RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Hoorn, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn
Samenvatting
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2882
(gemachtigde: mr. W. de Vis),
en
(gemachtigde: mr. C. Haring).
1. Deze uitspraak gaat over de aan Quatre Brandt B.V. (hierna: de vergunninghouder) verleende omgevingsvergunning voor het vergroten en verbouwen van een winkel tot twee appartementen op de locatie [adres 1] in Hoorn. Eiseres is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college dat heeft kunnen doen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Procesverloop
Op 29 augustus 2024 heeft de vergunninghouder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend.
Het college heeft bij het primaire besluit van 23 december 2025 de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in afwijking van het omgevingsplan verleend. Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghouder wil het pand verbouwen van een winkel naar twee woningen. Het pand verandert na realiseren van één bouwlaag naar één bouwlaag met een mansardekap. Er wordt een woning gerealiseerd op de begane grond en in de mansardekap. De nieuwe goot- en nokhoogte bedragen respectievelijk 4,09 m en 7,7 m. Aan de achterzijde komt een inham in de mansardekap voor een dakterras van circa 6 m².
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow) is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Ter plaatse van het perceel Nieuwsteeg 1C-1D geldt het Omgevingsplan Hoorn (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het betreffende perceel was vóór 1 januari 2024 – voor zover hier van belang - het bestemmingsplan “Binnenstad” (het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hoorn.
Een omgevingsplanactiviteit is gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het omgevingsplan en dat binnen het omgevingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen voor onderhavig geval. Dit betekent dat een omgevingsvergunning nodig is voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend.
Eiseres is woonachtig op het [adres 2] in Hoorn. Haar woning bevindt zich aan de achterzijde van het perceel waar het bouwplan op ziet. Zij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning.
Heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal)?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er momenteel een tattooshop is gevestigd in het pand. Ter plaatse vigeert de bestemming ‘detailhandel’. De aanvraag die voorligt gaat uit van een ‘woonbestemming’. Dit is in strijd met het omgevingsplan. Door het college wordt gesteld dat er al veel woningen zijn, maar dat maakt niet dat aan iedere wijziging van bestemming van winkel naar wonen medewerking moet worden verleend. Er is geen ruimtelijke onderbouwing voorhanden en het is onduidelijk hoe het plan in de omgeving past. Door het plan zal sprake zijn van schaduwwerking in haar pand. De bebouwing is al dicht en het dichter maken leidt tot nog minder zonlicht. Het gebouw zal worden voorzien van een extra bouwlaag met als gevolg dat het uitzicht dusdanig verandert dat met de uitvoering van het bouwplan wordt uitgekeken op de zijkant en achterkant van de nieuwe bouwlaag in plaats van het uitkijken op een gebouw met een plat dak. Hierdoor kan het gevoel ontstaan ‘ingebouwd’ te zijn. Er is niet voor niets een maximale bouwhoogte voorgeschreven in het omgevingsplan. De belangen van eiseres dienen te prevaleren boven de belangen die zijn gemoeid met realisatie van het bouwplan.
Tot slot wordt niet onderkend dat er minder privacy is doordat er een bouwlaag wordt toegevoegd. Het college had rekening moeten houden met de bewoners ten aanzien van het privacy-aspect bij het toevoegen van een dakterras.
6. Uit de artikelen 5.1 eerste lid, onder a, en 5.21, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat een omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met etfal. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7. Met de omgevingsvergunning is het college afgeweken van de vigerende bestemming in het omgevingsplan. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat het bouwplan op een deel van de [straat] ziet met voornamelijk een woonbestemming. Toegelicht is dat in de binnenstad van Hoorn sprake is van leegstand en dat dit pand op dit moment ook niet meer voor de bestemming detailhandel wordt gebruikt. Met de aanvraag worden er woningen gerealiseerd op deze plek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de woonfunctie op deze plek in redelijkheid aanvaardbaar en passend kunnen en mogen achten.
8. Aan eiseres kan worden toegegeven dat door het toevoegen van een extra bouwlaag sprake zal zijn van enige mate van vermindering van zonlicht. De rechtbank is evenwel met het college van oordeel dat deze vermindering binnen aanvaardbare grenzen blijft. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in Nederland voor bezonning van woningen geen wettelijke normen gelden. De gevolgen van een bouwplan voor bezonning van woningen vormen echter wel onderdeel van etfal. Aan de hand van een rapport over schaduwwerking heeft het college een afweging gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de schaduwvorming die het bouwplan meebrengt. Weliswaar is gebleken dat het bouwplan (beperkte) vermindering van zonlicht meebrengt, maar dit blijft binnen de strenge TNO-norm. Een en ander is door eiseres niet weersproken.
9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt, zoals door het college gesteld, dat in het algemeen geen recht bestaat op blijvend vrij of ongehinderd uitzicht, temeer wanneer sprake is van een stedelijke omgeving, zoals in deze zaak aan de orde is. De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij vreest ingesloten te raken, dat dit gelet op het stedelijk karakter van de omgeving niet tot de conclusie leidt dat het college om die reden geen medewerking kon verlenen aan het bouwplan. De omliggende bebouwing heeft nagenoeg allemaal deze ‘extra’ bouwlaag, het bouwplan sluit aan bij de bestaande bebouwing en het huidige uitzicht wordt reeds beperkt door de dichtbebouwde binnenstedelijke omgeving waarin de woning van eiseres ligt. Tegen deze achtergrond is de invloed van de extra bouwlaag op het uitzicht van eiseres niet onaanvaardbaar te noemen.
10. Wat betreft de inbreuk op de privacy heeft het college gesteld dat de inbreuk beperkt is doordat de ramen van de dakkapel grenzend aan de smalle steeg van eiseres ondoorzichtig worden uitgevoerd. Vanaf het (relatief kleine) dakterras is er geen rechtstreeks uitzicht op het perceel van eiseres omdat het dakterras is gelegen in een inham en gescheiden door de gevel. De rechtbank ziet geen reden om het college hierin niet te volgen. Van een voor eiseres niet te dulden inbreuk op haar privacy is dan ook geen sprake. De rechtbank ziet daarom ook op dit punt geen beletsel voor de omgevingsvergunning.
11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het college in redelijkheid het belang bij het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het bouwplan heeft mogen laten prevaleren boven het belang van eiseres.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.