[verzoekster] , uit Alkmaar, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, het college
(gemachtigde: Q. van Zeijl).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verzoekster heeft op 20 mei 2026 (aangevuld op 21 mei 2026) het college verzocht om handhavend op te treden tegen structurele milieuvervuiling, afvaldumping en aantasting van de openbare orde en leefbaarheid van de openbare ruimte direct grenzend aan haar woning en terras op het wooncomplex [adres] in Alkmaar.
Op 8 juli 2026 heeft het college dit verzoek afgewezen omdat tijdens controles geen overtredingen zijn geconstateerd.
Verzoekster heeft hiertegen op 9 juli 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het college zal worden opgedragen een tijdelijke handhavingsmaatregel te treffen ter voorkoming van verder gevaar.
Verzoekster heeft haar verzoek om voorlopige voorziening daarna dagelijks aangevuld.
Op 20 juli 2026 heeft het college de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en met een verweerschrift op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd.
Verzoekster heeft vervolgens op 23 en 27 juli 2026 nog aanvullende informatie overgelegd.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Is geen sprake van een spoedeisend belang, dan kan aanleiding bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. In geval van een afgewezen handhavingsverzoek weegt de voorzieningenrechter in de beoordeling mee dat het opdragen tot handhaving over te gaan, in wezen een voorlopig karakter ontbeert, waartoe in een procedure als de onderhavige in beginsel geen ruimte is.
3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en overweegt daartoe als volgt.Standpunt verzoekster
Volgens verzoekster heeft zij een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening omdat sprake is van een gevaarlijke situatie. Er is volgens verzoekster al geruime tijd structureel sprake van illegale milieuvervuiling en afvaldump van zowel regulier afval als grofvuil. Verzoekster stelt dat er in de afgelopen periode in de haar directe omgeving steeds zware voorwerpen zijn aangetroffen die vermoedelijk van hoge hoogte naar beneden zijn gegooid. Er is gelet hierop volgens haar een reëel en actueel risico op ernstig lichamelijk letsel voor bewoners, bezoekers en passanten van haar wooncomplex. De door het college gevolgde aanpak is onvoldoende effectief geweest om de structurele overtredingen te beëindigen en het gevaar te doen stoppen. Zonder voorlopige voorziening zal de gevaarlijke situatie voortduren. Gelet op het risico dat opnieuw zware voorwerpen worden gedumpt of van vermoedelijk grote hoogte naar beneden komen vallen weegt haar belang volgens haar zwaarder dan dat van het college.
Haar bezwaar heeft volgens verzoekster een redelijke kans van slagen. Zij stelt dat het besluit tot afwijzing van haar verzoek om handhaving niet zorgvuldig tot stand gekomen is en onvoldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken op welke concrete feiten en bevindingen de afwijzing is gebaseerd en welke beoordeling daaraan ten grondslag ligt. Evenmin is gebleken welke concrete wettelijke bepalingen hieraan ten grondslag zijn gelegd. Ook is niet gebleken dat er onderzoek of inspectie heeft plaatsgevonden. Haar verzoek om handhaving ziet op de structureel terugkerende situatie en niet uitsluitend op één afvaldumping. Het besluit gaat hier volgens haar onvoldoende op in.
Stanpunt van het college
4.
Het college stelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Niet is gebleken dat sprake is van een acute of onomkeerbare situatie. Het college begrijpt dat verzoekster overlast ervaart van afval dat volgens haar met regelmaat wordt aangetroffen in de omgeving van haar woning. Er zijn echter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van een situatie die onmiddellijke rechterlijke interventie noodzakelijk maakt. Het college neemt daarbij in aanmerking dat eventueel aangetroffen afval via de daarvoor bestaande meldings- en schoonmaakprocessen wordt afgehandeld. Verzoekster beschouwt de door haar ervaren overlast als structureel en langdurig, tegen deze achtergrond ziet het college evenmin in waarom de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
Volgens het college is verder op goede gronden besloten om niet tot handhaving over te gaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig onderzoek. De meldingen van verzoekster, waaronder ook die van 5 juli 2026, zijn beoordeeld. Er zijn door team handhaving in de periode van januari 2026 tot en met mei 2026 vier controles uitgevoerd. Hierbij zijn geen overtredingen geconstateerd die aanleiding gaven tot handhavend optreden. Op 13 juni 2026 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden, waarbij ook geen overtredingen zijn geconstateerd. De door verzoekster overgelegde foto’s maken dit niet anders. Hieruit volgt namelijk niet dat er ten tijde van de controles sprake was van een overtreding. Ook kan op basis van deze foto’s niet worden vastgesteld wie verantwoordelijk is voor het achterlaten van het afval. Er bestond dan ook geen grondslag voor handhavend optreden. Het college begrijpt dat verzoekster de situatie als structureel ervaart. Voor bestuursrechtelijk handhavend optreden moet echter wel een concrete overtreding kunnen worden vastgesteld en daarvan is tijdens de controles niet gebleken. Dat volgens verzoekster sprake is van een terugkerend probleem, betekent niet dat er zonder geconstateerde overtreding of aanwijsbare overtreder handhavend kan worden opgetreden.
Oordeel voorzieningenrechter
5.
Uit wat verzoekster heeft aangevoerd kan volgens de voorzieningenrechter niet worden opgemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81, eerste lid, Awb. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekster frustrerend is dat er afval achter gelaten wordt, maar zij kan daarvan melding doen waarna het wordt verwijderd. Daarmee is nog niet onderbouwd dat er sprake is van een acute of onomkeerbare situatie die tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening moet leiden. Ook overweegt de voorzieningenrechte dat de locatie regelmatig wordt meegenomen tijdens de reguliere surveillance. Dat omwille van haar veiligheid en die van omstanders sprake zou zijn van een spoedeisend belang is door verzoekster verder niet aannemelijk gemaakt.
Van een evident onrechtmatige beslissing is de voorzieningenrechter evenmin gebleken. Vooralsnog kan het besluit van het college om niet tot handhavend optreden over te gaan nu tijdens de controles geen overtreding is geconstateerd worden gevolgd.
Conclusie en gevolgen
Er is geen spoedeisend belang en daarom is het verzoek (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af en treft geen voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: