[verzoekster] , uit Heemskerk, verzoekster
(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, het college
(gemachtigden: mr. L.M. Offerman en M.J.C. Hensen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Los van de vraag of sprake is van een spoedeisend belang heeft het bezwaar naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Inleiding
2.
Verzoekster heeft vanaf 1 juni 2018 een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) van het college ontvangen. Uit onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstandsuitkering is volgens het college – samengevat – gebleken dat verzoekster niet heeft gemeld dat zij:- over meerdere bankrekeningen kon beschikken;- (via Outland Events) werkzaamheden verrichte op opdrachtbasis voor derden waarvoor verzoekster factureerde;- geen urenregistratie of boekhouding heeft overgelegd van haar bedrijfsactiviteiten;- in het buitenland verbleef zonder het college akkoord te vragen;- scholing heeft gevolgd zonder akkoord te vragen;- een gedeelte van een erfenis heeft ontvangen; en- een boot naast haar huis heeft opgeslagen, waarvan zij de eigenaar niet kenbaar kan maken.
Voorafgaand aan deze procedure heeft het college het recht op bijstand van verzoekster bij besluit van 19 februari 2026 ingetrokken omdat wegens schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Bij besluit van 9 april 2026 heeft het college € 82.956,88 bruto van verzoekster teruggevorderd. Verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Deze besluiten liggen hier niet voor.
In de tussentijd, op 19 maart 2026, heeft verzoekster een nieuwe aanvraag voor bijstand ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het college verzoekster bij brief van 27 maart 2026 om aanvullende informatie verzocht. Gevraagd is om voor 10 april 2026 – samengevat – de volgende gegevens te overleggen:- een volledige en sluitende urenregistratie waarin per dag aangegeven is welke activiteit is verricht in het kader van de onderneming van verzoekster per 1 januari 2026 tot en met heden;- Alle vanaf 1 januari 2026 gedane btw aangiften en de volledige bedrijfsadministratie;- Openstaande nog niet betaalde facturen en of opdrachten vanaf 1 januari 2025;- De bankafschriften van alle privé, spaar- en zakelijke rekeningen waaronder 5 specifieke rekeningen;- schriftelijke verifieerbare stukken waaruit blijkt van welke financiële middelen verzoekster vanaf 10 februari 2026 heeft geleefd; - Aankoopovereenkomst en aanverwante documenten ten aanzien van een naast het huis opgeslagen boot, het registratienummer schriftelijke verifieerbare stukken over het eigenaarschap van de boot en een officieel taxatierapport van de huidige waarde.
Verzoekster heeft een schriftelijke verklaring inzake de boot overgelegd en afschriften van twee van de vijf gevraagde rekeningnummers.
Op 10 april 2026 heeft het college verzoekster verzocht om voor 17 april 2026 de ontbrekende informatie te overleggen. Daarbij is uiteengezet welke informatie verzoekster dient te overleggen.
Bij besluit van 24 april 2026 (het primaire besluit) heeft het college vervolgens de aanvraag van verzoekster afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster - ondanks herhaald verzoek - de benodigde informatie niet heeft overgelegd. Daardoor kan de woon- leef- en financiële situatie niet worden beoordeeld en is het niet mogelijk vast te stellen of zij in bijstandsbehoeftige omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid van de PW verkeert. Het recht op bijstand kan als gevolg van de schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting niet worden vastgesteld. Hiertegen heeft verzoekster op 5 mei 2026 bezwaar gemaakt.
Op 11 mei 2026 heeft verzoekster opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter op 3 juni 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen in verband met de afwijzing van haar aanvraag.
Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft op 29 juni 2026 aanvullende informatie overgelegd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
Standpunten verzoekster
Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter het besluit van 24 april 2026 te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar en het college op te dragen een voorschot op de bijstandsuitkering te verstrekken, dan wel een andere passende voorlopige voorziening te treffen.
Zij stelt daartoe een spoedeisend belang te hebben. Er is sprake van acute financiële nood. Uitstel van inkomensondersteuning leidt tot ernstige en mogelijk onherstelbare gevolgen. Zij heeft ter onderbouwing een brief van de gerechtsdeurwaarder van 19 juni 2026 betreffende de huurwoning van verzoekster overgelegd waarin staat dat zij voor 29 juni 2026 € 776,01 dient te voldoen.
