RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12324314 \ EJ VERZ 26-288 (rvk)
Beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
de vereniging van eigenaren VVE [de VvE],
te Bovenkarspel ,
verwerende partij,
hierna te noemen: de VvE
1. De procedure
[verzoeker] heeft op 22 juli 2026 een verzoekschrift ingediend. De griffier heeft op 11 augustus 2026 met een e-mail [verzoeker] verzocht om nadere informatie te verstrekken. [verzoeker] heeft in een e-mail van 11 augustus 2026 gereageerd.
2. Het verzoek en de beoordeling daarvan
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om het Meerjarenonderhoudsplan van de VvE (MJOP) nietig te verklaren.
Naar aanleiding van de e-mail van de griffier van 11 augustus 2026, heeft [verzoeker] uitdrukkelijk geantwoord dat zijn verzoek gericht is op de nietigverklaring van het MJOP en dat het hem niet gaat om de vernietiging van een besluit van de VvE.
Een verzoek tot nietigverklaring van een besluit van de VvE moet bij dagvaarding en bij de handelskamer van de rechtbank worden gevorderd. Om die reden zal de kantonrechter het verzoek op grond van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwijzen naar de sectie Handel van deze rechtbank. Partijen dienen in die procedure bij advocaat te verschijnen.
De kantonrechter zal [verzoeker] verder bevelen om het verzoekschrift binnen vier weken na heden te verbeteren of zodanig aan te vullen dat het voldoet aan de eisen van artikel 111 Rv.
Verder zal de kantonrechter bevelen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. De kantonrechter bepaalt als dag waarop de zaak op de rol komt 7 oktober 2026 en beveelt dat deze dag door [verzoeker] bij exploot aan de VvE wordt aangezegd, onder gelijktijdige betekening van het eerder ingediende verzoekschrift, de aanvulling daarop en deze beschikking. Tot slot moet [verzoeker] het exploot van dagvaarding zo spoedig mogelijk na het uitbrengen ervan bij de handelsgriffie van deze rechtbank indienen.
3. De beslissing
verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen;
beveelt dat [verzoeker] dit verzoekschrift binnen vier weken moet verbeteren;
beveelt dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, met verwijzing naar de sectie Handel, Kanton en Bewind van deze rechtbank, locatie Alkmaar, en wel naar de rolzitting van 7 oktober 2026 om 10.00 uur, alwaar partijen bij advocaat dienen te verschijnen;
beveelt [verzoeker] om de VvE bij exploot op te roepen tegen voormelde rolzitting van 7 oktober 2026, onder gelijktijdige betekening van het eerder ingediende verzoekschrift, de aanvulling daarop en deze beschikking;
beveelt [verzoeker] het exploot van dagvaarding zo spoedig mogelijk na het uitbrengen ervan aan te bieden aan de handelsgriffie van deze rechtbank;
bepaalt dat [verzoeker] na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR);
bepaalt dat de VvE na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het LDCR;
deelt mee dat van een partij die onvermogend is een lager griffierecht wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1. een afschrift van het besluit tot toevoeging, zoals bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is als gevolg van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem/haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 24 lid 2 van de Wet op de rechtsbijstand, of;
2. een verklaring van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 onder e van die wet, waaruit blijkt dat zijn/haar inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, zoals bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35 lid 2 van die wet;
Deze beschikking is gegeven door mr. B. Voogd en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.