ECLI:NL:RBNHO:2026:11253

ECLI:NL:RBNHO:2026:11253

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer K/4101/12064559
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Deze zaak gaat over de vraag of de eisende partij bevoegd is een vordering in te stellen tegen de gedaagde partij voor werkzaamheden die door een derde zijn verricht. Gedaagde partij vindt dat een rechtsverhouding ontbreekt en dat daarom de vordering moet worden afgewezen. Onder aanvulling van de rechtsgronden kwalificeert de kantonrechter de afspraak tussen de eisende partij en de derde als lastgeving tot inning. Daarmee is de bevoegdheid van de eisende partij om de vordering van de derde op de gedaagde partij te innen, gegeven. De factuur waarop de vordering is gebaseerd, is onvoldoende betwist door de gedaagde partij en daarom verschuldigd. Het beroep van de gedaagde partij op verrekening met een tegenvordering slaagt niet. De gedaagde partij wordt daarom veroordeeld tot betaling van de factuur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 12064559 \ CV EXPL 26-354 (NE)

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

de vennootschap onder firma [de VOF 1] VOF,

te Slootdorp,

eisende partij,

hierna te noemen: [de VOF 1] ,

gemachtigde: mr. W. van Dijk,

tegen

1. de vennootschap onder firma [de VOF 2] ,

te Slootdorp,2. [gedaagde sub 1] , vennoot van de gedaagde partij sub 1,

te [woonplaats] ,3. [gedaagde sub 2] , vennoot van de gedaagde partij sub 1,

te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

gemachtigde: Cumela Advies (mr. G.A. Bouw-van de Bunt).

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de eisende partij bevoegd is een vordering in te stellen tegen de gedaagde partij voor werkzaamheden die door een derde zijn verricht. Gedaagde partij vindt dat een rechtsverhouding ontbreekt en dat daarom de vordering moet worden afgewezen. Onder aanvulling van de rechtsgronden kwalificeert de kantonrechter de afspraak tussen de eisende partij en de derde als lastgeving tot inning. Daarmee is de bevoegdheid van de eisende partij om de vordering van de derde op de gedaagde partij te innen, gegeven. De factuur waarop de vordering is gebaseerd, is onvoldoende betwist door de gedaagde partij en daarom verschuldigd. Het beroep van de gedaagde partij op verrekening met een tegenvordering slaagt niet. De gedaagde partij wordt daarom veroordeeld tot betaling van de factuur.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 januari 2026- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek

- akte uitlaten van [de VOF 1] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[de VOF 1] is een akkerbouwbedrijf dat zich bezighoudt met de teelt van aardappelen en overige wortel- en knolgewassen.

[gedaagden] verricht agrarische loonwerkzaamheden voor derden en grondverzetwerkzaamheden en maakt daarbij gebruik van landbouwmachines.

De dochter van de vennoot van [de VOF 1] ( [dochter] ) handelt zelfstandig onder de naam [bedrijf] en Dienstverlening en wordt hierna in die hoedanigheid aangeduid als [dochter] . Zij heeft in opdracht van [gedaagden] werkzaamheden voor [gedaagden] verricht, onder andere aan een dieplader.

[de VOF 1] heeft [gedaagden] op 9 juli 2025 een factuur met nummer 25-0021 verstuurd van € 14.891,65 inclusief btw met als omschrijving “gewerkte uren aan uw dieplader”.

[gedaagden] heeft in een e-mail van 10 juli 2025 aan [de VOF 1] laten weten dat zij de factuur niet kan accepteren, omdat de in de factuur omschreven werkzaamheden niet door [de VOF 1] zijn geleverd. Verder schrijft [gedaagden] dat zij nog wat te verrekenen heeft met [dochter] en zij graag daarover overleg met [dochter] wil.

In een e-mail van 15 juli 2025 heeft [de VOF 1] aan [gedaagden] laten weten dat [dochter] haar heeft gevraagd de factuur 25-0021 naar [gedaagden] te sturen, “wat wettelijk mogelijk is”.

In reactie daarop heeft [gedaagden] op 4 augustus 2025 aan [de VOF 1] bericht dat haar duidelijk is geworden dat [de VOF 1] inderdaad op verzoek van [dochter] een factuur voor geleverde diensten mag versturen. [gedaagden] verbindt daaraan de voorwaarde dat [dochter] schriftelijk aan [gedaagden] laat weten dat zij daarmee wordt vrijgesteld van betaling aan [dochter] . Ook schrijft [gedaagden] dat de uren die zijn besteed aan de dieplader uiteraard moeten worden betaald en dat sprake is van 158,5 geregistreerde uren bij een uurloon van € 28,00. Daarnaast heeft [gedaagden] vragen over het gefactureerde transport en de accuverlichting en vraagt zij om een kopiefactuur van de overdelen Bulthuis 2 die op de factuur staan. Ten slotte schrijft [gedaagden] dat zij in overleg wil met [dochter] over de overige gewerkte uren aan de dieplader die op de factuur staan en over de huur van stalling van vrachtwagens en diepladers, het gebruik van de werkplaats, spoelplaats en hogedrukreiniger door [dochter] .

[dochter] heeft op 4 augustus 2025 per Whatsapp aan [gedaagden] bericht “Zag dat je gebeld had. Wij zitten in het buitenland. Als het over de rekening gaat mag het schriftelijk naar [de VOF 1].”

Op 15 augustus 2025 heeft [de VOF 1] per post aan [gedaagden] een urenverantwoording versterkt en meegedeeld “bij de betaling van de factuur aan [de VOF 1] is [de VOF 2] vrijgesteld van betaling aan [bedrijf] en Dienstverlening”.

Op 27 augustus 2025 heeft [gedaagden] naar aanleiding van door [de VOF 1] verstrekte documenten aan [de VOF 1] bericht dat zij de bijgevoegde factuur 225247 aan [dochter] van € 14.011,80 inclusief btw zal verrekenen met de factuur 25-0021 van [de VOF 1] en dat zij om tot betaling over te kunnen gaan graag een bevestiging van [dochter] ontvangt dat zij voor het restant is vrijgesteld.

[de VOF 1] heeft op 28 augustus 2026 aan [gedaagden] laten weten dat de factuur 225247 van [gedaagden] op naam behoort te staan van en moet worden verstuurd naar [dochter] , dat zij niet akkoord gaan met de factuur en met verrekening, omdat mondeling met [dochter] is overeengekomen dat zij niets hoefde te betalen voor stalling, werkplaats, gereedschap en klein materieel en gebruik van spoelplaats en hogedrukreiniger. Dat laatste heeft [gedaagden] ook bevestigd aan [de VOF 1] .

[gedaagden] heeft op 8 september 2026 aan [de VOF 1] meegedeeld dat zij heeft begrepen dat zij de factuur 25-0021 van [de VOF 1] toch niet kan accepteren, omdat [de VOF 1] de dienstverlening niet heeft verricht. Na schriftelijke toestemming van [dochter] (welke zij inmiddels ook heeft ontvangen) kan [gedaagden] wel bevrijdend aan [de VOF 1] betalen, maar alleen als is gefactureerd vanuit [dochter] . Factuur 225247 is daarom gecrediteerd. Verder betwist [gedaagden] dat de gestelde mondelinge overeenkomst is gesloten met [dochter] en dat zij ook het aantal van 400 uur in de factuur 25-0021 betwist, maar dat zij bereid is die uren te betalen als haar factuur wordt geaccepteerd en kan worden verrekend.

Op 9 september 2025 heeft [de VOF 1] gereageerd dat zij de facturen van [gedaagden] niet accepteert en dat deze niet kunnen worden verrekend. In de e-mail van [de VOF 1] van 9 september 2025 staat ook dat [gedaagden] bevrijdend aan [de VOF 1] kan betalen. De e-mail is in kopie (CC) aan [dochter] gestuurd.

[dochter] en [de VOF 1] hebben op 26 februari 2026 een akte van (voorwaardelijke) cessie gesloten met betrekking tot de vordering van [dochter] dan wel [de VOF 1] op [gedaagden] , welke vordering blijkt uit de dagvaarding van 13 januari 2026, voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat [gedaagden] door [dochter] had moeten worden gedagvaard.

3. Het geschil

[de VOF 1] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 17.756,95, vermeerderd met rente en kosten.

[de VOF 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vordering is gebaseerd op verrichte werkzaamheden aan een dieplader van [gedaagden] . De factuur van € 14.891,65 is, ook na aanmaningen, onbetaald gelaten. [gedaagden] is in verzuim komen te verkeren. [de VOF 1] maakt daarom ook aanspraak op de wettelijke handelsrente van € 631,55 en buitengerechtelijke incassokosten van € 2.233,75. Het verweer van [gedaagden] dat [de VOF 1] niet de uitvoerende partij zou zijn geweest van de gefactureerde werkzaamheden en alleen [dochter] gerechtigd zou zijn de werkzaamheden te factureren, is onjuist.

[gedaagden] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de VOF 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de VOF 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de VOF 1] in de kosten van deze procedure.

[gedaagden] voert het volgende aan. Met [de VOF 1] is geen overeenkomst gesloten. [dochter] heeft werkzaamheden aan de dieplader uitgevoerd en was contractspartij. De mededeling van [de VOF 1] dat aan haar bevrijdend kan worden betaald treft geen doel, omdat daarvoor een factuur is vereist van [dochter] , die ontbreekt. Omdat een overeenkomst, opdracht of andere rechtsverhouding tussen partijen ontbreekt, mist iedere bevoegdheid van [de VOF 1] om betaling te vorderen. Alleen de contractuele wederpartij kan een factuur versturen en dat is [dochter] . Dat is ook noodzakelijk om [gedaagden] in staat te stellen verweer te voeren en te verrekenen.

In de conclusie van repliek heeft [de VOF 1] toegelicht dat de communicatie tussen [dochter] en [gedaagden] niet goed verliep en [dochter] daarom aan [de VOF 1] heeft gevraagd of zij de factuur wilde versturen aan [gedaagden] . Ook heeft [de VOF 1] toegelicht dat uit de onder de feiten geciteerde e-mailwisseling volgt dat partijen overeenstemming hadden over facturatie door [de VOF 1] aan [gedaagden] van de door [dochter] gemaakte uren en daarmee sprake is van een overdracht van de vordering door [dochter] aan [de VOF 1] . Ook is [gedaagden] bij betaling gevrijwaard van betaling aan [dochter] wat is bevestigd door [dochter] . [de VOF 1] is daarom bevoegd te incasseren en heeft dit ook kenbaar gemaakt aan [gedaagden] . [gedaagden] wilde na betwisting van de vermeende tegenvordering terugkomen op haar standpunt dat [de VOF 1] zou factureren, maar zo werkt het niet. Zekerheidshalve hebben [dochter] en [de VOF 1] een akte van cessie gesloten.

[gedaagden] heeft daarop gedupliceerd. Daarbij heeft [gedaagden] een voorwaardelijk beroep op verrekening van een vordering op [dochter] uit ongerechtvaardigde verrijking gedaan (namelijk voor zover zou moeten worden aangenomen dat [dochter] dan wel [de VOF 1] enig bedrag van [gedaagden] te vorderen heeft). Ter onderbouwing daarvan stelt [gedaagden] dat zij aanvankelijk voor de stalling en gebruik van haar materieel geen vergoeding in rekening heeft gebracht en dat dit zijn oorzaak vindt in de samenwerking en de wederkerigheid die [gedaagden] en [dochter] voor ogen hadden. Omdat de situatie is gewijzigd en [dochter] nu aanspraak maakt op betaling van haar uren in plaats van dat zij in ruil van die uren de dieplader zonder betaling van huur kon gebruiken, is zij ongerechtvaardigd verrijkt.

Bij akte heeft [de VOF 1] aangevoerd dat het standpunt van [gedaagden] dat de uren aan de dieplader op een later moment zouden worden verrekend met de huur van de dieplader nieuw is en wordt betwist.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De kantonrechter moet beoordelen of [de VOF 1] bevoegd is een vordering in te stellen tegen [gedaagden] voor werkzaamheden die door [dochter] zijn verricht. De kantonrechter beantwoordt deze vraag positief en legt hierna uit waarom.

Er is geen overeenkomst van opdracht tussen [de VOF 1] en [gedaagden]

[de VOF 1] heeft in de dagvaarding de vordering onderbouwd met een op haar naam gestelde factuur die is gebaseerd op werkzaamheden van [dochter] voor [gedaagden] . Gesteld en gebleken is niet dat er tussen [de VOF 1] en [gedaagden] een overeenkomst (opdracht) bestaat. [de VOF 1] stelt de grondslag van haar vordering niet. Voor zover haar vordering is gebaseerd op nakoming van een overeenkomst (opdracht), leidt dat tot afwijzing van de vordering omdat [de VOF 1] geen contractspartij van [gedaagden] is.

De cessie

[de VOF 1] legt in de repliek aan de vordering ten grondslag dat de vordering van [dochter] op [gedaagden] aan [de VOF 1] is overgedragen (cessie). Volgens [de VOF 1] blijkt uit de e-mailcorrespondentie dat partijen per e-mail overeenstemming hebben bereikt over de facturering door [de VOF 1] aan [gedaagden] van de door [dochter] gemaakte uren. [de VOF 1] beroept zich voorwaardelijk (indien en voor zover de overeenstemming met betrekking tot de overdracht van de vordering niet uit de e-mails zou blijken) op de akte van (voorwaardelijke) cessie van 26 februari 2026.

Voor de levering van een vordering (cessie) zijn een akte en een mededeling aan de contractspartij (in dit geval [gedaagden] ) vereist. De inhoud van de e-mailcorrespondentie is geen akte en daarom onvoldoende om aan te nemen dat op het moment van dagvaarden sprake was van een rechtsgeldige cessie.

Daarmee komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van het beroep van [de VOF 1] op de akte van (voorwaardelijke) cessie van 26 februari 2026. Deze akte is na de dagvaarding opgemaakt en de mededeling van de cessie is na de dagvaarding gedaan. Op basis van deze akte was [de VOF 1] dus niet beschikkingsbevoegd op het moment dat zij de vordering van [dochter] in de dagvaarding tegen [gedaagden] instelde. De akte van (voorwaardelijke) cessie verandert dat niet; die heeft geen terugwerkende kracht.

Dit leidt tot de conclusie dat [de VOF 1] niet op basis van cessie bevoegd is tot incasso van de vordering.

Andere rechtsgrond: inningsbevoegdheid op basis van lastgeving

De kantonrechter heeft de plicht om zelfstandig en in beginsel onafhankelijk van wat partijen daarover hebben aangevoerd, na te gaan of en, zo ja, op welke juridische grondslag de in het geding vastgestelde feiten de vordering kunnen dragen, ook als partijen zelf deze rechtsregels niet of de verkeerde rechtsregels naar voren hebben gebracht. Dat is slechts anders als moet worden aangenomen dat [de VOF 1] haar vordering uitsluitend beoordeeld wenst te zien op een andere rechtsgrond. De kantonrechter maakt uit de processtukken van [de VOF 1] en de door haar ingenomen stellingen op dat die uitzondering zich niet voordoet.

Bij het aanvullen van de rechtsgrond is bepalend of [de VOF 1] alle feitelijke elementen heeft gesteld die benodigd zijn voor het intreden van een bepaald rechtsgevolg op basis van een bepaald wettelijk voorschrift. Of [de VOF 1] daarbij de juridisch correcte termen heeft genoemd is bij de beoordeling hiervan niet doorslaggevend.

[de VOF 1] baseert haar vorderingsrecht in de repliek feitelijk op een overeenstemming ‘tussen partijen’ (de kantonrechter begrijpt: de procespartijen dus [de VOF 1] en [gedaagden] ) over het factureren van de door [dochter] gemaakte uren door [de VOF 1] aan [gedaagden] en de vrijwaring van betaling door [dochter] bij betaling aan [de VOF 1] . Volgens [de VOF 1] volgt dit uit de e-mailcorrespondentie. [gedaagden] voert aan dat [de VOF 1] geen partij is bij enige rechtsverhouding met [gedaagden] .

De kantonrechter leidt af uit de e-mail van [de VOF 1] aan [gedaagden] van 15 juli 2025 en de e-mail van [gedaagden] aan [de VOF 1] van 4 augustus 2025 dat [gedaagden] akkoord is gegaan met de factuur voor door [dochter] geleverde diensten op naam van [de VOF 1] onder de voorwaarde dat [dochter] schriftelijk aan [gedaagden] laat weten dat zij daarmee wordt vrijgesteld van betaling aan [dochter] . [dochter] heeft op 4 augustus 2025 per Whatsapp aan [gedaagden] bericht dat wat over de rekening gaat schriftelijk naar [de VOF 1] mag. Vervolgens heeft [de VOF 1] op 15 augustus 2025 aan [gedaagden] meegedeeld dat bij de betaling van de factuur aan [de VOF 1] [gedaagden] is vrijgesteld van betaling aan [dochter] . De kantonrechter heeft in de e-mailcorrespondentie echter geen vrijwaring van [dochter] aan [gedaagden] aangetroffen en leest die ook niet in het WhatsAppbericht van [dochter] . Omdat de door [gedaagden] gestelde voorwaarde niet is vervuld, is de kennelijk gestelde overeenkomst tussen partijen ( [de VOF 1] en [gedaagden] ) niet tot stand gekomen.

De kantonrechter leidt uit de stellingen van [de VOF 1] dat [vennoot van de VOF 1] en [dochter] hebben overlegd en [dochter] haar vader heeft gevraagd of hij de factuur wilde sturen, de hiervoor genoemde e-mail van 15 juli 2025, het Whatsappbericht van [dochter] van 4 augustus 2025 en de op 15 augustus 2025 verstrekte urenverantwoording met bijbehorende mededeling af dat [de VOF 1] en [dochter] de bedoeling hadden en hebben afgesproken dat de door [dochter] gemaakte uren op naam van [de VOF 1] aan [gedaagden] worden gefactureerd. De kantonrechter kwalificeert deze afspraak tussen [de VOF 1] en [dochter] als een lastgeving tot inning, waarbij [dochter] als lastgever de schuldeiser is en blijft en [de VOF 1] de lasthebber is. De lastgever kan aan de lasthebber een last geven een vordering op eigen naam in te stellen. Uit het dossier blijkt voldoende dat [dochter] toestemming (last) aan [de VOF 1] heeft gegeven om de vordering op eigen naam te innen. Daarmee is de bevoegdheid van [de VOF 1] om de vordering van [dochter] op [gedaagden] te innen, gegeven.

Voor zover [gedaagden] met haar standpunt in de conclusie van dupliek dat de dagvaarding alle feiten en wettelijke bepalingen moeten bevatten waar de eis op is gebaseerd en [de VOF 1] de feiten die tot het voorgaande oordeel leiden te laat heeft ingenomen, wordt dat standpunt gepasseerd. [de VOF 1] stelt weliswaar in de dagvaarding de grondslag van haar vordering niet, maar zij verwijst daarin wel naar de onder de feiten genoemde e-mails, welke e-mails [gedaagden] in de conclusie van antwoord ook heeft besproken. [de VOF 1] stelt vervolgens in de repliek wat zij met [dochter] heeft besproken. [gedaagden] heeft hierop in de dupliek kunnen reageren. Dat betekent dat over de feiten voldoende is gedebatteerd. Daarbij geldt dat [gedaagden] met de ambtshalve toepassing van de juiste kwalificatie rekening moet houden, zodat zij niet de gelegenheid hoeft te krijgen hierop alsnog te reageren.

De factuur 21-0025 is verschuldigd

In de conclusie van antwoord erkent [gedaagden] de door [dochter] verrichte werkzaamheden en stelt zij dat de daarbij behorende uren niet in geschil zijn. In de dupliek beroept [gedaagden] zich op een nadere afspraak dat door [dochter] gewerkte (klus)uren aan de dieplader zouden worden verrekend met het gebruik (‘huur’) door [gedaagden] van de dieplader, zodra deze geschikt is voor de openbare weg. Dit standpunt heeft [gedaagden] niet eerder ingenomen en wordt betwist door [de VOF 1] . In de e-mails tussen partijen heeft [gedaagden] dit standpunt evenmin ingenomen. De gestelde afspraak wordt bovendien niet ondersteund met stukken. [gedaagden] heeft de verschuldigdheid van de factuur 21-0025 voor de door [dochter] verrichte werkzaamheden daarom onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook heeft [gedaagden] geen verweer gevoerd tegen de hoogte daarvan. Zij is de factuur in principe dus verschuldigd.

Het beroep op verrekening met factuur 225268

[gedaagden] stelt een tegenvordering op [dochter] te hebben uit ongerechtvaardigde verrijking en beroept zich in dat kader op verrekening. Omdat [dochter] schuldeiser is gebleven vallen deze vordering van [gedaagden] en de schuld van [gedaagden] aan [dochter] in dezelfde vermogens en kan dus de bevoegdheid tot verrekening bestaan.

[gedaagden] baseert de tegenvordering op het gebruik van haar terrein voor de stalling van materieel door [dochter] , waarvoor geen vergoeding in rekening is gebracht vanwege de wederkerige samenwerking tussen partijen. Volgens [gedaagden] is [dochter] vanwege de beëindiging van de samenwerking, dus achteraf bezien, ten koste van haar ongerechtvaardigd verrijkt. Voor het gebruik van het terrein had [dochter] echter toestemming. Aan het gebruik van het terrein ligt dus een afspraak ten grondslag. Voor zover [dochter] al zou zijn verrijkt en [gedaagden] verarmd, kan vanwege de afspraak geen sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Het beroep op verrekening met een tegenvordering slaagt dan ook niet.

Conclusie

De slotsom is dat de vordering van [de VOF 1] zal worden toegewezen. [gedaagden] zal worden veroordeeld tot betaling van € 14.891,65. De wettelijke handelsrente daarover is toewijsbaar vanaf 30 dagen na de factuurdatum, omdat niet is gesteld of gebleken dat de vervaltermijn in de factuur is overeengekomen en [gedaagden] dus eerder in verzuim is gekomen.

Buitengerechtelijke incassokosten

[de VOF 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [de VOF 1] heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht en heeft daarom recht op vergoeding van deze kosten. [de VOF 1] heeft niet gemotiveerd gesteld dat de werkelijke buitengerechtelijke kosten hoger zijn geweest en dat het redelijk was om buitengerechtelijke kosten te maken tot dit bedrag. Daarom zal de kantonrechter de kosten toewijzen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagden] zal worden veroordeeld, namelijk € 923,92.

Proceskosten

[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de nadere akte van [de VOF 1] worden geen punten toegekend, omdat deze (mede) het gevolg is van een onduidelijke en onvolledige dagvaarding en daarom voor eigen rekening komt. De proceskosten van [de VOF 1] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

131,67

- griffierecht

1.504,00

- salaris gemachtigde

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.643,67.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dit betekent dit dat alle gedaagden kunnen worden aangesproken tot betaling van het volledige bedrag, maar als één van hen betaalt, hoeft de ander niet meer te betalen.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [de VOF 1] te betalen een bedrag van € 14.891,65, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [de VOF 1] te betalen een bedrag van € 923,92 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.643,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand