RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/379088 / JU RK 26/944
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026
het ouderschapsplan van 25 april 2024;
de e-mails van de moeder van 1 juli 2026 en 3 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij was telefonisch aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hier geen gebruik van gemaakt.
De moeder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De vader is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van 7 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, tot 7 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De doelen zijn afgelopen jaar onvoldoende behaald, mede omdat er het afgelopen jaar door personeelstekort geen vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken is geweest.
Bij de start van de ondertoezichtstelling was de situatie als volgt. Voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is de scheiding van de ouders belastend geweest. Er was sprake van onrust en onveiligheid in de thuissituatie door conflicten en moeizame communicatie tussen de ouders. Daarnaast zaten de ouders niet op één lijn wat betreft de hulpverlening. Volgens de kinderen was sprake van verbaal en fysiek geweld, waarvan zij ook zelf slachtoffer zijn geweest. Hierdoor is de relatie met hun vader onder druk komen te staan. De moeder is overbelast met de zorg voor vier kinderen en er is een gebrek aan ondersteuning. [de minderjarige 1] is in aanraking gekomen met politie en justitie en ontvangt begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Het is belangrijk dat hij een passende dagbesteding krijgt die aansluit bij zijn mogelijkheden en die hij kan volhouden. Daarnaast is diagnostiek nodig om meer inzicht te krijgen in zijn functioneren en de factoren die maken dat hij moeite heeft met het nakomen van afspraken. [de minderjarige 2] heeft ondersteuning nodig op het gebied van school, emotieregulatie en het omgaan met druk en prikkels. Ook is het belangrijk dat zij positieve ervaringen opdoet die bijdragen aan een sterker en positiever zelfbeeld. Voor beide kinderen is het belangrijk dat de ouders beter aansluiten bij hun behoeften en ontwikkeling en verantwoordelijkheid nemen voor de uitvoering van het ouderschapsplan. De moeder heeft ondersteuning nodig bij het vergroten van haar daadkracht en de vader bij het reguleren van zijn emoties. Na de vorige beschikking zijn er de volgende ontwikkelingen geweest. Op school is een multidisciplinair overleg geweest over een opbouwplan voor de schoolgang van [de minderjarige 2] . Verder is Family Supporters bij het gezin betrokken geweest. Zij hebben individuele hulpverlening voor [de minderjarige 2] en systeem therapeutische gesprekken voor de ouders aangeboden.
De (extern betrokken jeugdbeschermer via wachtlijstbeheer voor de) GI heeft hier tijdens de zitting het volgende aan toegevoegd. Er zal vóór het einde van het jaar geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar zijn. Ook de hulpverlening van Family Supporters (hierna: FS) voor de communicatie en samenwerking tussen de ouders komt niet echt van de grond, omdat FS moeite heeft met de (dwingende) manier van communiceren van de vader en de dynamiek tussen de ouders. Er is echter geen sprake van acute onveiligheid of een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Zij hebben contact met de vader (telefonisch en fysiek, naar hun behoefte) en hebben aangegeven niet bang te zijn voor hem. De kinderen geven aan dat het goed gaat en dat zij last hebben van de ondertoezichtstelling. Verder is hulpverlening grotendeels ingezet. [de minderjarige 1] staat onder begeleiding van de jeugdreclassering, dat toezicht verloopt goed en onderdeel daarvan is dat [de minderjarige 1] dagbesteding heeft. [de minderjarige 2] heeft inmiddels begeleiding van een psycholoog van FS. Voor de moeder zal binnen twee of drie maanden een maatschappelijk werker actief worden, ook om haar te ondersteunen in het contact met de vader. De ouders hebben gezamenlijk overeenstemming bereikt over de schoolkeuze van [de minderjarige 2] . Betrokkenheid van de GI is voor dit een en ander niet nodig. Hoewel de GI het verzoek formeel handhaaft, kan de GI zich ook voorstellen dat, gezien het ontbreken van aanwijzingen voor een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , de ondertoezichtstelling ofwel voor kortere termijn wordt verlengd ofwel wordt afgewezen.
4. Het standpunt van de moeder
De moeder is niet ter zitting verschenen, maar heeft in haar e-mail van 1 juli 2026 haar standpunt kenbaar gemaakt. De moeder kan zich vinden in het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, maar alleen als dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen. De kinderen hebben behoefte aan rust, veiligheid, voorspelbaarheid en vertrouwen. De moeder meent dat de ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is, maar er moet goed gekeken worden op welke wijze de ondertoezichtstelling moet worden uitgevoerd. Door een gebrek aan continuïteit en wisselende hulpverleners heeft de hulpverlening afgelopen jaar onvoldoende resultaat opgeleverd. Er is sprake van een verschil in inzicht tussen de ouders over opvoeding, begeleiding en ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast wordt het ouderschapsplan niet nageleefd. De moeder is bereid volledig mee te werken aan iedere vorm van hulpverlening als dit bijdraagt aan het herstel, de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. Ze wil niet meer meewerken aan hulpverlening die als uitgangspunt heeft dat de samenwerking tussen de ouders moet worden hersteld. Dit heeft afgelopen jaren namelijk niet tot verbetering geleid.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat niet langer is voldaan aan het wettelijke criterium voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Voor een ondertoezichtstelling is vereist dat sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen. Daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment onvoldoende gebleken. Het is duidelijk dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders moeizaam verloopt en dat sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding. Hoewel dit voor de ouders belastend is, bestaan er geen aanwijzingen (meer) dat dit leidt tot een zodanige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen dat een gedwongen kader noodzakelijk is. Beide kinderen hebben contact met de vader en de GI heeft getoetst en bevonden dat zij niet bang voor hem zijn. Er bestaan geen aanwijzingen dat het contact een bedreiging voor hun ontwikkeling oplevert. Daarnaast is gebleken dat de ouders, ondanks hun moeizame communicatie, gezamenlijk overeenstemming hebben bereikt over de schoolkeuze van [de minderjarige 2] . De ouders zijn dus in staat om gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. De noodzakelijke hulpverlening is of wordt ingezet. [de minderjarige 2] heeft behandeling bij de psycholoog, [de minderjarige 1] heeft begeleiding van de jeugdreclassering en de moeder zal naar verwachting binnen twee à drie maanden worden ondersteund door een maatschappelijk werker, die haar onder meer kan begeleiden in de communicatie met de vader. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de ouders, met deze ondersteuning, de ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader zullen voortzetten.
Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium als bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal daarom worden afgewezen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. P.E. van der Veen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Groot als griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.