RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Schadevergoeding ex art. 10:12 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
zaak-/rekestnr.: C/15/368603 / FA RK 25-4192
beschikking van de meervoudige kamer van 26 augustus 2026
op het ingediende verzoekschrift van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] op [plaats] ,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. R.J. Wortelboer te Heerhugowaard,
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding ten laste van
de Staat der Nederlanden,
in dit geval vertegenwoordigd door
het Openbaar Ministerie, gevestigd te Haarlem,
hierna ook te noemen: de verweerder.
1. Procedure
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 18 augustus 2025 met bijlagen;
- de e-mailberichten van de advocaat van betrokkene van 22 en 24 oktober 2025;
- een verklaring niet voorkomen in het curatele- en bewindregister van betrokkene van 18 augustus 2025;
- het e-mailbericht van de officier van justitie van 27 november 2025;
- de door de advocaat van de betrokkene ter zitting overgelegde correspondentie van 23 april 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 december 2025, in het gerechtsgebouw van de rechtbank.
Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- namens betrokkene, zijn advocaat;
- namens het Openbaar Ministerie (OM), officier van justitie [officier van justitie] .
Namens GGZ Noord-Holland Noord (GGZ NHN) is, hoewel daartoe opgeroepen, niemand verschenen.
De advocaat van de betrokkene heeft op 24 oktober 2025 per e-mail laten weten dat de betrokkene niet ter zitting zal verschijnen vanwege het ontbreken van vervoer naar de rechtbank. De betrokkene is ermee akkoord dat zijn advocaat namens hem het woord zal voeren.
De rechtbank heeft met instemming van partijen op de zitting van 8 december 2025 besloten de beslissing op het verzoek aan te houden tot na de beslissing van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het gerechtshof) in de zaak 200.345.033/01.
Het gerechtshof heeft op 9 juni 2026 beslist in voornoemde zaak.
De rechtbank heeft de (geanonimiseerde versie van de) beslissing van het gerechtshof op 9 juni 2026 met partijen gedeeld en hen in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 17 juni 2026 schriftelijk te reageren op deze beslissing van het hof en daarbij ook aan te geven welke verdere procesgang zij wensen. Op verzoek van partijen heeft de rechtbank het proces-verbaal van de behandeling ter zitting op 8 december 2025 aan hen verstrekt en de reactietermijn verlengd tot 23 juni 2026.
De officier van justitie heeft op 17 juni 2026 per e-mail gereageerd en aangegeven dat kan worden volstaan met deze schriftelijke ronde. De advocaat van betrokkene heeft op 21 juni 2026 per e-mail gereageerd en ook aangegeven geen behoefte te hebben aan een verdere behandeling ter zitting. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2026 aan partijen laten weten dat er geen nadere zitting meer zal worden bepaald en dat de beslissing op het verzoek medio of eind augustus 2026 zal volgen.
2. Feiten
De rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2024 ten behoeve van betrokkene een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden verleend, te weten tot en met 13 juni 2025.
Betrokkene heeft bij brief van 13 februari 2025 aan de geneesheer-directeur verzocht om de verplichte zorg te beëindigen.
De geneesheer-directeur heeft bij brief van 10 maart 2025 geantwoord niet aan dit verzoek te voldoen.
De advocaat van betrokkene heeft op 14 maart 2025 aan de officier van justitie verzocht een verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen dat strekt tot beëindiging van de verplichte zorg voor betrokkene.
De officier van justitie heeft dit verzoekschrift op 6 juni 2025 bij de rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft dit verzoekschrift bij beschikking van 25 juni 2025 afgewezen en in dezelfde beschikking een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, te weten tot en met 25 juni 2026.
3. Het verzoek
Betrokkene verzoekt ten laste van de Staat hem een vergoeding toe te kennen van in totaal € 760,-.
Volgens betrokkene heeft de officier van justitie niet onverwijld het verzoek tot beëindiging bij de rechtbank ingediend, zoals artikel 8:19 lid 3 Wvggz voorschrijft. Betrokkene stelt dat de officier van justitie in elk geval vanaf 22 maart 2025 in verzuim is geweest, wat neerkomt op een termijnoverschrijding van 76 dagen.
Volgens betrokkene heeft de wetgever de tweede volzin van artikel 8:18 lid 3 Wvggz bedoeld voor alle situaties die niet onder de eerste volzin van dit lid vallen, waaronder de huidige situatie. Een geneesheer-directeur dient zich dan ook door een onafhankelijke psychiater in een medische verklaring te laten voorlichten over de actuele gezondheidstoestand van een betrokkene voordat een afwijzende beslissing op een verzoek tot beëindiging van verplichte zorg wordt genomen. Dit maakt ook dat in artikel 8:19 lid 3 Wvggz over ’de’ medische verklaring wordt gesproken in plaats van over ’een’ medische verklaring. In dit kader wijst betrokkene ook op Jurisprudentie Gedwongen zorg, aflevering 4 van 2024, nummer 81 (ECLI:NL:RBNNE:2024:2961 m.nt. van mr. drs. F. Westenberg).
Uit de brief van de geneesheer-directeur [de geneesheer-directeur] van 10 maart 2025 blijkt ook dat zij zich ten behoeve van haar beslissing op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene middels een medische verklaring van een psychiater. Er was dus voorafgaand aan de beslissing van de geneesheer-directeur op het verzoek tot beëindiging van de verplichte zorg reeds een medische verklaring opgesteld in lijn met het bepaalde in artikel 8:18 lid 3, tweede volzin, Wvggz.
Op basis van de aangehaalde jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat voor de invulling van het begrip ‘onverwijld’ een termijn van maximaal zeven dagen als vertrekpunt kan worden genomen, ’behoudens andersluidende informatie.’
De officier van justitie heeft erkend dat hij het verzoek van betrokkene heeft ontvangen op 14 maart 2025 en dat er pas op 26 maart 2025 aan GGZ NHN is verzocht een medische verklaring op te stellen. Deze termijn is langer dan zeven dagen, waarmee sprake is geweest van een termijnoverschrijding. Het is de vraag of de inspanningen van het OM tussen 26 maart 2025 en 23 april 2025, inhoudende herhaaldelijke verzoeken om de medische beoordeling te bespoedigen, voldoende zijn geweest om de conclusie te rechtvaardigen dat het OM heeft voldaan aan de wettelijke verantwoordelijkheid om onverwijld een verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen. Dit is aan de rechtbank om te beoordelen. De conclusie van het OM dat de schadeplichtige periode eindigt op 23 april 2025 omdat betrokkene toen niet verscheen op de afspraak om een medische verklaring te laten opstellen, is onterecht. Betrokkene beschikte niet over de financiële middelen om op 23 april 2025 voor de medische beoordeling naar [plaats] te reizen, omdat zijn bewindvoerder daarvoor geen geld beschikbaar had gesteld. De officier van justitie heeft ter zitting van 8 december 2025 gezegd daarvoor begrip te hebben, zodat het niet verschijnen van betrokkene niet als verwijtbaar kan worden gezien. Verder verwijst betrokkene naar ECLI:NL:GHDHA:2022:1403, rechtsoverweging 5.10. In die overweging wordt erop gewezen dat psychiatrische patiënten een kwetsbare groep vormen en dat hun denken en handelen kan worden beïnvloed door de psychische stoornis waaraan zij lijden.
Betrokkene verzoekt conform de oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken een vergoeding van € 10,- per dag. Uit ECLI:NL:HR:2023:504 volgt dat het overschrijden van een termijn door een rechter of officier van justitie tot het uitgangspunt leidt dat een betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. Betrokkene heeft stress, spanning en frustratie ervaren omdat hij langer dan nodig in onzekerheid heeft verkeerd over de vraag of en zo ja, wanneer het OM zou overgaan tot het indienen van een verzoekschrift tot beëindiging van verplichte zorg. Of het verzoek van betrokkene al dan niet kansrijk was, is daarbij volstrekt irrelevant. Overigens heeft het OM kortgeleden laten weten dat de voorbereiding voor een opvolgende zorgmachtiging is gestopt, omdat niet aan de wettelijke criteria werd voldaan.
4. Het verweer
De officier van justitie heeft de rechtbank met klem verzocht een andere invulling te geven aan het begrip ‘onverwijld’ dan namens betrokkene naar voren is gebracht en het verzoek af te wijzen.
Het gerechtshof is in zijn beschikking van 9 juni 2026 van oordeel dat niet zonder meer van het OM kan worden verwacht dat binnen zeven dagen een compleet verzoekschrift inclusief medische verklaring bij de rechtbank wordt ingediend, hoewel voortvarendheid van het OM wel wordt verwacht. Het OM is met betrokkene van oordeel dat in de periode tussen 14 en 26 maart 2025 sprake is geweest van een termijnoverschrijding. Uit de overgelegde tijdlijn blijkt dat het OM daarna veelvuldig contact heeft gehad met GGZ NHN om de voortgang van het opstellen van een medische verklaring te bewaken, zodat deze zaak wezenlijk afwijkt van de zaak die bij het gerechtshof speelde. Het OM meent daarom dat de Staat na 26 maart 2025 niet meer schadeplichtig is. Het OM persisteert bij het standpunt dat de schadeplichtigheid zonder meer eindigt op 23 april 2025, omdat betrokkene toen niet verscheen op de afspraak die tot een medische verklaring had moeten leiden.
Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om bij de vaststelling van een termijnoverschrijding, het bij een constatering daarvan te laten of het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen.
Het verzoek van betrokkene was gelet op zijn voorgeschiedenis immers weinig kansrijk. Het OM betwist dat betrokkene last heeft gehad van spanning en frustratie door het uitblijven van een beslissing, omdat de procedure in artikel 8:19 Wvggz feitelijk als een beroepsprocedure moet worden beschouwd en deze procedures zich in het algemeen kenmerken door de lange duur daarvan, terwijl betrokkene in de tussentijd op basis van een geldige titel verplichte zorg ontving. Verder heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat het begrip ‘onverwijld’ in artikel 8:19 lid 3 Wvggz als knellend wordt ervaren. Artikel 8:18 lid 3 Wvggz leidt ertoe dat de situatie kan ontstaan dat het OM geen medische verklaring ontvangt, maar wel onverwijld het verzoekschrift bij de rechtbank moet indienen. Dat kan dan alleen met ontbrekende stukken, waarmee het probleem simpelweg wordt doorgeschoven naar de rechtbank. Het OM gaat hierbij uit van de lezing van artikel 8:19 lid 3, tweede volzin, Wvggz zoals deze uiteengezet wordt in Jurisprudentie Gedwongen zorg aflevering 4 van 2024, nummer 81 (ECLI:NL:RBNNE:2024:2961 m.nt. van mr. drs. F. Westenberg). Een andere invulling zou namelijk een verhoging van de werklast betekenen voor de toch al schaarse hoeveelheid psychiaters en een aanzuigende werking in de vorm van een verkapt hoger beroep mee kunnen brengen, wat vanuit maatschappelijk perspectief onwenselijk is. Anders dan namens de betrokkene wordt gesteld, beschikte het OM niet over een medische verklaring die op grond van artikel 8:18 lid 3 Wvggz is opgesteld.
5. Beoordeling
Artikel 8:18 lid 1 Wvggz bepaalt onder meer dat de geneesheer-directeur op een daartoe strekkende schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van een betrokkene een beslissing neemt tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging, indien het doel van de verplichte zorg is bereikt of niet langer wordt voldaan aan de criteria voor verplichte zorg. Volgens de tweede volzin van het derde lid van dit artikel neemt de geneesheer-directeur deze beslissing niet eerder dan nadat hij zich door middel van een medische verklaring van een psychiater op de hoogte heeft gesteld van het oordeel van die psychiater over het voornemen om de verplichte zorg te beëindigen en over de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene.
Op grond van artikel 8:19 lid 1 Wvggz kan de betrokkene, indien de geneesheer-directeur afwijzend of niet tijdig beslist op de aanvraag, een aanvraag indienen bij de officier van justitie om een verzoekschrift voor beëindiging van de verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging bij de rechter in te dienen. Ter voorbereiding van dit verzoekschrift, zorgt de geneesheer-directeur voor een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en legt deze over aan de officier van justitie. Op grond van artikel 8:19 derde lid Wvggz dient de officier van justitie het verzoekschrift voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging onverwijld bij de rechter in en voegt daarbij onder meer de medische verklaring.
Uit voormelde bepalingen volgt dat op 14 maart 2025 reeds een medische verklaring beschikbaar had moeten zijn. Voor zover dat hier niet het geval was (de rechtbank heeft hierover geen uitsluitsel verkregen) is dat een omstandigheid die geacht moet worden in de risicosfeer van het OM te liggen. Zoals reeds vastgesteld, heeft betrokkene een aanvraag bij de officier van justitie ingediend op 14 maart 2025. Het OM heeft vervolgens pas op 26 maart 2025 aan GGZ NHN verzocht om een medische verklaring op te stellen. De rechtbank stelt vast dat deze handeling niet onverwijld heeft plaatsgevonden. De term ‘onverwijld’ duidt er in het algemeen op dat de voorgeschreven handeling zonder uitstel wordt uitgevoerd. De officier van justitie heeft niet kunnen verklaren waarom het aanvragen van een medische verklaring ruim anderhalve week op zich heeft laten wachten, nog daargelaten dat de aanvraag van een nieuwe medische verklaring niet noodzakelijk zou moeten zijn geweest. Op basis van de overgelegde informatie is de rechtbank van oordeel dat een termijn van zeven dagen in dit geval niet onredelijk is voor het indienen van een verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 8:19 Wvggz. De rechtbank sluit daarmee aan bij ECLI:NL:GHAMS:2026:1611.
De rechtbank is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het voortduren van de termijnoverschrijding onder omstandigheden kan verschuiven naar de betrokkene, bijvoorbeeld als betrokkene, zoals in het onderhavige geval, niet verschijnt op een uitnodiging voor een beoordeling door de onafhankelijk psychiater ten behoeve van het opstellen van een medische verklaring. Gelet echter op de lange periode gelegen tussen de aanvraag op 14 maart 2025 en de indiening van het verzoekschrift op 6 juni 2025, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om vanwege het eenmalig niet verschijnen van betrokkene de toe te kennen schadevergoeding te matigen.
De Hoge Raad heeft overwogen dat als een rechter of een officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn heeft overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, het uitgangspunt behoudens bijzondere omstandigheden is dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. Anders gezegd veronderstelt een dergelijke termijnoverschrijding het recht op schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en acht daarbij het argument van de officier van justitie dat de aanvraag van betrokkene toch niet al te kansrijk was, niet relevant.
Voor de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de op rechtspraak.nl gepubliceerde oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken. Nu de geleden schade het gevolg is van de overschrijding van een beslistermijn, bedraagt de schadevergoeding als uitgangspunt € 10,- per dag, zoals namens betrokkene is verzocht. De rechtbank acht deze vergoeding in dit geval billijk, nu van omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat van dat bedrag moet worden afgeweken niet zijn gesteld of gebleken.
Nu de rechtbank uitgaat van een indieningstermijn van zeven dagen, stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie het verzoekschrift uiterlijk op 21 maart 2025 had moeten indienen. Dat gebeurde echter pas op 6 juni 2025. De termijnoverschrijding bedraagt daarmee 76 dagen, te rekenen vanaf 22 maart 2025 tot aan de dag van indiening van het verzoekschrift.
Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot schadevergoeding dan ook worden toewezen.
6. Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een bedrag van € 760,- aan betrokkene;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, voorzitter, mr. A. Warmerdam en mr. W.P. van der Haak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C. Sinnige als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.
[zie HR: HR 14-10-2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7590]