RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/290204-25 (P)
Uitspraakdatum: 25 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. B. Rademacher, en van hetgeen de verdachte en de raadsman van de verdachte, mr. M. Berbee (advocaat te Den Helder) naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt, na wijziging van de tenlastelegging, vervolgd voor het meermaals in vereniging plegen van (poging tot) diefstal met braak dan wel vernieling in de nacht van 29 op 30 oktober 2025, door van een groot aantal auto’s die geparkeerd stonden op de parkeerplaats bij de TESO boot het raam in te slaan en deze te doorzoeken voor waardevolle spullen.
Onder feit 1 primair is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij meermaals in vereniging een poging tot diefstal met braak heeft gepleegd en subsidiair is dit ten laste gelegd als vernieling.
Onder feit 2 primair is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij meermaals in vereniging diefstal met braak heeft gepleegd en subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging daartoe.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde met betrekking tot de diefstal met braak van de zonnebril en de veiligheidshamers. Voor het overige heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot diefstal met braak.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geconcludeerd dat de rechtbank zowel voor feit 1 primair als feit 2 primair tot een bewezenverklaring kan komen, met dien verstande dat niet alle onder feit 2 primair genoemde gestolen goederen onder de verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van die goederen dient de verdachte (partieel) te worden vrijgesproken. Over het wegnemen van de boormachine en accu heeft de raadsman zijn twijfels, omdat niet duidelijk uit het dossier blijkt dat deze door de verdachte zijn weggenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
Primair
hij in de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder, telkens tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit auto's die geparkeerd stonden op een parkeerplaats bij de TESO boot, goederen van hun gading, die geheel of ten dele aan
[benadeelde 1], te weten een Suzuki Swift met kenteken [kenteken 1] en
[benadeelde 2], te weten een Nissan Micra met kenteken [kenteken 2] en
[benadeelde 3], te weten een Opel Insignia Sports Tourer met kenteken [kenteken 3] en
[benadeelde 4], te weten een BMW Gran Tourer met kenteken [kenteken 4] en
[benadeelde 5], te weten een Ford Transit Custom met kenteken [kenteken 5] en
[benadeelde 6], te weten een Citroen Cl met kenteken [kenteken 6] en
[benadeelde 7], te weten een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 7] en
[benadeelde 8], te weten een Kia Proceed met kenteken [kenteken 8], en
andere personen (p. 171-176, p. 179-197, p. 201-212 en p. 222-223 van het procesdossier),
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich telkens wederrechtelijk toe te eigenen en zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, een raam van die auto’s heeft ingeslagen en/of kastjes in die auto’s heeft opengemaakt en/of die auto’s heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid;
Subsidiair
hij in de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk en wederrechtelijk, een auto die geparkeerd stond op een parkeerplaats bij de TESO boot, te weten,
-een auto (p. 145-146 van het procesdossier)
die geheel of ten dele aan een andere persoon (p. 145-146 van het procesdossier) heeft beschadigd;
Feit 2
Primair
hij in de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een ander uit auto’s, een boormachine en een accu, een geldbedrag, een zonnebril, en enig goed, die geheel of ten dele aan
[benadeelde 9], en/of
[benadeelde 10], en/of
[benadeelde 11], en/of
een ander persoon (p. 219-221 van het procesdossier)
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
Subsidiair
hij in de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder, telkens tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een groot aantal auto's die geparkeerd stonden op een parkeerplaats bij de TESO boot, goederen van hun gading die geheel of ten dele aan
[benadeelde 12], en/of
[benadeelde 13], en/of
weg te nemen met het oogmerk om het zich telkens wederrechtelijk toe te eigenen en zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, een raam van die auto’s heeft ingeslagen en/of kastjes in die auto’s heeft opengemaakt en/of die auto’s heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
feit 1 subsidiair
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
feit 2 primair
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
feit 2 subsidiair
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) van twee jaar zal worden opgelegd met een proeftijd van drie jaar. Aan de maatregel moeten de voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman verzet zich niet tegen oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar en ziet dit ook als een gewenste kans voor de verdachte om aan zichzelf te werken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachte, schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van (poging tot) diefstal met braak en een vernieling. Zij hebben systematisch de autoruiten ingeslagen van vrijwel alle auto’s die geparkeerd stonden op de parkeerplaats bij de TESO-boot, op zoek naar waardevolle spullen. De verdachte heeft daarbij kennelijk alleen oog gehad voor de geldelijke opbrengst van deze rooftocht. De slachtoffers blijven achter met de schade als gevolg van de inbraken. Dergelijke feiten zorgen, naast de financiële schade, voor veel hinder en overlast voor de gedupeerden. Bovendien veroorzaken auto-inbraken gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte al vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten en al meerdere (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd heeft gekregen.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 10 maart 2026 van Fivoor, opgesteld door reclasseringswerker mevrouw [reclasseringswerker]. Uit het reclasseringsrapport volgt dat sprake is van een lange justitiële voorgeschiedenis met een delictpatroon als het gaat om het plegen van vermogensdelicten. Verder is de verdachte dakloos en heeft hij geen dagbesteding. Bij de verdachte is ook sprake van langdurige middelenproblematiek met dagelijks gebruik van alcohol in combinatie met cocaïne en cannabis. Deze instabiliteit op meerdere leefgebieden maakt dat de reclassering van mening is dat een ambulante behandeling niet toereikend is. In het verleden heeft abstinentie bovendien niet tot de gewenste gedragsverandering geleid. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.
Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is volgens de reclassering nog niet aan de orde, nu nog niet alle mogelijkheden tot gedragsverandering zijn benut. Een langdurige klinische opname wordt nog als een optie gezien en de verdachte staat daar ook positief tegenover. De reclassering heeft daarom geadviseerd een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met een proeftijd van drie jaar, met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden.
Verder heeft de rechtbank op de zitting [reclasseringswerker] als deskundige van de reclassering gehoord. De deskundige geeft aan dat de verdachte inmiddels is opgenomen in een kliniek en daar goed op weg is. De verdachte zet zich in voor zijn behandeling. Zij staat nog steeds achter het eerder gegeven advies.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat de verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast blijkt uit het strafblad van 11 augustus 2026 dat de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan 29 oktober 2026 ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, zijn gepleegd na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Vanwege dat herhalingsgevaar eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel. Dit oordeel is onder meer gebaseerd op het advies van Fivoor van 10 maart 2026.
De verdachte is een zeer actieve veelpleger, want over een periode van vijf jaar zijn processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven tegen de verdachte opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.
De rechtbank stelt voorop dat de ISD-maatregel een uiterste middel (ultimum remedium) is, dat in beginsel pas wordt toegepast indien eerdere straffen de verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en eerdere hulpverlening niet het gewenste effect heeft gehad. De reclassering heeft aangegeven nog mogelijkheden te zien voor een langdurige klinische opname van de verdachte. Op de zitting is gebleken dat de verdachte momenteel in een kliniek is opgenomen en daar op zijn plek lijkt te zijn. De verdachte heeft verder verklaard dat hij gemotiveerd is om abstinent van middelen te blijven en de behandelingen te ondergaan om zijn leven weer op de rit te krijgen. De reclassering heeft daarom geadviseerd de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat op dit moment de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet proportioneel is. De rechtbank legt de ISD-maatregel voorwaardelijk op met een proeftijd van drie jaar als stok achter de deur. Daarbij moet de verdachte zich houden aan de volgende voorwaarden: een meldplicht, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met een mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van middelengebruik. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is om zich aan voornoemde voorwaarden te houden en dus ook om de behandeling te ondergaan.
De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet bij een eventuele tenuitvoerlegging van de maatregel in mindering zal worden gebracht. Als op enig moment tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt besloten, zal de volledige twee jaar nodig zijn om de verdachte optimaal te laten profiteren van de ISD-maatregel en om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen.
7. Vordering benadeelde partijen
Inleiding
De rechtbank zal hierna zeventien vorderingen tot schadevergoeding bespreken. Daaraan voorafgaand overweegt de rechtbank dat zij een schadepost slechts kan toewijzen indien voldoende aannemelijk is geworden dat deze schade als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit is geleden en die schade (als deze door de verdediging wordt betwist) voldoende is onderbouwd met stukken (zoals bijvoorbeeld facturen of betaalbewijzen). Voor zover dergelijke stukken ontbreken of de onderbouwing onvoldoende concreet is, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid ten aanzien van de vorderingen tot vergoeding van kosten voor het herstel van autoruiten als hiervoor geen onderbouwing is overgelegd. Hoewel in die gevallen wel aannemelijk is dat schade is geleden, is het voor de rechtbank in die gevallen onvoldoende inzichtelijk of de verzekering (een deel van) de schade heeft vergoed. Daarbij speelt ook een rol dat uit de diverse ingediende vorderingen blijkt dat zowel de kosten voor herstel van de ruit als de hoogte van het eigen risico sterk uiteenlopen.
Een aantal benadeelde partijen vordert immateriële schade. Het juridisch kader dat bij de beoordeling van deze schade geldt en door de rechtbank bij de beoordeling hiervan zal worden toegepast, is als volgt.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Alle benadeelde partijen hebben vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De beslissingen ten aanzien hiervan bespreekt de rechtbank voor alle toegewezen vorderingen gezamenlijk onder 7.19.
[benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft voorafgaand aan de zitting een schriftelijke vordering tot schadevergoeding van € 300,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het laten vervangen van de gebroken autoruit. De benadeelde partij is op de zitting verschenen en heeft mondeling toegelicht dat een deel van de schade reeds door de verzekering is vergoed en hij alleen nog zijn eigen risico vordert, hetgeen leidt tot een vermindering van het gevorderde bedrag tot € 150,-.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Zowel bij de schriftelijke vordering als op de zitting zijn geen stukken overlegd ter onderbouwing van de vordering. Wel geeft de officier van justitie de rechtbank mee dat overwogen kan worden gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid, nu een bedrag van € 150,- aan eigen risico redelijk voorkomt.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft in zijn schriftelijke reactie voorafgaand aan de zitting de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de benadeelde partij schriftelijk geen concreet bedrag had gevorderd. Op de zitting heeft de raadsman opgemerkt dat geen nadere onderbouwing is gegeven van de gestelde schade, maar dat de rechtbank gebruik kan maken van haar schattingsbevoegdheid.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft op de zitting nader toegelicht dat een deel van de schade al door de verzekering is vergoed en dat het overige deel het eigen risico betreft dat de benadeelde partij zelf heeft betaald. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de poging diefstal met braak. De rechtbank acht het gevorderde bedrag (mede gelet op de beperkte betwisting door de verdediging) voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 150,- aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 14]
De benadeelde partij [benadeelde 14] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 450,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding niet onderbouwd met bewijsstukken. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 6]
De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 75,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het eigen risico voor het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen poging tot diefstal met braak, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 75,- aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 15]
De benadeelde partij [benadeelde 15] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.957,54 ingediend tegen de verdachte wegens schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. Dit bedrag bestaat uit € 457,54 aan materiële schade (te weten: € 348,14 voor het laten vervangen van de gebroken autoruit, € 78,40 aan benzinekosten voor vervangend vervoer en € 31,- voor de bootovertocht van Den Helder naar Texel). Daarnaast is € 1.500,- gevorderd aan immateriële schade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding ten aanzien van het materiële gedeelte kan worden toegewezen tot een bedrag van € 348,14, zijnde de kosten voor het vervangen van de autoruit. Voor de overige gevorderde materiële schade en immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering vanwege een gebrek aan onderbouwing.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij in haar vordering in het geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de onderbouwing van de schade aan de ruit is onvoldoende duidelijk of dit de daadwerkelijke kosten betreffen en is evenmin duidelijk of de schade (gedeeltelijk) is vergoed door de verzekering. De kosten voor de benzine en de overtocht zijn in het geheel niet onderbouwd. Ook het immateriële gedeelte is onvoldoende onderbouwd. Er is geen sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze. Hooguit is sprake van beperkt onbehagen, maar dat haalt de drempel om aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding niet.
Oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering van € 348,14 dat ziet op het laten vervangen van de autoruit is voldoende onderbouwd met de overlegde kostenberaming. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen poging tot diefstal met braak. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering is betwist door de verdediging en niet is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende.
De benadeelde partij heeft onvoldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Slapeloze nachten, het ongemak dat gepaard ging met de afhandeling van de schade en het feit dat iemand onrechtmatig aan zijn eigendom heeft gezeten, (hoe voorstelbaar ook) zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de immateriële schade daarom af.
[benadeelde 16]
De benadeelde partij [benadeelde 16] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 344,13 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van het eerst laten plaatsen van een noodruit en vervolgens het vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen poging tot diefstal met braak, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 344,13 aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 17]
De benadeelde partij [benadeelde 17] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.013,10 ingediend tegen de verdachte wegens schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. Dit bedrag bestaat uit € 382,17 aan materiële schade voor het laten vervangen van de gebroken autoruit. Daarnaast is € 690,93 gevorderd voor immateriële schade, bestaande uit 52 keer de kosten van de boottocht met auto. Dit, omdat de benadeelde partij sinds het incident zijn auto niet meer durft te parkeren op de parkeerplaats en deze nu op de boot meeneemt.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding voor het materiële gedeelte kan worden toegewezen. Voor de immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar tot € 382,17 voor de reparatie van de autoruit. Voor het overige verzoekt hij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan onderbouwing en omdat de gevorderde schade geen direct gevolg betreft van het bewezenverklaarde feit.
Oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het laten vervangen van de autoruit (€ 382,17) heeft de verdediging niet betwist en is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen poging tot diefstal met braak. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
Ten aanzien van de gevorderde bootkosten overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij heeft deze kosten opgevoerd als immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank kan de benadeelde partij geen aanspraak maken op immateriële schadevergoeding, omdat niet is gebleken dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Hij heeft onvoldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De omstandigheid dat de benadeelde partij zijn auto niet meer op het terrein durft te parkeren en zijn vertrouwen en veiligheidsgevoel en flinke deuk heeft gekregen, is hiervoor onvoldoende.
Voor zover de benadeelde partij heeft bedoeld de bootkosten als materiële schade te vorderen, geldt dat hij dit deel van de vordering niet heeft onderbouwd. Daarbij geldt dat deze kosten met de huidige toelichting in een te ver verwijderd verband staan tot het bewezenverklaarde feit om als materiële schade voor rekening van de verdachte te brengen. De rechtbank verklaart de verdachte daarom niet ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de bootkosten ad € 630,93.
[benadeelde 4]
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 456,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 150,- ter vergoeding van de eigen bijdrage voor het laten vervangen van de gebroken autoruit en € 306,- aan gederfde inkomsten.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding niet onderbouwd en de verdediging heeft het gevorderde bedrag wel betwist. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 8]
De benadeelde partij [benadeelde 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.250,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen door het incident en de gevolgde therapie hierdoor komt.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat er geen diagnose voor de behandeling is gegeven en het niet aannemelijk is dat dergelijke schade het gevolg is bij een auto-inbraak.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank kan de benadeelde partij geen aanspraak maken op immateriële schadevergoeding, omdat niet is gebleken dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft onvoldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit zodanig geestelijk letsel heeft opgelopen, dat hij daarvoor in therapie heeft moeten gaan. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de schade af.
[benadeelde 18]
De benadeelde partij [benadeelde 18] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 547,58 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 306,28 voor het laten vervangen van de gebroken autoruit, € 180,64 aan Univé verzekeringskosten voor de ruit en € 60,66 aan vijfmaal de kosten voor de overtocht van de boot.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot € 186,30. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij slechts toewijsbaar tot € 125,64
voor de reparatie van het raam. Voor het overige verzoekt hij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat een deel van de schade door Univé is vergoed en het onduidelijk is waarom er vijf overtochten voor de boot zijn gemaakt.
Oordeel van de rechtbank
Uit de toelichting op de vordering leidt de rechtbank af dat een deel van de schade in verband met het vervangen van de autoruit al door de verzekeringsmaatschappij Univé is voldaan en daarom in mindering moet worden gebracht op de kosten voor de reparatie van de autoruit, zodat een bedrag van € 125,64 resteert. Dit resterende gedeelte van de vordering is voldoende onderbouwd en is ook niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen poging tot diefstal met braak. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. Het overige gedeelte van de kosten die betrekking hebben op het raam, betreft kosten die gemaakt zijn door Univé en kunnen niet door de benadeelde partij worden gevorderd als schade. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering (ad € 361,28) af.
Ten aanzien van de bootkosten verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat de benadeelde partij onvoldoende heeft toegelicht waarom deze kosten moesten worden gemaakt en hoe dit verband houdt met het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 19]
De benadeelde partij [benadeelde 19] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 503,07 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar tot een bedrag van € 300,-, nu uit de toelichting op de vordering blijkt dat het overige gedeelte reeds is vergoed door de verzekering.
Oordeel van de rechtbank
Uit de toelichting op de vordering leidt de rechtbank af dat een deel van de schade dat ziet op het vervangen van de autoruit reeds door de verzekering is gedekt en daarom in mindering moeten worden gebracht op de kosten voor de reparatie van de autoruit, zodat een bedrag van € 300,- resteert. Dit gedeelte van de vordering is voldoende onderbouwd en ook niet door de verdediging betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de poging tot diefstal met braak. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank wijst de vordering voor het overige deel af (€ 203,07) omdat deze kosten al door de verzekering zijn gedekt.
[benadeelde 20]
De benadeelde partij [benadeelde 20] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 394,64 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen poging tot diefstal met braak, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 394,64 aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 21]
De benadeelde partij [benadeelde 21] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 291,45 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen poging tot diefstal met braak, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 291,45 aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 253,93 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 25,- voor het plaatsen van een noodraam, € 11,13 voor de bootkosten voor de overtocht in verband met de reparatie van de auto en € 217,80 voor het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen poging tot diefstal met braak, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 253,93 aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 22]
De benadeelde partij [benadeelde 22] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 200,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 150,- ter vergoeding van het eigen risico voor het laten vervangen van de gebroken autoruit en € 50,- voor de reiskosten die zijn gemaakt om de autoruit te laten repareren.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij slechts toewijsbaar tot € 150,- voor het eigen risico. Voor het overige verzoekt hij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering dat ziet op € 150,- aan eigen risico is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezen poging tot diefstal met braak. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering (dat ziet op de reiskosten) niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering niet is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 12]
De benadeelde partij [benadeelde 12] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.450,55 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 264,12 voor het laten vervangen van de gebroken zijruit van de auto, € 400,- voor het laten vervangen van de gebroken voorruit van de auto, € 15,80 voor een noodruit, € 889,99 voor een gestolen Garmin navigatiesysteem, € 1.450,79 voor een gestolen laptop, € 344,15 voor een gestolen Gedore doppenset en € 85,70 voor een gestolen Gedore ringsleutelset.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat deze niet is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van de diefstal met braak ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 12], omdat de verdachte ontkent deze spullen te hebben gestolen en de goederen ook niet nadien zijn aangetroffen. Volgens de wet kan de strafrechter bij een vrijspraak geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering ten aanzien van de schadeposten die betrekking hebben op gestolen goederen.
De rechtbank heeft de verdachte wel veroordeeld voor de poging tot diefstal met braak en uit het dossier blijkt dat de autoruit van de auto van de benadeelde partij is vernield. De schadeposten die zien op het vervangen van de gebroken zij- en voorruit van de auto komen dus in beginsel wel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank constateert echter dat deze schadeposten niet nader zijn onderbouwd. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij ook in deze schadeposten niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 23]
De benadeelde partij [benadeelde 23] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 304,87 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit het laten vervangen van de gebroken autoruit.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende vordering tot
schadevergoeding integraal kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman acht de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen poging tot diefstal met braak, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 304,87 aan materiële schade daarom geheel toe.
[benadeelde 9]
De benadeelde partij [benadeelde 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 699,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de poging tot diefstal met braak zou hebben geleden. De gevorderde materiële schade bestaat uit € 150,- voor het laten vervangen van de gebroken autoruiten, € 60,- aan installatiekosten voor de ruiten, € 80,- voor een paar gestolen motorhandschoenen, € 163,- voor een gestolen slagschroevendraaier, € 66,- voor een gestolen boormachine accu en € 180,- voor een gestolen motorjas.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot € 250,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het gereedschap is onderbouwd middels een factuur, maar deze dateert uit 2018 en staat op naam van een ander. Op de zitting heeft de benadeelde partij mondeling toegelicht dat zij het aankoopbedrag van het gereedschap direct na het incident heeft overgemaakt aan haar schoonvader. De verdediging meent dat de benadeelde partij moet aantonen dat zij gemachtigd is namens haar schoonvader een vordering in te dienen of e dat zij dit geld daadwerkelijk heeft overgemaakt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 9] de diefstal met braak van de boormachine en een accu bewezen. Ten aanzien van de motorhandschoenen, de slagschroevendraaier en de motorjas spreekt de rechtbank de verdachte partieel vrij, nu de verdachte ontkent deze goederen te hebben gestolen en deze ook niet nadien zijn aangetroffen. Volgens de wet kan de strafrechter geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde voor de overige niet bewezen schadeposten. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering ten aanzien van de gestolen motorhandschoenen, de slagschroevendraaier en de motorjas.
De rechtbank wijst de schadepost met betrekking tot de boormachine accu deels toe. Rekening houdend met afschrijving en de omstandigheid dat de goederen zo’n zeven jaar oud zijn, schat de rechtbank de restwaarde van de boormachine en accu op een bedrag van € 20,-. Dit bedrag zal de rechtbank toewijzen en de vordering ten aanzien van deze schadepost wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
De schadeposten die zien op het vervangen van de autoruiten en de daarmee gepaarde installatiekosten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking, nu uit het dossier blijkt dat de autoruit als gevolg van het bewezenverklaarde feit is ingeslagen. De rechtbank constateert echter dat deze schadeposten niet nader zijn onderbouwd. Daarom verklaart de rechtbank de benadeelde partij ook in deze schadeposten niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is verklaard aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente, kosten en schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden worden steeds vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling.
De verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen. Dit geldt ook andersom. Als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplicht tot betaling aan de Staat is daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komen te vervallen.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoedingen worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (oftewel: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
8. Beslissingen met betrekking tot in beslag genomen, niet teruggegeven goederen
Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:
2 STK Handschoen (Omschrijving: PL1100-2025253231-G1788067);
1 STK Broek (Omschrijving: PL1100-2025253231-G1788066).
De officier van justitie vordert teruggave aan de verdachte van bovengenoemde goederen.
De raadsman verzoekt eveneens om teruggave van de goederen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen handschoenen en de broek dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat er een verband bestaat tussen deze voorwerpen en een van de bewezen verklaarde feiten.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 36f, 38m, 38n, 38p, 45, 47, 57, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar, met bevel dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de verdachte gedurende de proeftijd niet aan de volgende bijzondere voorwaarden voldoet:
Meldplicht bij reclassering
De verdachte zal zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering op het adres Stationsplein 21, 1703WD te Heerhugowaard, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Opneming in een zorginstelling
De verdachte zal zich tijdens de proeftijd laten opnemen in en behandelen door een zorginstelling, nader te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, zal de verdachte meewerken aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
De verdachte zal zich gedurende de proeftijd laten behandelen door Brijder Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie/ observatie/ diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 (zeven) weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, zal de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte zal gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Beheersing middelengebruik
De verdachte zal gedurende de proeftijd meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Verder geldt als voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 14]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering benadeelde [benadeelde 6]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 75,- (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 75,- (vijfenzeventig euro) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde [benadeelde 15]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 348,14 (driehonderdachtenveertig euro en veertien eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 348,14 (driehonderdachtenveertig euro en veertien eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige materiële gedeelte (ad € 109,40) niet-ontvankelijk in de vordering en wijst de vordering voor het immateriële gedeelte (ad € 1.500,-) af.
Vordering benadeelde [benadeelde 16]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 344,13 (driehonderdvierenveertig euro en dertien eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 344,13 (driehonderdvierenveertig euro en dertien eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde [benadeelde 17]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 382,17 (driehonderdtweeëntachtig euro en zeventien eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 382,17 (driehonderdtweeëntachtig euro en zeventien eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige gedeelte af.
Vordering benadeelde [benadeelde 4]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering benadeelde [benadeelde 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij af.
Vordering benadeelde [benadeelde 18]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 125,64 (honderdvijfentwintig euro en vierenzestig eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 125,64 (honderdvijfentwintig euro en vierenzestig eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het materiële gedeelte dat ziet op de bootkosten (ad € 60,66) niet-ontvankelijk in de vordering en wijst het materiele gedeelte van de vordering dat ziet op ruitschade die al is vergoed (ad € 361,28) af.
Vordering benadeelde [benadeelde 19]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 300,- (driehonderd euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 300,- (driehonderd euro) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst de vordering voor het overige gedeelte af.
Vordering benadeelde [benadeelde 20]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 394,64 (driehonderdvierennegentig euro en vierenzestig eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 394,64 (driehonderdvierennegentig euro en vierenzestig eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde [benadeelde 21]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 291,45 (tweehonderdeenennegentig euro en vijfenveertig eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 291,45 (tweehonderdeenennegentig euro en vijfenveertig eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 2 (twee) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde [benadeelde 2]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 253,93 (tweehonderddrieënvijftig euro en drieënnegentig eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 253,93 (tweehonderddrieënvijftig euro en drieënnegentig eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 2 (twee) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde [benadeelde 22]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 150,- (honderdvijftig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 150,- (honderdvijftig euro) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering benadeelde [benadeelde 12]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering benadeelde [benadeelde 23]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 304,87 (driehonderdvier euro en zevenentachtig eurocent) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 304,87 (driehonderdvier euro en zevenentachtig eurocent) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde [benadeelde 9]
Wijst hoofdelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 20,- (twintig euro) als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van voornoemde benadeelde partij de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag € 20,- (twintig euro) en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast met een maximale duur van 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk in de vordering.
Beslag
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Beekhuizen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.
Bijlage I
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op verschillende tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om uit een of meer auto('s) die geparkeerd stond(en) op een parkeerplaats bij de TESO boot, een goed(goederen) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die in ieder geval geheel of ten dele aan
[benadeelde 1], te weten een Suzuki Swift met kenteken [kenteken 1] en/of
[benadeelde 2], te weten een Nissan Micra met kenteken [kenteken 2] en/of
[benadeelde 3], te weten een Opel Insignia Sports Tourer met kenteken [kenteken 3] en/of
[benadeelde 4], te weten een BMW Gran Tourer met kenteken [kenteken 4] en/of
[benadeelde 5], te weten een Ford Transit Custom met kenteken [kenteken 5] en/of
[benadeelde 6], te weten een Citroen Cl met kenteken [kenteken 6] en/of
[benadeelde 7], te weten een Seat Ibiza met kenteken [kenteken 7] en/of
[benadeelde 8], te weten een Kia Proceed met kenteken [kenteken 8], en/of
een of meer andere personen (p. 145-146, p. 171-176, p. 179-197, p. 201-212 en p. 222-223 van het procesdossier)
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader (s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich (telkens) wederrechtelijk toe te eigenen en zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, een raam van die auto’s heeft ingeslagen en/of (vervolgens) kastjes/lades in die auto’s heeft opengemaakt en/of die auto’s heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf/die voorgenomen misdrijven niet is voltooid;
Subsidiair
hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk, een of meer auto ('s) die geparkeerd stond (en) op een parkeerplaats bij de TESO boot, te weten,
-een (personen)auto, een Suzuki Swift met kenteken [kenteken 1], en/of
-een (personen)auto, een Nissan Micra, met kenteken [kenteken 2] en/of
-een (personen)auto, een Opel Insignia Sports Tourer, met kenteken [kenteken 3] en/of
-een (personen)auto, een BMW Gran Tourer, met kenteken [kenteken 4]
-een (bedrijfs)auto, een Ford Transit Custom, met kenteken [kenteken 5] en/of
-een (personen)auto, een Citroen Cl, met kenteken [kenteken 6] en/of
-een (personen)auto, een Seat Ibiza, met kenteken [kenteken 7] en/of
-een (personen)auto, een Kia Proceed, met kenteken [kenteken 8] en/of
-een of meer andere auto’s (p. 145-146, p. 171-176, p. 179-197, p. 201-212 en p. 222-223 van het procesdossier)
dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of O.R. A. en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 6] en/of [benadeelde 7] en/of [benadeelde 8], en/of een of meer andere personen (p. 145-146, p. 171-176, p. 179-197, p. 201-212 en p. 222-223 van het procesdossier) en/of in elk geval aan een ander toebehoorde (n) heeft/hebben vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
Feit 2
Primair
hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een of meer ander en, althans alleen, uit een of meer auto(’s), een boormachine en/of een accu en/of een geldbedrag, en/of een zonnebril, en/of een laptop, en/of gereedschap, en/of een of meer navigatiesyste(e)m(en), en/of enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[benadeelde 9], en/of
[benadeelde 10], en/of
[benadeelde 12], en/of
[benadeelde 13], en/of
[benadeelde 11], en/of
een of meer andere personen (p. 219-221 van het procesdossier) in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader (s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Subsidiair
hij op verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 oktober 2025 tot en met 30 oktober 2025 te Den Helder, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om uit een groot aantal auto's die geparkeerd stonden op een parkeerplaats bij de TESO boot, een goed(goederen) van zijn/hun gading , in elk geval enig goed, dat/die in ieder geval geheel of ten dele aan
[benadeelde 9], en/of
[benadeelde 10], en/of
[benadeelde 12], en/of
[benadeelde 13], en/of
[benadeelde 11], en/of
een of meer andere personen (p. 219-221 van het procesdossier)
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich (telkens) wederrechtelijk toe te eigenen en zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, een raam van één of meer auto’s ingeslagen en/of (vervolgens) kastjes/lades in die auto’s opengemaakt en/of die auto’s doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf/die voorgenomen misdrijven niet is voltooid.