ECLI:NL:RBNHO:2026:11223

ECLI:NL:RBNHO:2026:11223

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer HAA 25/3160
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Beroep ongegrond. Invorderingsbesluit. Eiser heeft voorwerpen geplaatst op de stoep voor zijn woning zodat fietsers daar niet meer (met hoge snelheid) kunnen fietsen. Volgens eiser levert dit namelijk een gevaarlijke situatie en overlast op. Het plaatsen van de voorwerpen op de openbare weg is een overtreding van de lokale Verordening fysiek domein. Het college kon de verbeurde dwangsom bij eiser invorderen en heeft dit ook op goede gronden gedaan. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien.

Uitspraak

[eiser] , uit Hoofddorp, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigden: J.P. Schmidt en C. ter Veen).

Inleiding

Eiser woont aan de [adres] in Hoofddorp. Zijn voortuin grenst aan een stoep langs een (speel)veldje. Op de stoep voor zijn woning heeft eiser een tafeltje met plantenbak, twee losse plantenbakken en een mat geplaatst (hierna: de voorwerpen). Dit heeft hij gedaan zodat de fietsers niet meer gemakkelijk en met hoge snelheid over de stoep kunnen fietsen. De fietsers zorgen volgens eiser namelijk geregeld voor gevaarlijke situaties en overlast.

De stoep is een openbare weg. Het plaatsen van de voorwerpen op de openbare weg is een overtreding van artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2024 (Vfd). Hierom heeft het college op 9 januari 2025 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om de voorwerpen te verwijderen en verwijderd te houden. Als eiser dat niet op tijd (uiterlijk op 23 januari 2025) doet, dan verbeurt hij een dwangsom van € 300,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 1.500,-.

Op 24, 27, 28, 29, 30 en 31 januari 2025 hebben toezichthouders van het college geconstateerd dat eiser de voorwerpen niet heeft verwijderd. Hierom is volgens het college de dwangsom zes keer verbeurd tot het maximumbedrag van € 1.500,-. Bij besluit van 18 maart 2025 heeft het college het dwangsombedrag van € 1.500,- bij eiser ingevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 24 juni 2025 heeft het college het invorderingsbesluit in stand gelaten. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn partner [naam] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Vaststaat ook dat eiser niet op tijd aan de last onder dwangsom heeft voldaan. De voorwerpen waren bij de controlemomenten niet verwijderd. Dat betekent dat de dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd en het college bevoegd was om tot invordering over te gaan. Aan het belang van invordering wordt ook een zwaarwegend gewicht toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat van de last onder dwangsom moet uitgaan. Slechts in bijzondere omstandigheden kan daarom van invordering worden afgezien.

4. Volgens eiser is sprake van zulke bijzondere omstandigheden. Eiser verwondert zich met name over waarom uitgerekend hij een maatregel opgelegd heeft gekregen terwijl hij in zijn eigen ogen juist de belangen van zijn kwetsbare buren en spelende kinderen probeert te beschermen. Die belangen wegen volgens eiser (en andere personen tot wie hij zich via de (sociale) media heeft gewend) zwaarder dan het belang bij handhavend optreden tegen de voorwerpen op de stoep. De fietsers vertonen illegaal en gevaarlijk rijgedrag, zodat het college en de toezichthouders juist hen zouden moeten aanspreken. Andere pogingen van eiser om het probleem aan te pakken, bijvoorbeeld door via de gemeente fietsnietjes te realiseren, zijn gestrand. Daarnaast vindt eiser het onterecht dat hij wordt aangesproken op het plaatsen van de voorwerpen, terwijl in een andere straat in de gemeente ook bloempotten zijn weggezet op de stoep om fietsers te weren en het college dit toestaat.

5. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser een oplossing wil voor gevaarlijk rijgedrag van fietsers en gemotoriseerd verkeer op de stoep voor zijn woning, en het frustrerend kan zijn dat de gemeente hier geen adequate maatregelen voor heeft genomen, lost eiser dit niet op de juiste manier op door zelf voorwerpen te plaatsen. Zijn beweegredenen excuseren eiser niet van de regels voor de openbare weg, en vormen daarom geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Hierbij volgt de rechtbank het verweer van het college dat draagvlak onder een bredere kring van omwonenden/belangstellenden en maatschappelijke verontwaardiging geen bijzondere omstandigheden zijn om van invordering af te zien. De rechtbank ziet daarnaast in dat het voor eiser oneerlijk voelt dat tegen hem wel handhavend wordt opgetreden en ergens anders in de gemeente niet. Dat zegt echter niet dat eiser de verbeurde dwangsommen niet hoeft te betalen. Er is over de situatie op de stoep bij eiser een melding gedaan en op basis daarvan heeft het college gehandeld. Dat mag het college. Dat het bij een ander niet ook is gedaan, is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan moet worden afgezien van de invordering.

6. De conclusie van de rechtbank is dat het college de dwangsommen bij eiser mocht invorderen. Dit betekent dat eiser € 1.500,- aan het college moet betalen. De rechtbank kan verder niets vinden van de fietsers op de stoep en het beëindigen van de gevaarlijke situatie die dit volgens eiser oplevert. De rechtbank gaat alleen over de vraag of eiser de dwangsommen moet betalen.

7. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft geen recht op vergoeding van het door hem aan de rechtbank betaalde griffierecht of een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.A.M. Elzakkers

Griffier

  • mr. I.A. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand