RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 12031248 \ WM VERZ 25-3357
CJIB-nummer : ['nummer']
Uitspraakdatum : 27 augustus 2026
Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [betrokkene]
woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)
gemachtigde : [gemachtigde]
De verkeersboete en het beroep
Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen).
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de boete. Het beroep is behandeld op de zitting van 3 augustus 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is ook verschenen.
De gemachtigde heeft het beroep op de zitting toegelicht en gevraagd om het beroep gegrond te verklaren. Volgens de gemachtigde zit de instemmingsbrief van 3 oktober 2024 niet in het dossier, en gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2026:217 moet uit het dossier blijken dat door het Openbaar Ministerie instemming is verleend voor de digitale handhaving ter plaatse. Volgens de gemachtigde is dit niet gebleken. Ook stelt de gemachtigde dat de sanctie disproportioneel hoog is en dat correctie op het sanctiebedrag noodzakelijk is. Daarbij heeft de gemachtigde verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland met vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2026:3707 en ECLI:NL:RBMNE:2026:3889.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna de vertegenwoordiger) heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Daarbij heeft de vertegenwoordiger de instemmingsbrief van 3 oktober 2024 op de zitting overhandigd. Voor wat betreft de hoogte van de boetes stelt de vertegenwoordiger dat alleen in concrete gevallen en wegens bijzondere omstandigheden een boete gematigd kan worden, maar niet wegens hoge inflatiecorrectie. De vertegenwoordiger stelt dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid om de boete te matigen en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland met vindplaats: ECLI:NL:RBGEL:2026:5868.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
De beoordeling
Gedraging
De kantonrechter oordeelt dat de boete terecht is opgelegd. In dit geval blijkt uit de foto van de gedraging en de beschikbare schouwrapporten dat de bebording met betrekking tot de geslotenverklaring juist was opgesteld en dat de bebording duidelijk zichtbaar was. Betrokkene had daarvan dus kennis kunnen nemen. Dat betrokkene de bebording mogelijk niet goed of over het hoofd heeft gezien, is dan ook een omstandigheid waarvoor de gevolgen voor rekening van betrokkene dienen te komen. Verder verwijst de kantonrechter naar de gepubliceerde uitspraak van deze rechtbank, waarin – kort samengevat – is overwogen dat er geen reden is om te oordelen dat de geslotenverklaring onduidelijk is of dat de weginrichting en het straatbeeld voor verwarring zorgen. Ook is in deze uitspraak geoordeeld dat de digitale handhaving van de geslotenverklaring per 4 november 2024 voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat oordeel wordt in deze zaak overgenomen. De gemachtigde van betrokkene heeft op de zitting gesteld dat niet gebleken is dat de beleidsadviseur bevoegd was om de instemmingsbrief te onderteken. De kantonrechter volgt betrokkene niet in dit standpunt en gaat uit van de bevoegdheid van de beleidsadviseur.
Evenredigheidsbeginsel
Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%, waarvan 5,7% indexering volgens de consumenten prijsindex en 4,3% beleidsmatige verhoging.
In de twee uitspraken van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2026, waarnaar de gemachtigde verwijst, is met juistheid gesignaleerd dat er al jarenlang een steeds grotere disbalans ontstaat tussen enerzijds de Wahv-boetes en anderzijds de OM-boetes voor andere verkeersovertredingen en de strafrechtelijke boetes voor commune, niet verkeer gerelateerde delicten. De Tweede Kamer heeft meermalen kritische vragen gesteld en zelfs een motie aangenomen waarin de minister werd verzocht de verkeersboetes niet meer te laten stijgen om de gaten in de begroting te dichten en de ontstane disbalans tussen de verschillende boetes te corrigeren. De minister heeft die opvatting van de Kamer en de adviezen van het openbaar ministerie en de Raad van State telkens naast zich neergelegd en is de verkeersboetes ieder jaar blijven verhogen.
Vastgesteld kan worden dat de gesignaleerde disbalans in de tarieven mede politiek-bestuurlijk gemotiveerd is. Over die motivering komt de kantonrechter, gelet op de ruimte die de Wahv de minister bij het vaststellen van de tarieven biedt en gelet op de relatief geringe hoogte van de boetes in de Wahv, slechts met grote terughoudendheid beoordelingsruimte toe.
Met inachtneming van deze beoordelingsruimte beoordeelt de kantonrechter de verhoging van de boetetarieven met 10% per 1 maart 2024 niet disproportioneel.
Geen aanleiding voor correctie of matiging in dit geval
Met betrekking tot de opgelegde boete in dit geval is de kantonrechter verder van oordeel dat een sanctiebedrag van € 120,- voor de verrichte gedraging (als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen) niet onevenredig is. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging.
De betrokkene heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, het bedrag van de opgelegde sanctie lager moet worden vastgesteld en deze zijn de kantonrechter ook anderszins niet gebleken. De bezwaren van de betrokkene tegen de hoogte van de opgelegde sanctie treffen derhalve geen doel.
Conclusie
De conclusie is dat het beroep ongegrond wordt verklaard.
Er is geen aanleiding om proceskosten toe te kennen, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond;
‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.J. Lourens, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: