguren. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Kan de berekening van de kosten in meerzorg ZIN worden gevolgd?

11.

Volgens eiser is de berekening van de kosten in meerzorg ZIN niet navolgbaar. Ter zitting is toegelicht dat het door het zorgkantoor daarbij gebruikte aanmeldformulier niet in lijn is met eisers situatie.

Het zorgkantoor heeft toegelicht dat als vanuit een ZIN-instelling meerzorg wordt aangevraagd de directe uren worden ingevuld in een aanvraagformulier. Aan alle zorgprofielen zijn meerzorgprofielen gekoppeld met een bepaalde bandbreedte. Als het aantal uren binnen een bepaalde bandbreedte valt dan wordt het bijbehorende budget toegekend. Als er voor een aandeel van de uren geen profiel bestaat, wordt een budget toegekend op basis van een vaststaand uurtarief. Bij het bestreden besluit is de voor zo’n aanvraag relevante pagina gevoegd. Verder is toegelicht dat het aantal noodzakelijke (directe) zorguren dat vanuit een pgb geleverd zou moeten worden altijd hoger dan, of hetzelfde is als wat in een ZIN-instelling nodig zou zijn. Dit gelet op schaalverkleining in de thuissituatie. Er kan een op elk individueel geval toegespitste vergelijking worden gemaakt tussen de meerkosten in pgb en ZIN omdat met het invullen van een aantal directe zorguren het exacte bijbehorende meerzorgbudget kan worden bepaald.

Het zorgkantoor heeft vervolgens toegelicht hoe is berekend welk budget toegekend zou worden als een ZIN-instelling voor 126 directe uren een meerzorgaanvraag zou indienen voor een verzekerde met zorgprofiel VG8. Aangegeven is dat het aanvraagproces rekent met het aantal uren dat bovenop het aantal uren komt dat binnen het profiel past. Het formulier gaat uit van 7,25 uur die binnen de 25%-regel van artikel 2.2, lid 3 Rlz vallen. Het aantal zorgprofieluren voor VG8 bedraagt afgerond 29 zorguren per week. Dat betekent dat eiser afgerond 97 meerzorguren per week nodig heeft. Dit overstijgt het maximale meerzorgprofiel, waardoor sprake is van maatwerk. Dat betekent dat € 130.269,27 wordt toegekend (VG8 meerzorgprofiel 5) plus het bedrag van de overgebleven zorguren, vermenigvuldigd met het maatwerkuurtarief van VG8. Dit betreffen 26,29 uren per week en betreft, gelet op het maatwerkuurtarief, € 61.831,94 per jaar. In totaal dus € 192.101,21 aan meerkostentoeslag. Hierbovenop komt het budget voor VG8 (uit bijlage H bij de Rlz) ter hoogte van € 90.048,--. In totaal zijn de kosten in ZIN dan € 282.149,21. In 2025 zijn deze kosten € 295.252,55.

De rechtbank acht hiermee door het zorgkantoor inzichtelijk gemaakt hoe hoog de kosten voor eiser, bij een zorgbehoefte van 126 uur per week, in het geval hij in een ZIN-instelling zou verblijven, zouden zijn. De enkele stelling dat het door het zorgkantoor bij de berekening gebruikte aanmeldformulier niet overeen zou komen met eisers situatie is onvoldoende voor een ander oordeel.

Kan eiser het plafond worden tegengeworpen?

12.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het door het zorgkantoor gestelde uitgangspunt dat de zorg thuis niet duurder mag zijn dan de zorg in een passende instelling hem niet mag worden tegengeworpen. Er bestaat voor hem namelijk geen passende ZIN- instelling. Dat er zorgaanbieders zijn zegt nog niets over de daadwerkelijke haalbaarheid van het bieden van de voor hem benodigde zorg, waaronder één-op-één begeleiding.

Het zorgkantoor stelt dat uit navraag bij ervaren zorgbemiddelaars aan wie eisers specifieke casus is voorgelegd, is gebleken dat er ZIN-instellingen beschikbaar zijn. Er zijn zeven voorbeelden van zorgaanbieders in de regio met afdelingen van kinderen met VG8 en vergelijkbare problematiek genoemd. De beschikbaarheid van ZIN is daarom volgens het zorgkantoor niet in gedrang.

De rechtbank stelt vast dat aan eiser een pgb is toegekend, gebaseerd op de voor de volgens de adviseurs noodzakelijke zorg. Dit pgb overstijgt het voor eiser geldende plafond niet. In die zin wordt hem dit dus ook niet tegengeworpen. Afgezien daarvan ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de door het zorgkantoor genoemde voor eiser beschikbare ZIN-instellingen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat voor hem geen passende ZIN-aanbieders zouden bestaan. Onweersproken is dat noch het zorgkantoor noch de genoemde mogelijke zorgaanbieders namens eiser zijn benaderd om de mogelijkheden te onderzoeken. De toelichting ter zitting dat de ondersteuners van eiser uit ervaring weten dat de instellingen de benodigde zorg niet kunnen leveren is niet voldoende voor een ander oordeel. De wens om eiser thuis te willen laten wonen is begrijpelijk, maar maakt het voorgaande niet anders. De omstandigheid dat er voor eiser beschikbare ZIN-aanbieders zijn betekent namelijk niet dat eiser niet meer thuis kan/mag worden verzorgd. Dit maakt wel dat sprake is van een begrensd pgb. Zoals uit het voorgaande blijkt kan de berekening van de kosten van het voor eiser benodigde aantal uren zorg worden gevolgd en heeft eiser niet onderbouwd dat hij hiermee niet in zijn zorgbehoefte kan voorzien. De opgave van de totaal gemaakte/voorziene kosten van de huidige afgenomen en af te nemen zorg is daartoe niet voldoende.

Is er sprake van onevenredige gevolgen?

13.

Volgens eiser kan de zorg zoals deze in voorgaande jaren is ingericht door de besluitvorming van het zorgkantoor niet meer voortgezet worden. De bereikte balans in zijn gezondheidssituatie zal daardoor wegvallen. Eisers ontwikkeling zal ernstig belemmerd worden en zijn recht op vervangend onderwijs binnen het zorgdomein wordt hem ontnomen. Dit is volgens eiser in strijd met het IVRK en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Eiser heeft in dit verband erop gewezen dat het zorgkantoor in weerwil van het programma ‘Wij zien je wel’ (nu: Metgezel) een steeds hogere drempel heeft opgetrokken.Het besluit heeft ook onaanvaardbare gevolgen voor de ouders van eiser. Op hen rust een grote druk. Naast de zorg voor eiser hebben zij ook zorg voor hun dochters die kampen met ADHD en een taalachterstand/algehele achterstand. De moeder van eiser heeft nu een burn-out en moet medicatie gebruiken om het gezin draaiende te houden en de zorg te kunnen bieden. De situatie is daardoor niet meer houdbaar, aldus eiser.

Het zorgkantoor stelt dat het recht op onderwijs niet met zich brengt dat een budget zonder plafond beschikbaar zou moeten worden gesteld. Dat eiser met het beschikbaar gestelde budget geen (vorm van) onderwijs kan volgen, is niet aangetoond. Het zorgkantoor ziet voorts niet in hoe een recht op gelijke behandeling en toegang tot passende voorzieningen ertoe zou moeten leiden dat aanzienlijk meer pgb beschikbaar gesteld zou moeten worden dan de kosten voor dezelfde zorg in een instelling.

In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat hem een hoger pgb moet worden toegekend dan wat voor hem zou gelden in een ZIN-instelling. De omstandigheid dat de zorg anders zal moeten worden ingericht, leidt daartoe niet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat dit de eerste keer is dat eisers zorgbehoefte door een adviseur in kaart is gebracht. Aan de eerdere toekenningen heeft niet een dergelijk advies ten grondslag gelegen. Verder is ook niet gebleken dat het pgb niet toereikend is om de voor eiser noodzakelijke zorg in te kopen. Dat de huidige ingekochte zorg meer kost dan het verstrekte pgb leidt daartoe op zichzelf niet. Van een gedwongen uithuisplaatsing of het wegvallen van een vorm van onderwijs is evenmin sprake. Dat brengt mee dat van strijd met het IVRK en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte dan ook niet is gebleken. De gestelde omstandigheden van de moeder van eiser zijn niet (met medische gegevens) onderbouwd en evenmin is de onhoudbare situatie nader geconcretiseerd. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond. Het bestreden besluit kan in stand blijven. Dat betekent dat het zorgkantoor geen hoger pgb aan eiser hoeft toe te kennen. Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding om het zorgkantoor te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzitter, en mr. L.M. de Vries en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand