ECLI:NL:RBNHO:2026:1131

ECLI:NL:RBNHO:2026:1131

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer C/15/369123 / JU RK 25-1229
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

verlenging machtiging uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/369123 / JU RK 25-1229

Datum uitspraak: 28 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

advocaat mr. M.D. Balesar uit Heerhugowaard.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats] .

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 23 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van de GI, ontvangen op 19 januari 2026.

Op 28 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

de moeder en haar advocaat;

de vader;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend.

Bij beschikking van de kinderrechter van 7 februari 2025 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Ook is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken en is de beslissing voor het overige aangehouden. Bij beschikking van de kinderrechter van 18 februari 2025 is vervolgens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 18 februari 2025 tot 6 mei 2025.

Bij beschikking van de kinderrechter van 30 april 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 april 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin verleend tot 30 oktober 2025.

Bij beschikking van de kinderrechter van 23 oktober 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 30 januari 2026 en is het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting. De zitting is daarna bepaald op 28 januari 2026.

Op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [de minderjarige] in een gezinshuis.

3. Het resterende verzoek

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 30 april 2026.

Bij brief van 19 januari 2026 heeft de GI een update gegeven over de afgelopen periode en huidige situatie. In de afgelopen maanden heeft de GI veel intensieve pogingen gedaan om de moeder te betrekken bij het hulpverleningsproces, maar vanwege de houding van de moeder is dat niet gelukt. De moeder schold de jeugdbeschermer(s) bijna altijd uit. Op 4 december 2025 vond er een begeleid omgangsmoment plaats tussen [de minderjarige] en de moeder, wat goed verliep. Levvel gaf aan dat er bij [de minderjarige] daarna geen gedragsveranderingen zijn waargenomen die kunnen duiden op (bijvoorbeeld) een terugval. Levvel vindt het belangrijk om de omgangsmomenten de komende tijd voor de duur van een half uur te laten plaatsvinden. Daarbij stelt Levvel voor om de omgangsmomenten om de week te laten plaatsvinden. De GI zal in de komende periode nieuwe omgangsmomenten inplannen.

Door de GI is tijdens de zitting aangegeven dat de GI en ZIJN hebben besloten dat er twee begeleiders moeten zijn bij de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder. Doordat er geen begeleiders beschikbaar waren, is er sinds 4 december 2025 geen nieuw omgangsmoment geweest. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de omgang zo snel mogelijk weer wordt opgestart. In de komende maanden is het van belang dat de omgang gefaciliteerd en gemonitord wordt, al kan de GI daarover geen toezegging doen. Er is nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. Als de omgangsmomenten goed verlopen, moeten deze worden uitgebreid. De GI weet niet wat de uitkomst is van het onderzoek naar de vader, zodat niet bekend is waarom er geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de vader. Dit moet nog worden uitgezocht. De vertegenwoordiger van de GI neemt contact op met het management van de GI, omdat er zo snel mogelijk stappen moeten worden gezet.

4. Het standpunt van de moeder

De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de moeder het eens is met het verzoek, maar de GI moet de omgang tussen de jonge [de minderjarige] en de moeder wel direct weer oppakken. Ook moet de GI de afspraken over het informeren van de moeder nakomen en moet er een vaste jeugdbeschermer komen. De moeder betwist dat zij niet zou meewerken. De GI focust te veel op het verleden, terwijl het nu juist beter gaat met de moeder en zij meewerkt met de GI. Dat zal de GI zien als zij de omgangsmomenten weer oppakt. Doordat de moeder veel positieve stappen heeft gezet, is de hulp vanuit het FACT sterk verminderd en is dat alleen nog ambulant. De moeder heeft een dagbesteding.

5. De mening van de vader

De vader heeft aangegeven dat hij [de minderjarige] zo snel mogelijk weer wil zien en dat zij zo snel mogelijk naar huis moet komen. Het lukt hem niet om contact te krijgen met de GI.

6. De verdere beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [de minderjarige] kan (nog) niet bij de moeder wonen en de moeder is het daarmee eens. [de minderjarige] kan ook niet bij de vader wonen, omdat er geen zicht is op de eerdere zorgen over de vader en [de minderjarige] en de vader hebben elkaar al lange tijd niet gezien. De moeder lijkt beter te willen samenwerken met de GI. Op 4 december 2025 vond er een begeleid omgangsmoment plaats tussen [de minderjarige] en de moeder, wat goed verliep. Het is erg belangrijk dat de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder weer snel worden opgestart door de GI, vooral vanwege [de minderjarige] ’s jonge leeftijd en het beperken van de kans op hechtingsproblemen. Als de omgangsmomenten goed verlopen, moeten deze worden uitgebreid. Tijdens de zitting heeft de GI toegezegd zich hiervoor in te zetten. Dat er nu geen jeugdbeschermer beschikbaar is, mag niet leiden tot het stopzetten van de omgangsmomenten tussen de moeder en de erg jonge [de minderjarige] . Het is vanwege [de minderjarige] ’s jonge leeftijd verder van belang dat er snel zicht komt op haar toekomstperspectief. In de komende drie maanden is het daarom belangrijk dat er zorgvuldig wordt onderzocht wat de beste woonplek is voor [de minderjarige] . Deze plek moet bestendig zijn, omdat het niet in [de minderjarige] ’s belang is om meerdere keren van woonplek te wisselen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zich daarvoor inzet.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 30 april 2026;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F.G. van der Erve als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand