[eiser] , uit Julianadorp, eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder,(gemachtigde: J. Postma).
Inleiding
In deze uitspraak beoordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter respectievelijk het beroep dat eiser heeft ingesteld en het verzoek om voorlopige voorziening dat hij heeft ingediend, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn melding van 21 april 2026 en daaropvolgende door hem op 13 juni 2026 per e-mail op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) ingediende aanvraag voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding.
Op 30 juni 2026 heeft eiser het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 13 juni 2026.
Op 16 juli 2026 heeft eiser onderhavig beroep ingesteld en de voorzieningenrechter hangende dit beroep verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 22 en 23 juli 2016 heeft het college gereageerd en de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 23, 25 en 31 juli 2026 heeft eiser een aanvullende toelichting en documenten ingediend. Op 6 augustus 2026 heeft het college gereageerd.
Op 7 augustus 2026 heeft eiser een uitnodiging van 5 augustus 2026 van het college voor een gesprek op 13 augustus 2016 op het stadhuis overgelegd. Daarnaast heeft hij een besluit van het college van 8 augustus 2026 overgelegd waarin het college eiser heeft laten weten dat er geen aanvraagformulier bekend is, waarnaar hij in zijn ingebrekestelling verwijst. De ingebrekestelling is volgens het college dan ook onjuist of onvolledig ingevuld.
Eiser heeft op 12 augustus 2026 de rechtbank gemeld dat hij onmogelijk mee kan gaan in voornoemde correspondentie.
Omvang van het geding
2.
De rechtbank overweegt allereerst dat het door eiser van het college ontvangen schrijven van 8 augustus 2026, gelet op de inhoud, moet worden beschouwd als een beslissing om niet over te gaan tot toekenning van een dwangsom omdat op het moment van ingebrekestelling nog geen aanvraag was ingediend middels het volgens het college daartoe bestemde formulier.
Voorts overweegt de rechtbank dat het beroep van eiser wegens het niet tijdig beslissen met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 4:19 van de Awb mede wordt geacht te zijn gericht tegen het niet toekennen van de bestuurlijke dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank op het beroep en de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 en artikel 8:83, derde lid, van de Awb maken dat mogelijk. Hierna leggen de rechtbank en de voorzieningenrechter uit waarom zij dit vinden.
Standpunten van partijen
3.
Eiser stelt zich in beroep – samengevat – op het standpunt dat het college tot op heden niet heeft beslist op zijn aanvraag voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo. De beslistermijn is op 29 juni 2026 verstreken. Het college heeft ondanks diverse hulpvragen op geen enkele wijze contact met hem opgenomen. Op zijn ingebrekestelling is binnen de hersteltermijn van twee weken niet gereageerd. De gemeente weigert volgens hem te beslissen of te communiceren. Hij kan zich verder niet verenigen met het besluit van het college van 8 augustus 2026.
Hij verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Er is volgens hem sprake van ernstige medische en cognitieve beperkingen gecombineerd met de zorg voor minderjarige kinderen. De situatie thuis is onhoudbaar. Er is wegens het uitblijven van een beslissing sprake van een acute noodsituatie. Hij verzoekt de voorzieningenrechter het college op te dragen om per direct adequate tijdelijke ondersteuning te verlenen in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak.
4. De rechtbank begrijpt het standpunt van het college aldus dat het nog niet in gebreke zou zijn om te beslissen omdat een op de juiste wijze ingediende aanvraag ontbreekt.
Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter
5.
Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat eiser, na zijn melding van 21 april 2026, conform het bepaalde in artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo, op 13 juni 2026 een aanvraag voor maatwerkvoorzieningen heeft ingediend. Niet bestreden is verder dat het college deze aanvraag per e-mail heeft ontvangen. Indien het college van mening was dat eiser zijn aanvraag niet op deze wijze kon indienen, had het in de rede gelegen eiser daar (veel) eerder dan op 8 augustus 2026 van op de hoogte te stellen, temeer nu eiser het college reeds op 30 juni 2026 in gebreke heeft gesteld. Dat een aanvraag niet overeenkomstig een daartoe vastgesteld formulier is ingediend of anderszins gebrekkig is, neemt op zichzelf niet weg dat sprake is van een aanvraag. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is immers reeds sprake van een aanvraag bij een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.
Het voorgaande leidt ertoe dat eiser op 30 juni 2026 een geldige ingebrekestelling heeft gestuurd. Op dat moment was de beslistermijn van het college verstreken. Sindsdien zijn er twee weken verstreken. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is daarom kennelijk gegrond.
Omdat, voor zover bij de rechtbank bekend, het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die noodzaken tot het stellen van een kortere termijn in afwijking van deze hoofdregel.
De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,-- moet betalen voor elke dag waarmee de door de rechtbank gestelde beslistermijn wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,--.
Uit rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2. volgt verder dat het tegen het besluit van 8 augustus 2026 gerichte beroep ook kennelijk gegrond is. Het besluit van 8 augustus 2026 dient te worden vernietigd. Nu nog niet duidelijk is wanneer het college zal beslissen op de aanvraag van eiser en de maximale termijn waarover de dwangsom verschuldigd kan zijn nog niet is verstreken kan de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet zelf vaststellen. Het college zal hierover dan ook nog binnen de daarvoor geldende termijn een nieuwe beslissing moeten nemen.
6. Reeds omdat de rechtbank op het beroep beslist, bestaat geen grond voor de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 5.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5.4 genoemde dwangsom wordt opgelegd. Verder betekent dit dat het besluit van 8 augustus 2026 wordt vernietigd en dat het college een nieuwe beslissing over de toekenning van een dwangsom aan eiser moet nemen. Bij deze uitkomst wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht voor het beroep aan eiser vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,-- aan eiser moet vergoeden.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet of hoger beroep
Als partijen het niet eens zijn met de uitspraak van de rechtbank op het beroep kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter staat geen verzet of hoger beroep open.