[eiser] , uit Zaandam, eiser
(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder
(gemachtigde: J. van der Wal).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder dat is verzonden op 7 augustus 2025 op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna.
Beoordeling door de rechtbank
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 26 maart 2025.
2. Eiser heeft op 23 november 2024 een aanvraag ingediend om een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning.
3. Bij brief van 11 maart 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zij de beslistermijn op grond van artikel 2.5.2., tweede lid, van de Huisvestingsverordening tijdelijk verlengen tot uiterlijk 9 april omdat zij meer tijd nodig hebben om de aanvraag van eiser af te handelen.
4. Bij het primaire besluit van 26 maart 2025 – welke op dezelfde datum per e-mail aan eiser is verzonden – heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.
5. Op 20 mei 2025 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit.
6. Bij brief van 27 mei 2025 heeft verweerder eiser bericht dat zijn bezwaar te laat is ingediend. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om te laten weten waarom hij het bezwaar te laat heeft ingediend.
7. Per e-mail van 5 juni 2025 heeft eiser verklaard dat zijn bezwaarschrift wel degelijk binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken is ingediend, het besluit is namelijk van 9 april 2025. De termijn gaat in op de dag van dagtekening van het besluit en loopt daarom tot en met 21 mei 2025.
8. Op 6 augustus 2025 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden.
Bij besluit verzonden op 7 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.
9. Uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.
10. Eiser beroept zich op de e-mail van verweerder van 11 maart 2025 waarin staat vermeld dat: “Wij verlengen de beslistermijn in uw zaak tijdelijk met vier weken op tot uiterlijk 9 april omdat wij meer tijd nodig hebben om uw aanvraag af te handelen.” In het primaire besluit van 26 maart 2025 wordt door verweerder letterlijk verwezen naar de mogelijkheid om bezwaar in te dienen “binnen zes weken vanaf de datum waarop deze brief is verzonden.” Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, blijft onduidelijk waarom eiser niet binnen zes weken na ontvangst van het besluit van 26 maart 2025 een bezwaarschrift heeft kunnen indienen, zo nodig een pro forma bezwaar. In de e-mail van 11 maart 2025 waar eiser aan refereert, is geen enkele toezegging van verweerder te lezen dat de bezwaartermijn op 9 april 2025 aanvangt. Eiser heeft ook niets aangevoerd op grond waarvan hij zou mogen vertrouwen dat de bezwaartermijn op 9 april 2025 zou aanvangen.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026 door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.