Volgens verzoekster zal het primaire besluit in bezwaar naar verwachting geen stand kunnen houden. Zij stelt dat zij voor zover redelijkerwijs mogelijk medewerking heeft verleend en de relevante stukken te hebben overlegd. Het opvragen van aanvullende gegevens over niet bestaande bedrijfsactiviteiten na uitschrijving van haar onderneming is onredelijk en voor de beoordeling van haar aanvraag niet relevant. Zij stelt te voldoen aan de voorwaarden voor bijstandsverlening. Zij heeft de informatie, die zij naar aanleiding van haar aanvraag van 11 mei 2026 aan het college heeft gestuurd, hier overgelegd. Dit betreft bankafschriften van een Rabobankrekening van 1 januari 2026 tot en met 1 juni 2026 en van een ABN rekening met eindcijfers 709 over de periode van 1 januari 2026 tot en met 10 juni 2026 en een verklaring van [naam] van 27 maart 2026 met betrekking tot de boot die bij het huis van verzoekster staat. Standpunten van het college
1. Volgens het college is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft onvoldoende aangetoond dat zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Het recht op bijstand kan niet vastgesteld worden. Bij eerder onderzoek zijn meerdere bankrekeningen naar voren gekomen. Zij heeft geen inzage gegeven in de bankrekeningen die zijn gekoppeld aan haar bedrijfsmatige activiteiten. Om deze informatie is terecht gevraagd. Het college heeft ter onderbouwing een factuur van de onderneming van verzoekster van 30 april 2025 bijgevoegd. De factuur is van na de datum van uitschrijving uit de KvK en daarop staat een Duits bankrekeningnummer vermeld. De gevraagde afschriften van bijvoorbeeld deze rekening zijn niet ontvangen. Ook is geen bewijs van sluiting van deze bankrekening ontvangen. Dit geldt ook voor andere bankrekeningen. Verder verwijst het college naar de rapportage die ten grondslag ligt aan het besluit om de bijstand in te trekken en het verslag van het gesprek met verzoekster op 7 juli 2025. Daaruit volgt dat er sprake is van bankrekeningen die op naam van verzoekster, dan wel haar onderneming staan of stonden. Ter zitting is er nog op gewezen dat op genoemde factuur opdrachten staan vermeld op data gelegen nà de uitschrijving uit de KvK. Over de werkzaamheden, facturen en de diverse bankrekeningen wordt geen duidelijkheid verstrekt, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Nog los van het feit dat verzoekster haar stelling dat op dit moment sprake is van een financiële noodsituatie niet heeft onderbouwd (anders dan met één aanmaning voor de huur van juni 2026) heeft het bezwaar van verzoekster naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter naar de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen. Daartoe overweegt zij het volgende.
6. Als uitgangspunt geldt dat de aanvrager van bijstand aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op bijstand. De onderbouwing en de bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust in beginsel op de aanvrager. Dit betekent dat verzoekster feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken dat zij recht heeft op een bijstandsuitkering. Zo dient verzoekster ook stukken te verstrekken die duidelijkheid geven over haar financiële situatie. Daarbij is het niet aan verzoekster om te bepalen welke stukken voldoende zijn voor de beoordeling. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat het college de inlichtingen van verzoekster op juistheid en volledigheid moet controleren en daartoe benodigde stukken opvraagt. Indien de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college verzoekster in het kader van zijn onderzoeksplicht terecht om de hieronder onder 2.3 vermelde informatie gevraagd. Het standpunt van verzoekster dat ten onrechte om informatie is verzocht van een periode (te) ver in het verleden volgt de voorzieningenrechter vooralsnog niet. Reeds uit de factuur van 30 april 2025 volgt dat verzoekster voor haar onderneming ook na de uitschrijving uit de KvK nog werkzaamheden heeft verricht. Daarnaast volgt uit de door het college zelf verkregen facturen dat verzoekster gebruik maakte van meerdere bankrekeningen. Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft verzoekster geen duidelijkheid over de ondernemingsactiviteiten en een aantal van de bankrekening verschaft. Het college is bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van een periode van drie maanden. Maar er kunnen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat gegevens over een verder in het verleden liggende periode worden opgevraagd.Gelet op onder meer de in de voorliggende periode als gevolg van schending van de inlichtingenplicht ontstane onduidelijkheid over de financiële situatie van verzoekster, en de omstandigheid dat de bedrijfsactiviteiten na uitschrijving uit de KvK lijken te zijn gecontinueerd, acht de voorzieningenrechter het opvragen van informatie over een langere periode dan drie maanden voorafgaand aan de bijstandsaanvraag in dit geval gerechtvaardigd.
8. Verzoekster is er vooralsnog niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Zo is nog niet of nauwelijks informatie bekend geworden over hoe zij in haar levensonderhoud voorziet en heeft voorzien. De stelling van verzoekster dat zij thans rond moet komen van enkel toeslagen die zij krijgt heeft, afgezet tegen de vaste lasten van verzoekster, bij het college terecht vragen opgeworpen en is verder niet onderbouwd.
9. Ook ontbreekt vooralsnog relevante informatie met betrekking tot de bankrekeningen, zowel alle gevraagde bankafschriften en/of verklaringen over vermeende opzeggingen van rekeningen. De enkele stelling van verzoekster dat zij deze niet kan overleggen is onvoldoende. Ook de stelling dat de ABN rekening met eindcijfers 4970 haar niet bekend is leidt vooralsnog niet tot een ander oordeel. Het college heeft aangevoerd dat dit rekeningnummer op facturen van het bedrijf van verzoekster is aangetroffen. Voor zover het voor verzoekster niet duidelijk was waar het college dit rekeningnummer vandaan had, had daarover vragen gesteld kunnen worden en had zij vervolgens over die rekening duidelijkheid kunnen verschaffen. De vlak voor de zitting aan het dossier toegevoegde verklaring van ene [naam] over de boot, is in de huidige versie niet verifieerbaar en acht de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende om daaraan in dit stadium de waarde aan te hechten die verzoekster daaraan wenst te hechten. Ten aanzien van de activiteiten van de onderneming geldt dat verzoekster vooralsnog geen informatie heeft verstrekt anders dan de mededeling dat de onderneming per 1 april 2025 is uitgeschreven uit de KvK. De door het college aangetroffen en overgelegde factuur, met daarop vijf opdrachten verricht in april 2025 – hetgeen verzoekster niet heeft weersproken –wijst veeleer op een continuering van de activiteiten. Verzoekster heeft in het geheel geen administratie van haar bedrijf overhandigd aan het college, ook niet over de staking daarvan. Het college heeft hierover terecht meer informatie opgevraagd. De stelling van verzoekster dat er behalve de door het college zelf achterhaalde facturen geen enkele vorm van administratie meer bestaat komt vooralsnog weinig aannemelijk voor. Zij zal immers ook voor de belastingdienst administratie, waaronder facturen, moeten hebben. Verzoekster heeft ter zitting aangevoerd dat zij geconfronteerd was met waterschade, welke bij doorvragen drie tot vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. Dat de laptop (tot twee keer toe) kapot zou zijn gegooid, is nog geen verklaring voor het ontbreken van enige vorm van administratie, daar waar eind april 2025 wel een factuur kon worden verzonden. Zo is ook niet aannemelijk gemaakt dat daarbij de informatie op de harde schijf verloren zou zijn gegaan.
10. Zolang verzoekster niet met de gevraagde duidelijkheid komt, waarbij herhaald wordt dat zij als aanvrager een inlichtingen- en medewerkingsplicht heeft, zal het besluit tot afwijzing van de aanvraag naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar stand kunnen houden. Aan het ter zitting gedane aanbod tot indiening van nadere stukken gaat de voorzieningenrechter voorbij. Niet is gebleken dat verzoekster deze informatie niet eerder kon overleggen. Verzoekster kan gedurende de bezwaarprocedure alsnog de gevraagde nadere informatie overleggen, die het college in het kader van de volledige herovering bij de besluitvorming dient te betrekken.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit tot afwijzing van de aanvraag van verzoekster om bijstand niet wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist en het college geen voorschot aan verzoekster hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: