ECLI:NL:RBNHO:2026:11156

ECLI:NL:RBNHO:2026:11156

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 15-101958-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.616 gram cocaïne. Afwijken van LOVS gelet op persoonlijke omstandigheden. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 9 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-101958-26 (P)

Uitspraakdatum: 20 augustus 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Sobering, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, te weten het opzettelijk in Nederland invoeren van cocaïne.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:

- een proces-verbaal van verhoor van 6 april 2026, pagina 21 tot en met 31;

- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 10 april 2026, pagina 38 tot en met 42;

- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 14 april 2026, met als bijlagen de rapporten NFiDENT van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 april 2026 (aanvullend procesdossier, pagina 2 tot en met 7).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 5 april 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging nadrukkelijk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en deze in matigende zin te betrekken. In dat kader heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte twee kinderen heeft die bijzondere zorg nodig hebben, dat hij een baan heeft in Curaçao, een blanco strafblad heeft en dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1.616 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van de gebruikers daarvan schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van zodanige aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder strafbare feiten gepleegd door gebruikers ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verspreiding van en de handel in harddrugs, alsmede de invoer daarvan, worden daarom krachtig bestreden.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte, van 8 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en de rechtbank weegt het strafblad dan ook niet in het nadeel van de verdachte mee.

Op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij de invoer van anderhalf tot twee kilogram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 tot 24 maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om ten voordele van de verdachte van genoemd uitgangspunt af te wijken. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij kostwinnaar is en de zorg heeft over vijf kinderen. Door het wegvallen van inkomsten als gevolg van de detentie is zijn gezin de woning kwijtgeraakt en kan de bijzondere zorg voor twee van zijn kinderen niet langer worden bekostigd. De rechtbank acht deze verklaring geloofwaardig, mede gelet op de schriftelijke verklaring van zijn vrouw. Tot slot neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de verdachte uitsluitend een koeriersfunctie heeft vervuld bij de invoer van de cocaïne. De op te leggen straf zal daarom lager uitvallen dan door de officier van justitie ter terechtzitting gevorderd.

Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest, passend.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A. Groenendijk, voorzitter,

mr. A.K. Korteweg en mr. S.H. Bouwers, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers, mr. S.D.C. Schoenmaker en mr. J.J.M. Luiten,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.A. Groenendijk
  • mr. A.K. Korteweg
  • mr. S.H. Bouwers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand