RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/367874 / JU RK 25-1032
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Pothast, kantoorhoudende te Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
[de grootouders] ,
hierna te noemen: de grootouders (vz),
wonende in [plaats] .
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter van 2 juni 2026 en de daarin vermelde stukken;
de brief van de vader van 10 augustus 2026, ontvangen op dezelfde datum;
de schriftelijke update van de GI, met bijlage, van 11 augustus 2026, ontvangen op dezelfde datum;
het adviesverslag Terug Naar Huis Onderzoek (TNHO) van Parlan, ontvangen op 13 augustus 2026.
Op 18 augustus 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de grootouders (vz);
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
De vader is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven sinds 3 juni 2026 bij de moeder.
Bij beschikking van 11 november 2022 heeft de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 21 oktober 2025 tot 11 november 2026.
Bij beschikking van 2 december 2022 heeft de kinderrechter een machtiging verleend [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders (vz). Deze machtiging is vervolgens telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 2 juni 2026 tot 11 september 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden in afwachting van het verloop en de uitkomst van de proefplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 24 maart 2026 de bestreden beschikking van de rechtbank van 21 oktober 2025 bekrachtigd. Het gerechtshof heeft daarbij overwogen dat het ingezette TNHO moet worden uitgebreid met een onderzoek naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van de kinderen bij de moeder.
3. Het (resterende) verzoek
De GI verzoekt primair om afwijzing van het resterende deel van het verzoek. De GI verzoekt subsidiair om het resterende deel van het verzoek – in afwachting van een nadere formele toetsing door de Raad - voor een periode van maximaal drie maanden toe te wijzen.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. In het kader van het TNHO verblijven [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] sinds 3 juni 2026 volledig bij de moeder. Tijdens de proefplaatsing van vier weken zijn geen signalen naar voren gekomen die wijzen op onvoldoende opvoedcapaciteiten of veiligheidsrisico’s. De positieve ontwikkeling van de moeder zet zich onverminderd voort. De kinderen ontwikkelen zich daarnaast positief binnen de thuissituatie bij de moeder. Het is belangrijk dat het verblijf van de kinderen bij de moeder wordt voortgezet. Daarbij zal de GI aandacht houden voor het belang van een veilig en stabiel opvoedklimaat en het behoud van de voor de kinderen belangrijke relaties, waaronder het contact met de vader. Na de zomervakantie zal verder worden gewerkt aan het vormgeven van een duurzame en voor alle betrokkenen werkbare regeling rondom de omgang, communicatie en informatie-uitwisseling.
Ter zitting heeft de GI hieraan toegevoegd dat de gezondheidssituatie van de vader dusdanig is verslechterd dat is besloten om de omgang en het contact tussen de vader en de kinderen voor de komende zes maanden stil te leggen. De kinderen verkeren in een loyaliteitsconflict en de vader is niet in staat om het belang van de kinderen voorop te stellen.
4. De standpunten
het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is verzocht om afwijzing van het verzoek. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is niet langer noodzakelijk en niet in het belang van de kinderen. De moeder is inmiddels bijna drie jaar middelenvrij en stabiel. Zij heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt en beschikt volgens de betrokken hulpverlening over voldoende opvoedvaardigheden. De kinderen zijn op dit moment wantrouwend omdat onduidelijk is of zij definitief teruggeplaatst worden bij de moeder. Hoewel een formele toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming ontbreekt, wijst alle beschikbare informatie op een terugplaatsing. De moeder zal het contact tussen de kinderen en de vader blijven stimuleren, voor zover dit passend en pedagogisch verantwoord is. De samenwerking tussen de moeder en de grootouders (vz) verloopt bovendien goed.
het standpunt van de vader
De vader heeft schriftelijk naar voren gebracht dat de huidige situatie voor hem en zijn partner emotioneel en lichamelijk zeer belastend is. De vader en zijn partner leggen zich neer bij een eventuele terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Hoewel zij van mening zijn dat de kinderen beter kunnen opgroeien bij de grootouders (vz), beseffen zij dat zij hier geen invloed meer op kunnen uitoefenen. De vader en zijn partner wensen geen contact meer te hebben met de moeder. De vader neemt een toenemende afstand tussen hem en de kinderen waar. Hij heeft verder aangegeven niet langer in staat te zijn om het gezamenlijk gezag over de kinderen met de moeder uit te oefenen. Hij wil het gezag over de kinderen volledig bij de moeder neerleggen.
het standpunt van de grootouders (vz)
De grootouders (vz) staan achter de terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Zij hebben grote zorgen over de situatie van hun zoon. De grootouders (vz) merken dat de kinderen het momenteel ingewikkeld vinden; zij durven nog niet bij de grootouders (vz) te logeren, omdat zij bang zijn dat zij daarna niet meer naar de moeder mogen terugkeren. De grootouders (vz) hebben vertrouwen in de terugplaatsing van de kinderen bij de moeder en vinden het fijn om hun rol van opa en oma weer in te nemen.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Daarbij overweegt de kinderrechter dat de moeder de positieve ontwikkeling de afgelopen periode heeft voortgezet. De proefplaatsing is goed verlopen en de kinderen verblijven inmiddels volledig bij de moeder. Het TNHO is positief afgerond en geadviseerd is om de kinderen bij de moeder te laten opgroeien. De kinderen bloeien op in de thuissituatie bij de moeder en hebben de wens om bij de moeder op te groeien. De samenwerking tussen de moeder en de grootouders (vz) is de afgelopen periode verbeterd. Het is belangrijk dat de kinderen duidelijkheid krijgen over hun woonperspectief, zodat zij de ruimte voelen om op een onbelaste manier contact te kunnen hebben met de volwassenen om hen heen. De kinderrechter acht de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de grootouders (vz) niet langer noodzakelijk en zal het verzoek afwijzen. Zij complimenteert de grootouders (vz) voor de wijze waarop zij de kinderen gedurende langere tijd hebben opgevangen en hoopt dat zij de komende periode weer kunnen genieten van hun rol als opa en oma.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. W.C. Oosterbroek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier, en op schrift gesteld op 28 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.