uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 op het verzet van
[opposant] , uit [plaats] , opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2026 in het geding tussen
opposant
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer.
Inleiding
1. Het college heeft naar aanleiding van een handhavingsverzoek van een derde-belanghebbende met het primaire besluit van 3 maart 2025 aan opposant een last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder vergunning bouwen van een schuur in strijd met het omgevingsplan. Met het betreden besluit van 6 november 2025 op het bezwaar van opposant heeft het college, onder aanvulling van de motivering, het primaire besluit in stand gelaten. Hiertegen heeft opposant op 20 april 2026 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 mei 2026 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak op 29 mei 2026, aangevuld op 31 mei 2026, 29 juni 2026, 17 juli 2026, 28 juli 2026 en 21 augustus 2026, verzet ingesteld.
2. Op 24 juni 2026 heeft het college op het verzet gereageerd met een verweerschrift.
3. Op 28 augustus 2026 heeft de rechtbank het verzet op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen opposant. Met bericht vooraf is het college niet op zitting verschenen.
Overwegingen
4. De rechtbank heeft op 28 mei 2026 zonder zitting uitspraak gedaan in de beroepszaak (hierna: de buitenzittinguitspraak). Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. In de buitenzittinguitspraak heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroepschrift te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is.
5. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Gronden van het verzet
6. Opposant erkent (ook) in verzet dat het beroep niet tijdig is ingediend. Hij is evenwel van mening dat de rechtbank hieraan voorbij had moeten gaan. Opposant heeft – alvorens beroep in te stellen – overleg gevoerd met een advocaat. Toen dat niets opleverde, is opposant alsnog in beroep gegaan. Opposant voert diverse inhoudelijke gronden aan die betrekking hebben op de aan opposant opgelegde last onder dwangsom en de 52 door opposant gedane handhavingsverzoeken. Daarbij voert opposant ook aan dat er sinds het bestreden besluit veel gebeurd is, dat opposant moeilijk kan leven met de situatie van ongelijkheid en dat de gemeente volgens opposant zeer onbetrouwbaar is.
Beoordeling
7. De verzetrechter ziet in het standpunt van opposant geen reden om het verzet gegrond te verklaren. Vaststaat dat in de bijlage bij het bestreden besluit staat vermeld dat opposant wanneer hij het niet eens is met de beslissing van verweerder, binnen zes weken beroep moet instellen bij de rechtbank. Deze termijn moet opposant voldoende tijd hebben gegeven om, ook onder de omstandigheden als door hem geschetst, tijdig beroep (zo nodig pro forma) in te (laten) stellen. Dat opposant eerst overleg wilde voeren met een advocaat – hoe begrijpelijk ook – maakt dat niet anders en leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is immers dat het voor hem om die reden niet mogelijk is geweest om (in ieder geval pro forma) tijdig beroep in te stellen. Dat opposant dit heeft nagelaten en (te) lang heeft gewacht met het instellen van het beroep, komt dan ook voor zijn rekening en risico. De verzetrechter is dan ook van oordeel dat de rechtbank zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door opposant aangevoerde omstandigheden geen reden zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De termijnen in de Awb zijn van openbare orde en het staat de rechtbank en dus ook de verzetrechter niet vrij om daarvan – bijvoorbeeld uit coulance – af te wijken.
8. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de buitenzittinguitspraak van 28 mei 2026 in stand blijft. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van opposant tegen de aan hem opgelegde last onder dwangsom komt de rechtbank daarom niet toe.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op: