RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/381432 / JU RK 26-1331
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 21 augustus 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een 24-uurs voorziening voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De ouders zijn sinds 2020 gescheiden. [de minderjarige] woont bij moeder. Vader heeft geen vaste woning. Vader is langere tijd uit beeld geweest. Er is sinds kort weer contact. [de minderjarige] zou op zevenjarige leeftijd alleen naar Nederland zijn gekomen. [de minderjarige] heeft met en zonder moeder bij verschillende familieleden gewoond.
Het gezin is op 6 augustus 2026 middels een crisisroute aangemeld bij Veilig Thuis. [de minderjarige] zou al twee dagen vermist zijn en aangetroffen zijn door de politie. [de minderjarige] heeft bij de politie aangegeven niet naar huis te willen/durven, omdat hij door moeder mishandeld zou worden. [de minderjarige] heeft zichtbaar letsel op verschillende plekken en is hiervoor naar het letselspreekuur van de GGD geweest. Hiervan is nog geen uitslag bekend. Op dit moment is Ambulante Spoedhulp (ASH) betrokken. Zij hebben een goede samenwerking met moeder, echter maken zij zich zorgen over de onderlinge interactie. Moeder blijft huiselijk geweld ontkennen, lacht het weg en bagatelliseert het en geeft [de minderjarige] de schuld.
Op 21 augustus 2026 heeft Veilig Thuis een (spoed)melding gedaan bij de Raad, omdat er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van [de minderjarige] . De Raad is naar aanleiding van deze melding een (spoed)onderzoek gestart om antwoord te kunnen geven op de vraag of er mogelijk sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] en of de situatie van [de minderjarige] zodanig is dat een spoedmaatregel nodig is om een acute en ernstige bedreiging weg te nemen.
De Raad heeft een ernstig vermoeden dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd omdat [de minderjarige] aangeeft mishandeld te worden door zijn moeder. Moeder ontkent deze beschuldiging. [de minderjarige] verblijft sinds de escalatie ( [de minderjarige] is twee dagen vermist geweest, waarna hij bij de politie heeft aangegeven mishandeld te worden door moeder) bij een buurvrouw. Deze buurvrouw geeft aan dat zij niet langer onderdak kan bieden aan [de minderjarige] vanwege de invloed die dit heeft op haar dochter. Tevens ontvangt zij dreigende berichten van moeder en andere mensen uit het netwerk van moeder. De buurvrouw geeft aan overspannen te zijn. Vader heeft op dit moment geen plek om [de minderjarige] onderdak te bieden en terug naar moeder is naar de mening van de Raad op dit moment geen optie vanwege de vermoedens van mishandeling. Moeder geeft in eerste instantie geen toestemming om [de minderjarige] op een groep te plaatsen. Later in gesprek geeft moeder alsnog toestemming. Vader geeft geen toestemming om [de minderjarige] op een groep te plaatsen. Hij is van mening dat een groep een slechte invloed op hem heeft.
De Raad acht een uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding omdat er signalen zijn van mishandeling van [de minderjarige] , waarbij sprake is van zichtbaar letsel. [de minderjarige] dient een veilige plek te hebben, waar geen sprake is van geweld.
Binnen de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing moet er zicht worden verkregen op de thuissituatie van [de minderjarige] . Het is belangrijk dat er gekeken wordt of en wanneer [de minderjarige] terug naar huis kan en wat hier voor nodig is. Mogelijk is er hulpverlening nodig voor moeder en/of [de minderjarige] . Dit moet binnen de maatregelen uitgezocht en ingezet worden.
Hoewel vooralsnog onbekend is welke nationaliteit ouders en [de minderjarige] hebben, lijkt dit op basis van de huidige gegevens om de Eritrese nationaliteit te gaan. Hierdoor is het de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de Raad en zo ja, welk recht van toepassing is op dat verzoek. Op grond van artikel 15, eerste lid, Brussel II-ter, is de Nederlandse rechter bevoegd om voorlopige (urgente) maatregelen te nemen voorzien in het Nederlands recht betreffende een kind dat zich in Nederland bevindt.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 november 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] [plaats] , [land] , in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 augustus 2026 tot 18 september 2026;
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de vader en de moeder en een tolk in de taal Tigrinya tijdig zal oproepen voor die zitting;
bepaalt dat de griffier [de minderjarige] tijdig zal oproepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026 door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. J. van Beek, kinderrechter, op 24 augustus 2026 in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.