ECLI:NL:RBNHO:2026:11162

ECLI:NL:RBNHO:2026:11162

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer HAA 26/3738 en HAA 26/3957
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Beroep wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning gegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

[eiseres] , uit Hoorn, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn(gemachtigde: mr. H.E. Nieman)

Inleiding

In deze uitspraak beoordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter respectievelijk het beroep dat eiseres heeft ingesteld en het verzoek om voorlopige voorziening dat zij heeft ingediend, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar melding van 6 november 2025 en daaropvolgende aanvraag van 19 februari 2026 voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

Op 13 mei 2026 heeft het college van eiseres een ingebrekestelling ontvangen.

Op 5 juni 2026 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen. Op 30 juni 2026 heeft het college dit besluit ingetrokken en de aanvraag opnieuw in behandeling genomen.

Op 22 juli 2026 heeft eiseres onderhavig beroep ingesteld. Op 7 augustus 2026 heeft zij de voorzieningenrechter hangende dit beroep verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op 31 juli 2026 heeft het college een dwangsombesluit genomen en een maximale dwangsom aan eiseres toegekend van € 1.442,--.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarna een nader stuk ingediend.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank op het beroep en de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maken dat mogelijk.

Standpunten van partijen

2.

Eiseres stelt zich in beroep – samengevat – op het standpunt dat het college tot op heden niet heeft beslist op haar aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo. Zij verzoekt de rechtbank om het college op te dragen binnen één dag na de uitspraak alsnog te beslissen op haar aanvraag en hieraan een dwangsom te verbinden voor elke dag dat er te laat wordt beslist. Verder verzoekt zij de maximale hoogte van de gemeentelijke dwangsom vast te stellen en het college te veroordelen in de proceskosten en tot terugbetaling van het griffierecht en een schadevergoeding toe te kennen.

Zij verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Zij heeft op dit moment geen toereikende vervoersvoorziening terwijl zij deze met spoed nodig heeft om onder andere haar zoontje van en naar school te kunnen brengen. Zonder besluit van het college kan eiseres geen verdere stappen ondernemen, zoals het benaderen van stichtingen voor hulp.

3. Het college stelt dat eiseres terecht heeft geklaagd over de te lange afhandelingsduur van haar aanvraag. Er is wel steeds actie ondernomen door het college. Het is op het punt van de aanvraag voor de vervoersvoorziening nog niet mogelijk om een beslissing te nemen omdat nog wordt gewacht op een aanvullend advies van MedTadvies. Het college geeft aan hier zo veel mogelijk spoed achter te zetten.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

4.

Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene het bestuursorgaan per brief laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag. Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

Het college heeft van eiseres op 13 mei 2026 een ingebrekestelling ontvangen en sindsdien zijn twee weken verstreken. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn op het moment van de ingebrekestelling was verstreken. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

Omdat, voor zover bij de rechtbank bekend, het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die noodzaken tot het stellen van een kortere termijn in afwijking van deze hoofdregel.

De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,-- moet betalen voor elke dag waarmee de door de rechtbank gestelde beslistermijn wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,--.

Het college heeft reeds de maximale bestuurlijke dwangsom vastgesteld en aan eiseres overgemaakt. Aan het verzoek van eiseres tot vaststelling daarvan gaat de rechtbank dan ook voorbij.

5. Reeds omdat de rechtbank op het beroep beslist, bestaat geen grond voor de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 4.4 genoemde dwangsom wordt opgelegd. Bij deze uitkomst wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

7. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht voor het beroep aan eiseres vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af. Eiseres heeft immers niet concreet onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,-- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-- ;

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet of hoger beroep

Als partijen het niet eens zijn met de uitspraak van de rechtbank op het beroep kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter staat geen verzet of hoger beroep open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. drs. J. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand