RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12042505 \ CV EXPL 26-58
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. C.M. van der Velden-Rijnsburger en mr. M. Zuidam
tegen
TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
te Schiphol,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Transavia,
gemachtigde: mr. L.R. Krijgsheld.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert de werknemer dat de werkgever een bij promotie toegekende functie-inschaling (en bijbehorende beloning) blijft nakomen. De werkgever stelt dat er in het verleden een fout bij de functie-inschaling is gemaakt, waardoor de werknemer in strijd met de standaard cao foutief te hoog is ingeschaald. De kantonrechter volgt dit standpunt van de werkgever. Niet is gebleken dat de werkgever bij de inschaling van de werknemer een van de cao afwijkende overeenkomst met werknemer wilde aangaan. De werkgever mocht de functie-indeling (met bijbehorende salaris) vanaf 1 maart 2025 aanpassen. De verrekening van teveel betaald loon is in de gegeven de omstandigheden wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De werkgever moet het ingehouden loon daarom terugbetalen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 december 2025 met 42 producties
- de brief van 16 januari 2026 van [eiser] met productie 38a
- de conclusie van antwoord van 4 maart 2026 met 9 producties
- het tussenvonnis van 25 maart 2026
- de brief van 16 juli 2026 van Transavia
- de brief van 16 juli 2026 van [eiser] met aanvullende productie 43
- de akte wijziging eis van 22 juli 2026 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 28 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van [eiser]
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
Op 7 januari 2016 hebben partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een looptijd van 10 januari 2016 tot 10 juni 2016 gesloten en ondertekend, op grond waarvan [eiser] als vlieger in de functie van First Officer (FO) bij Transavia in dienst is getreden.
De arbeidsovereenkomst bevat een incorporatiebeding, waarmee de cao Transavia Vliegers (hierna: de Cao) van toepassing is verklaard. Deze cao, die is gesloten met de vliegersvakbond VNV, heeft een standaard karakter. [eiser] is geen lid van de VNV.
In bijlage 2 van de cao is de voor de vliegers geldende salarisregeling vastgelegd. Daarin staat dat een beginnende FO de eerste twee maanden na indiensttreding wordt ingeschaald in FO-trede 0 en na afloop van die twee maanden in FO-trede 1 (artikel 2 bijlage 2). Verder bepaalt artikel 3a. van bijlage 2 dat de vlieger per 1 juli van elk jaar een trede omhoog gaat, mits hij dan minimaal zes maanden in actieve dienst is.
Per 10 juni 2016 is de arbeidsovereenkomst van [eiser] voor onbepaalde tijd verlengd.
Bij e-mail van 27 juli 2016 heeft de (toenmalige) Manager Salarisadministratie van Transavia aan [eiser] geschreven dat ‘uit interne controle is gebleken dat bij de introductie van de nieuwe cockpit schalen er geen nieuw salaris was toegekend (dit had moeten zijn trede 2 € 3.948)’. Naar aanleiding hiervan is [eiser] per 1 juli 2016 in FO-trede 2 geplaatst en dienovereenkomstig beloond.
Per 1 februari 2019 is [eiser] ingeschaald in FO-trede 7. Deze inschaling is gebaseerd op zijn keuze voor optie 1 uit het ‘Protocol Tussentijdse Afspraak In- en Uitstroom First Officers’, welk protocol sinds 1 april 2020 in bijlage 2 van de cao is opgenomen. Het protocol is eind 2018 gesloten als tijdelijke incentive om de instroom van vliegers te bevorderen en de uitstroom van Transavia vliegers te beperken. Door zijn keuze voor optie 1 ging [eiser] per 1 februari 2019 van FO-trede 4 naar trede FO-trede 7. In het protocol is bepaald dat deze hogere inschaling bij bevordering van FO tot Captain deels komt te vervallen.(artikel 1.1.1. 1.1. van bijlage 2 van de cao).
Bij brief van 28 juni 2024 heeft Transavia aan [eiser] bevestigd dat hij per 8 juli 2024 promoveert naar de functie van Captain en per die datum wordt ingedeeld in functieschaal Captain trede 13 met een (fulltime) salaris van € 11.409,17 bruto per maand.
In een gesprek op 6 februari 2025 heeft Transavia [eiser] verteld dat bij een salariscontrole is gebleken dat zijn inschaling bij de promotie naar Captain op 8 juli 2024 niet juist is gegaan conform het protocol.
Volgens Transavia had [eiser] toen in trede 12 in plaats van trede 13 ingeschaald moeten worden, waardoor er vanaf 8 juli 2024 teveel salaris is uitgekeerd. Transavia heeft te kennen gegeven dat zij graag met [eiser] in gesprek wil over een passende betalingsregeling.
Bij e-mail van 10 februari 2025 heeft [eiser] gereageerd op het verslag dat Transavia van het gesprek op 6 februari 2025 had opgesteld. [eiser] heeft in die e-mail onder meer geschreven dat hij op 8 juli 2024 terecht in trede 13 is ingeschaald en dat hij in juli 2016 terecht van trede 1 naar 2 is gegaan. Hij heeft toegelicht dat hij destijds al een half jaar in dienst was, omdat hij op 2 januari 2016 (1 januari 2016 was iedereen vrij) in plaats van 10 januari 2016 bij Transavia is begonnen.
In de daaropvolgende periode hebben partijen (zowel schriftelijk als mondeling, met en zonder tussenkomst van gemachtigden) standpunten uitgewisseld en gepoogd tot een oplossing van het geschil te komen. Deze pogingen hebben niet tot overeenstemming geleid.
Met ingang van 1 maart 2025 heeft Transavia het salaris van [eiser] aangepast naar functieschaal Captain-trede 12, waarmee zijn bruto basis maandsalaris werd verlaagd van € 12.386,33 naar € 11.989,10. Verder heeft Transavia het in haar ogen teveel betaalde salaris over de maanden januari en februari 2025 met het salaris van maart 2025 verrekend. Transavia heeft [eiser] bevestigd dat zij over de periode vóór 1 januari 2025 geen aanspraak maakt op terugbetaling van het onverschuldigd betaalde salaris (van in totaal € 12.926,72 bruto).
3. Het geschil
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel
mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (I) voor recht verklaart dat [eiser] per 8 juli
2024 is ingeschaald in functiegroep Captain-trede 13 van de cao, (II) Transavia veroordeelt
om jegens [eiser] de arbeidsvoorwaarden na te komen die voortvloeien uit de cao
op basis van de functietrede waarin hij op dat moment behoort te zitten, uitgaande van
Captain-trede 13 per 8 juli 2024 en (III) het achterstallig salaris van 1 januari 2025 tot en
met juni 2026, vermeerderd met vakantiegeld, eindejaarsuitkering, ‘bruto toeslag’,
‘pensioentoeslag bas’ en ‘pensioentoeslag bov.’ en alle overige emolumenten aan [eiser]
uitbetaalt, (IV) te vermeerderen met wettelijke verhoging en rente. Verder
vordert [eiser] dat Transavia wordt veroordeeld tot (V) afdracht van
pensioenpremies over de pensioendragende bestanddelen van het achterstallig loon, (VI)
verstrekking van een berekening en bruto/netto specificaties van de te verrichte betalingen,
(VII) vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en (VIII) de proceskosten.
[eiser] legt (samengevat) aan de vordering ten grondslag dat Transavia heeft gehandeld in strijd met de gemaakte afspraak dat [eiser] (als gevolg van zijn promotie naar de functie van Captain) per 8 juli 2024 is ingeschaald in functieschaal Captain-trede 13. [eiser] stelt zich op het standpunt dat Transavia gehouden is tot volledige nakoming van de op 28 juni 2024 gemaakte afspraken. Hij bestrijdt dat hij in trede 12 ingeschaald had moeten worden.
Transavia voert verweer. Transavia concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
Transavia voert (samengevat) het volgende aan. Begin 2025 is gebleken dat Transavia aan [eiser] een onjuiste (salaris)trede heeft gecommuniceerd als gevolg waarvan teveel salaris is betaald. Primair stelt Transavia zich op het standpunt dat zij niet kan worden gehouden een fout te blijven toepassen. Subsidiair doet Transavia een beroep op nietigheid van de afspraak wegens strijd met de standaard-cao (artikel 12 WCAO). Meer subsidiair doet Transavia een beroep op dwaling en vernietigt zij de afspraak.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kern van het geschil is of [eiser] vanaf 1 maart 2025 aanspraak kan (blijven) maken op een inschaling (en beloning) gebaseerd op Captain-trede 13 per 8 juli 2024.
Vanaf 1 maart 2025 geen aanspraak op inschaling (en betaling) in trede 13
De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en licht haar oordeel hieronder toe.
De grondslag van de vordering van [eiser] is nakoming van de op 28 juni 2024 met Transavia gemaakte afspraak dat hij per 8 juli 2024 wordt ingedeeld in functieschaal Captain-trede 13.
Transavia stelt zich op het standpunt dat aan [eiser] een onjuiste salaristrede is gecommuniceerd doordat [eiser] per 8 juli 2024 foutief in Captain-trede 13 is ingeschaald. Dit had trede-12 moeten zijn. De fout is begin februari 2025 bij een salariscontrole ontdekt doordat er korte tijd na de promotie van [eiser] een ander groepje vliegers promoveerde naar de Captain functie en toen bleek dat [eiser] in een hogere trede zat dan die andere vliegers. Dat is toen uitgezocht en uiteindelijk is gebleken dat de foutieve inschaling per 8 juli 2024 het gevolg is van het ‘voortborduren’ op een eerdere fout bij de inschaling van [eiser] per 1 juli 2016. [eiser] is toen ingeschaald in FO-trede 2, terwijl hij op 1 juli 2016 nog niet voldeed aan de cao-voorwaarden daarvoor. Bij de inschaling bij de promotie per 8 juli 2024 is vervolgens ten onrechte uitgegaan van de FO-trede gebaseerd op die foutief toegekende FO-trede 2 per 1 juli 2016, aldus nog steeds Transavia.
[eiser] betwist dat sprake is geweest van een fout. [eiser] heeft onder meer het standpunt ingenomen dat hij al per 1 januari 2016 bij Transavia in dienst is getreden. Daardoor zou hij in juli 2016 al een half jaar in actieve dienst zijn geweest en op grond van de cao terecht van trede 1 naar trede 2 zijn gegaan. Ter zitting heeft [eiser] daaraan toegevoegd dat Transavia in 2016 bewust heeft besloten hem in FO-trede 2 te plaatsen op basis van haar eigen salarisadministratie en schaal beoordeling nadat intern was gecontroleerd dat de eerdere inschaling correctie behoefde. Vervolgens is zijn hele dienstverband op die inschaling voortgebouwd en heeft Transavia bij de promotie in 2024 opnieuw schriftelijk bevestigd dat hij per 8 juli 2024 zou worden ingeschaald in Captain-trede 13.
Dat was geen vrijblijvende mededeling maar een bevestiging van primaire arbeidsvoorwaarden waarop een werknemer gerechtvaardigd moet kunnen vertrouwen, aldus nog steeds [eiser] .
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Het is niet in geschil dat de tussen partijen geldende cao, waarmee [eiser] via een incorporatiebeding heeft ingestemd, een standaard karakter kent. Dit houdt in dat de cao-partijen (en hun leden) aan de cao-afspraken gebonden zijn en dat zij jegens elkaar niet (ten voordele of nadele) van de cao mogen afwijken. Ook is niet in geschil dat de cao een salarishuis bevat, dat de functie-indeling en het salaris van de Transavia-vliegers uitputtend voorschrijft.
[eiser] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat zijn inschaling in trede 2 per 1 juli 2016 conform de cao is. Transavia heeft met succes weerlegd dat [eiser] al vanaf 1 januari 2016 in dienst is. In de arbeidsovereenkomst en op de loonstroken staat 10 januari 2016 als datum in dienst vermeld en na afloop van de overeengekomen bepaalde tijd van vijf maanden, is de arbeidsovereenkomst op 10 juni 2016 voor onbepaalde tijd verlengd (2.4). Niet in geschil is dat [eiser] ook pas vanaf 10 januari 2016 tegen betaling werkzaamheden voor Transavia heeft verricht. Dat hij daarvoor - op 6 en 7 januari 2016 - wel (onbezoldigd) een introductieprogramma heeft doorlopen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij al op 1 januari 2016 bij Transavia in dienst was.
Dat brengt met zich mee dat [eiser] op 1 juli 2016 nog geen zes maanden in actieve dienst was. Daardoor had hij op grond van de cao geen recht op een verhoging naar trede 2 per die datum. De brief van 27 juli 2016 (zie 2.5) waarin aan [eiser] is gecommuniceerd dat hij vanaf 1 juli 2016 een salaris behorende bij FO-trede 2 ontvangt, vormt daarmee een afwijking van de cao. [eiser] heeft terecht naar voren gebracht dat deze afwijking niet op grond van artikel 12 WCao nietig is, aangezien hij geen lid is van de VNV.
[eiser] heeft ter zitting betoogd dat het in 2016 een bewuste keuze/beslissing van Transavia is geweest om hem in juli 2016 trede 2 toe te kennen. Hij heeft toegelicht dat hij in 2016 met drie andere ervaren FO’s bij Transavia heeft gesolliciteerd, waarna er uitgebreid is onderhandeld over de arbeidsvoorwaarden. De vier FO’s, waaronder [eiser] , zijn vervolgens allen in dienst getreden en per 1 juli 2016 in trede 2 geplaatst. Dat gebeurde volgens [eiser] op initiatief van Transavia ‘uit coulance’ en omdat dat ‘de deal was’. Hij had geen enkele aanleiding om aan te nemen dat het een foutje was, omdat hij daar al een half jaar werkte, aldus nog steeds [eiser] .
Transavia betwist dat het destijds een bewuste beslissing/keuze is geweest om [eiser] in afwijking van de cao een hogere trede toe te kennen. Zij heeft (onder meer ter zitting bij monde van haar HR-functionaris [betrokkene] ) toegelicht dat de standaard cao en het daarin opgenomen salarishuis door haar strikt wordt toegepast, dat er nooit met individuele vliegers over arbeidsvoorwaarden wordt onderhandeld omdat de arbeidsvoorwaarden in de cao vastliggen en dat er geen afwijkende afspraken of bijzondere toezeggingen in strijd met de cao worden gemaakt c.q. gedaan. [betrokkene] heeft verder verklaard dat zij nergens heeft kunnen terugvinden dat er met [eiser] een individuele, van de cao afwijkende afspraak zou zijn gemaakt en dat zij er ook niets van weet dat er destijds nog andere FO’s naar trede 2 zijn gegaan.
[eiser] heeft zijn betoog in het licht van de betwisting van Transavia onvoldoende onderbouwd. Zijn verwijzing naar de brief van 27 juli 2016 is onvoldoende, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat Transavia destijds de bedoeling heeft gehad om [eiser] in 2016 méér rechten toe te kennen dan hij op grond van de cao had. Het had op de weg van [eiser] gelegen om nader te onderbouwen (bijvoorbeeld door overlegging van correspondentie over de onderhandelingen bij zijn indiensttreding of verklaringen van de andere FO’s waaraan hij refereerde) dat Transavia hem toen bewust in afwijking van de cao een extra trede (en daarmee salarisverhoging) heeft gegeven, althans dat hij de brief als zodanig heeft mogen opvatten. [eiser] heeft dat echter nagelaten. Hij heeft ook geen concreet bewijsaanbod op dit punt gedaan, zodat er geen aanleiding is voor bewijslevering.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat Transavia bij de inschaling van [eiser] in 2016 een van de cao afwijkende overeenkomst met [eiser] wilde aangaan, en houdt zij het er voor dat sprake is geweest van een vergissing die ertoe heeft geleid dat [eiser] na zijn promotie op 8 juli 2024 opnieuw (foutief) te hoog is ingeschaald.
Van Transavia kan niet worden verlangd dat zij deze foutieve inschaling (en bijbehorende betaling) blijft toepassen. De kantonrechter is van oordeel dat Transavia het salaris per 1 maart 2025 mocht aanpassen aan de juiste, cao-conforme functie-indeling. Daarbij zijn de volgende omstandigheden in ogenschouw genomen: dat [eiser] (door ondertekening van het incorporatiebeding) akkoord is gegaan met toepassing van een standaard cao waarin een (dwingend) salarishuis is voorgeschreven, dat Transavia jegens VNV en diens leden op grond van de WCao gehouden is deze cao strikt toe te passen, dat niet is gebleken dat Transavia een van de cao afwijkende overeenkomst wilde aangaan en dat dit ook niet als zodanig kon worden opgevat door [eiser] (die immers bekend is met de cao en het salarishuis), dat er geen rechtvaardiging bestaat om [eiser] méér te blijven betalen dan collega’s met gelijke functie en senioriteit, dat Transavia geen aanspraak maakt op terugbetaling van in voorgaande jaren teveel ontvangen salaris (zie 2.11) en, tot slot, dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] door de aanpassing in zijn salaris (van circa 3% van zijn bassisalaris) in de financiële problemen zal komen.
Achterstallig loon over januari en februari 2025
Transavia heeft het salaris dat over januari en februari 2025 teveel was betaald, van [eiser] teruggevorderd door middel van inhouding op het salaris over maart 2025. De kantonrechter acht deze terugvordering/verrekening in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor is meegewogen dat er tot twee keer toe (in 2016 en vervolgens in 2024) een fout is gemaakt door Transavia, dat het lang heeft geduurd voordat de fout is ontdekt en dat de fout niet zo evident is dat van [eiser] deze (eerder dan Transavia) had moeten ontdekken.
Het voorgaande betekent dat Transavia wordt veroordeeld om het salarisbedrag dat op het salaris van maart 2025 is ingehouden ten behoeve van het teveel betaalde salaris in januari en februari 2025 (eventueel vermeerderd met emolumenten, indien die ook zijn ingehouden) alsnog aan [eiser] uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente hierover. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.
Transavia zal worden veroordeeld tot afdracht van de verschuldigde pensioenpremie over het terug te betalen salaris, voor zover dat op grond van de cao en/of het pensioenreglement als pensioengevend loon kwalificeert.
De vordering om een deugdelijke bruto/netto specificatie van deze terugbetaling te verstrekken wordt eveneens toegewezen. Er bestaat geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden, gelet op de toezegging van Transavia aan de uitspraak gehoor te geven (randnummer 6.10 CvA).
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] voldoende toegelicht dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. De kantonrechter zal Transavia veroordelen om aan [eiser] een vergoeding te betalen in overeenstemming met de onder het Besluit gehanteerde staffel op basis van het door Transavia na te betalen salarisbedrag.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen en de wijze waarop het debat voorafgaand aan de procedure door Transavia is ingestoken, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt Transavia tot betaling aan [eiser] van het achterstallige salaris over januari en februari 2025 dat ten onrechte is ingehouden op het salaris van maart 2025 (vermeerderd met achterstallige emolumenten indien die ook zijn ingehouden), te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt Transavia tot afdracht aan het toepasselijke pensioenfonds van de verschuldigde pensioenpremie over het achterstallig salaris zoals genoemd onder 5.1, voor zover dit op grond van de cao en/of het pensioenreglement als pensioengevend loon kwalificeert;
veroordeelt Transavia om aan [eiser] een bruto/netto specificatie te verstrekken van de betaling genoemd onder 5.1;
veroordeelt Transavia tot betaling aan [eiser] van buitengerechtelijke incassokosten in overeenstemming met de onder het Besluit gehanteerde staffel;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.