ECLI:NL:RBNHO:2026:11321

ECLI:NL:RBNHO:2026:11321

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 11957280 CV EXPL 25-7467
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Dexia. Effectenlease. Verboden advisering tussenpersoon.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11957280 CV EXPL 25-7467

vonnis van de kantonrechter van 12 augustus 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

te dezen handelende ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid wettelijke erfgenaam van [erflater] (hierna te noemen: [erflater] of contractant),

eisende partij in conventie in de hoofdzaak,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

Partijen worden hierna [eiser] en Dexia genoemd.

1. Kern van de zaak

[erflater] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. [erflater] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [erflater] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest [erflater] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [erflater] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [erflater] geleden schade helemaal moet vergoeden.

Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [erflater] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 29 oktober 2025;

de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties;

De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3. 3. De feiten

[erflater], overleden op 8 mei 2013, heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

20300163

14-02-2002

Capital Effect

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

14-02-2007

+ € 2.694,55

Door Dexia

Volgens opgave van Dexia heeft [erflater] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 21.549,00 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [erflater] € 4.875,47 aan dividenden ontvangen en € 1.410,17 aan fiscaal voordeel genoten.

De gemachtigde van [erflater], Leaseproces, heeft bij brief van 23 december 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident

[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erflater] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [erflater] en iedere erfgenaam van [erflater] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [eiser] te vergoeden,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [erflater] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser], met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een onvoorwaardelijk incidenteel verzoek, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tussen de haar en [erflater] gesloten overeenkomst met nummer 20300163 niets meer aan [eiser] verschuldigd is,

 [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

5. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident algemeen 5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [erflater].

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[erflater] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;

er is voldoende causaal verband aanezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

[erflater] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf] (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [erflater] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [erflater], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [erflater] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

‘Contractant is in contact gekomen met [bedrijf] en daarbij is er een afspraak gemaakt met een financieel adviseur van [bedrijf] om de financiële situatie van contractant door te nemen. De financieel adviseur van [bedrijf], de heer [betrokkene] (hierna te noemen: ‘adviseur’), is vervolgens meerdere keren op huisbezoek geweest bij contractant. [eiser] was hierbij aanwezig.

Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractant. Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het werk, de koopwoning (in het bijzonder) en de maandlasten van contractant. Contractant had twee persoonlijke leningen waar hij van af wilde en er moesten noodzakelijke reparaties aan de woning worden gedaan. Met de adviseur is tevens gesproken over de wens van contractant om deze persoonlijke leningen af te lossen en de reparaties aan de woning te kunnen bekostigen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist.

De adviseur adviseerde contractant om een extra hypothecaire lening af te sluiten bij de Postbank van ongeveer EUR 68.000,-. Van deze extra hypothecaire lening zou contractant zijn persoonlijke leningen kunnen aflossen en de noodzakelijke reparaties aan de woning kunnen realiseren. Daarnaast adviseerde de adviseur contractant om het resterende bedrag van ongeveer EUR 21.600,- te investeren in een Capital Effect product van Dexia. Volgens de adviseur zou contractant met het Capital Effect product aanzienlijk vermogen opbouwen, wat contractant vervolgens weer zou kunnen gebruiken om de extra hypothecaire lening mee af te lossen. Het Capital Effect product zou een goed en veilig product zijn waarbij contractant de inleg gegarandeerd terug zou krijgen, aldus de adviseur.

De adviseur heeft contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractant op deze risico’s gewezen was, had hij het Capital Effect product nooit afgesloten.

Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd en een Capital Effect product van Dexia afgesloten met een vooruitbetaling van EUR 21.549,-. De aanvraag voor het Capital Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.

Conform het advies van de adviseur hebben contractant en [eiser] een extra hypothecaire lening afgesloten bij de Postbank. [eiser] overlegt de hypotheekakte als productie D .’

[eiser] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het aanvraagformulier van 26 november 2001 op naam van [erflater], waarop ATP-nummer 170 is ingevuld,

- een kopie van de overeenkomst van 14 februari 2002 met contractnummer 20300163, voorzien van de tekst: Adviseur ATP00170-[bedrijf] B.V.,

- een hypotheekakte in verband met een hypothecaire lening aan [erflater] van de Postbank.

Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eiser] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [erflater] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiser] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

wetenschap Dexia

[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon [bedrijf] een op de persoon van [erflater] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [erflater], had zij behoren te weten dat [erflater] door de tussenpersoon is geadviseerd.

aansprakelijkheid Dexia 5.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [erflater] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [erflater] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [erflater] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eiser] 5.12. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat en dat dientengevolge geleden schade door Dexia aan [eiser] dient te worden vergoed.

De als gevolg hiervan door [erflater] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

[eiser] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 12.568,81. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

het verzoek van Dexia

Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.

Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 87,00.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten

Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen.

Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 90,00

- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)

- nakosten € 144,00

Totaal € 954,47.

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6. Beslissing

De kantonrechter

in het incident van Dexia

wijst het verzoek af,

veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 87,00,

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,

verklaart voor recht dat [erflater] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan [eiser] te vergoeden,

veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.568,81, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand