ECLI:NL:RBNHO:2026:11469

ECLI:NL:RBNHO:2026:11469

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 15/255644-25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling wegens o.a. het medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte wordt als medepleger van het gepleegde geweld aangemerkt. De verdachte en zijn mededaders hebben bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door de geweldshandelingen dodelijk letsel zou oplopen. Zodoende is sprake van voorwaardelijk opzet. Gelet op de ernst van met name het medeplegen van de poging tot doodslag is een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats. Het gaat om een vooraf bedacht plan om iemand die weerloos is in de val te lokken om hem zwaar geweld aan te doen. De duur van het voorarrest van 10 dagen doet geen recht aan die ernst en brengt onvoldoende tot uitdrukking dat dergelijke geplande acties, die naar uit zaken bekend is onder jongeren of jongvolwassenen ook op social media behoorlijk aandacht krijgen, volstrekt onacceptabel zijn. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijk deel opleggen dat langer is dan het voorarrest. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij van € 25.000 aan immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/255644-25 (P)

Uitspraakdatum: 1 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 18 augustus 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Beverwijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijkeen ander, te weten [benadeelde partij 1]van het leven te beroven,- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt waardoor die [benadeelde partij 1] (vervolgens) ten val is gekomen en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet(en)) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Beverwijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,aan een ander, te weten [benadeelde partij 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten (een) gebroken oogkas, gebroken neus, gebroken ribben, klaplong, schaafwonden en hersenkneuzingen, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij 1]- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen waardoor die [benadeelde partij 1] (vervolgens) ten val is gekomen en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet(en)) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag;

Feit 2

hij op of omstreeks 12 mei 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen, althans in Nederland,voor en/of op de oprit van de woning gelegen aan [adres] , in elk geval openlijk, in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [benadeelde partij 2] ,welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen waardoor die [benadeelde partij 2] (vervolgens) ten val is gekomen en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet(en)) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, terwijl die [benadeelde partij 2] op de grond lag en/of- het over de grond slepen en/of trekken van die [benadeelde partij 2] .

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Er is volgens de raadsman onvoldoende bewijs dat de verdachte een rol als medepleger heeft gehad bij het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag dan wel het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering feit 1 primair

Medepleger

De verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht en op de zitting verklaard dat hij geen antwoord kan geven op vragen over feit 1.

De raadsman heeft aangevoerd op grond van de onderzoeksbevindingen niet onder de volgende feitelijke vaststellingen uit te kunnen komen, namelijk dat de telefoon van de verdachte is gebruikt voor het maken van de afspraak, dat de verdachte de persoon met de lichte broek is die op het paaltje het slachtoffer opvangt, dat de verdachte die avond samen met de twee medeverdachten op de pleegplaats in het bos is geweest, zelf in fysiek contact is geweest met het slachtoffer en in de auto van het slachtoffer heeft gereden.

Maar er is volgens de raadsman geen bewijs dat de verdachte een rol als medepleger heeft gespeeld bij het strafbare feit. De raadsman heeft daarbij het volgende aangevoerd. Onbekend is of vooraf overlegd is om de afspraak met het slachtoffer te maken. De verdachte wordt door de medeverdachten op het paaltje gezet om het slachtoffer op te wachten en is op enig moment door hen naar de auto van het slachtoffer gestuurd, terwijl het slachtoffer ondertussen werd mishandeld door de achtergebleven twee medeverdachten. Degene die volgens de aangever heeft gezegd dat het moest stoppen was ‘de jongen met wie het begon’, dus de verdachte. De aangever verklaart dat hij op enig moment overeind geholpen is. Volgens de raadsman is dat door de verdachte gedaan, wat de bloedspetters op zijn schoenen verklaart en ook het DNA op de jas onder de oksel van het slachtoffer. Indien de verdachte, als kickbokser, geweld had gebruikt, was het niet bij een paar spetters bloed op de schoenen gebleven, aldus de raadsman.

Concluderend is er volgens de raadsman geen bewijs dat de verdachte zelf geweld heeft uitgeoefend op het slachtoffer of daarbij als medepleger betrokken was.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de vorm van medeplegen sprake is, als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van het delict. Bij de beoordeling hiervan speelt onder meer een rol de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich al dan niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot dezelfde feitelijke vaststellingen als de raadsman hierboven, die hier als herhaald en ingelast kunnen worden beschouwd. Verder stelt de rechtbank nog het volgende vast.

Bij het maken van de afspraak is de Whatsappchat tussen het slachtoffer en de telefoon van de verdachte een directe voortzetting van contact via snapchat tussen het slachtoffer en het snapchat-account dat blijkens politieinformatie aan medeverdachte [medeverdachte 1] toebehoort.

Er zijn camerabeelden rondom de plaats delict. Uit deze beelden blijkt dat de verdachte met de twee medeverdachten tegelijkertijd het bos in rijden. Vier minuten later loopt de verdachte het bos uit, gaat op een paaltje zitten en wacht op het slachtoffer. De verdachte en het slachtoffer lopen vervolgens samen het bos in.

Uit de verklaringen van het slachtoffer volgt dat het de verdachte was die naar een dieper in het bos gelegen plek wilde en hij maar is meegelopen, dat toen hij samen met de verdachte het bos inliep er twee vrienden (naar de rechtbank begrijpt: van de verdachte) achter een boom vandaan kwamen, dat hij zich toen wilde omdraaien en weggaan, maar bij zijn schouder werd gepakt en zo werd tegengehouden door de verdachte (de jongen met wie hij het bos in was gelopen) en dat hij toen meteen in elkaar werd geramd. Het was voor het slachtoffer duidelijk dat het een afgesproken zaak was tussen de drie verdachten.

Het slachtoffer heeft ter plaatse aan de politieagenten die hem in het bos aantroffen verteld dat hij door drie jongens in elkaar was geslagen en geschopt. Het op hem uitgeoefende geweld heeft volgens het slachtoffer circa tien minuten geduurd, waarna hij het bewustzijn is verloren. Op de beelden is te zien dat de verdachte elf minuten na het bos ingelopen te zijn, het bos weer uitloopt, de auto van het slachtoffer verplaatst naar de ingang van het bos en daarna het bos weer in loopt. Twee minuten later verlaat de scooter met – zo verklaart deze medeverdachte zelf – [medeverdachte 2] en vrijwel direct erna de fatbike met de verdachte en de derde medeverdachte het bos.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte bij het maken van de afspraak betrokken was. Verder was hij vanaf de aankomst bij het bos met de medeverdachten tot het vertrek uit het bos met de medeverdachten aanwezig, waarbij naar het oordeel van de rechtbank het ophalen van de auto van het slachtoffer deel uitmaakte van het incident. De rol van de verdachte is van wezenlijk belang geweest en hij was aanwezig op cruciale momenten. Hij heeft het slachtoffer opgewacht en bewogen met hem mee te lopen het bos in, naar de plek waar de medeverdachten achter een boom klaar stonden. Hij heeft het slachtoffer belet weg te lopen toen de medeverdachten tevoorschijn kwamen. Dat hij zelf fysiek contact heeft gehad met het slachtoffer wordt ondersteund door zijn DNA onder de rechteroksel en bij de linker- en rechterschouder van de jas van het slachtoffer. Dat hij minst genomen dichtbij het slachtoffer was toen deze bloed verloor wordt ondersteund door het bloed van het slachtoffer dat op verdachtes schoenen is aangetroffen.

Bovenstaande feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het oordeel van de rechtbank dat de verdachte medepleger is in de zin als hierboven voorop gesteld. De enkele verklaring van de verdachte op de zitting dat hij op vragen geen antwoord kan geven, kan deze redengevendheid niet ontzenuwen.

De rechtbank ziet geen contra-indicatie in het dossier voor het medeplegen van de verdachte. De rechtbank volgt daarbij de raadsman niet in zijn standpunt dat de verdachte degene is geweest die heeft gezegd dat de medeverdachten moesten stoppen.

Hoewel juist is dat het slachtoffer in het aanvullende verhoor van 2 september 2025 heeft gezegd dat hij denkt dat de jongen waar het mee begonnen is heeft geroepen “Kunnen jullie niet eens een beetje normaal doen”, zoals de raadsman aanhaalt, zegt het slachtoffer erbij dat hij zich dit misschien in zijn hoofd haalt. Verder heeft het slachtoffer in zijn aangifte eerder wel benoemd dat iemand zei tegen iemand ‘doe een beetje rustig aan’, maar dit niet gekoppeld aan de jongen met wie het begon. De rechtbank acht gelet op deze stand van zaken niet voldoende aannemelijk dat het de verdachte is geweest die verbaal heeft geprobeerd te ‘sussen’. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat medeverdachte [medeverdachte 2] zonder kennis van de aangifte uit eigen beweging bij de politie heeft verklaard dat hij op een gegeven moment heeft gezegd dat het genoeg is. Daarbij ziet de rechtbank – anders dan de raadsman aanstipte – geen aanleiding diens verklaring onbetrouwbaar te achten. De verdachte daarentegen heeft noch bij de politie noch op de zitting iets van dien aard gezegd.

Voor het overige kan het betoog van de raadsman – anders dan de raadsman zelf meent – niet anders worden geduid dan als een alternatief scenario. De rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Zo zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte als het ware door de anderen gestuurd werd om dingen te doen, deze aanname van de raadsman is enkel speculatief. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat toen de verdachte de auto ging halen juist de medeverdachten het slachtoffer hebben geschopt en geslagen.

Op basis van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen – in onderlinge verband en samenhang bezien – acht zij wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, zo dat de verdachte als medepleger van het gepleegde geweld wordt aangemerkt.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Uit het dossier volgt niet dat de verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans, te weten een in de gegeven omstandigheden reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, wordt aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. Indien geen inzicht wordt gegeven omtrent wat ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, kan dit worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank heeft de verdachte hierboven als medepleger van het gepleegde geweld aangemerkt. Dit betekent dat het geheel aan gepleegde geweldshandelingen aan de verdachte kan worden toegerekend.

Uit het forensisch medisch onderzoek is gebleken dat het slachtoffer (onder meer) een gekneusde borstkas met vier gebroken ribben aan de linkerzijde en twee gebroken ribben aan de rechterzijde heeft opgelopen en een (beperkte) klaplong, dat er aanwijzingen zijn voor een hersenkneuzing, dat zijn neusbot gebroken is en dat hij een breuk in de binnenwand van zijn linkeroogkas heeft waarbij een stukje bot naar binnen is verplaatst. Ook zijn er aanwijzingen voor breuken van botkamertjes naast de neus en heeft het slachtoffer bloeduitstortingen aan beide oren en rondom beide ogen. Uit dit vastgestelde letsel blijkt dat het slaan en schoppen op en tegen het hoofd en de romp is geweest en met grof geweld heeft plaatsgevonden. Dit wordt ook verklaard door het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij klappen op zijn hoofd heeft gehad, in het gezicht en tegen zijn hoofd is geschopt, op de grond is gesmeten en vervolgens is getrapt en geschopt en bewusteloos is geraakt. Volgens de bevindingen van de forensisch arts was sprake van potentieel dodelijk inwendig letsel en is de door het slachtoffer gegeven toedracht een goed passende verklaring voor de geconstateerde letsels.

Het geldt als feit van algemene bekendheid dat het hoofd – met daarin de hersenen – een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam is dat bij fors geweld tegen het hoofd de aanmerkelijke kans bestaat dat dodelijk letsel wordt toegebracht. Ook feit van algemene bekendheid is dat de ribben dienen ter bescherming van vitale organen, zoals het hart en de longen.

Daar komt bij dat het slachtoffer compleet hulpeloos, zonder telefoon en buiten bewustzijn, in een donker en verlaten bos aan zijn lot is overgelaten.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer door de geweldshandelingen dodelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft hiermee voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

Primair

hij op 28 augustus 2025 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met anderen,ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven,- meermalen, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en - meermalen, met kracht met geschoeide voet(en) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op 12 mei 2025 te IJmuiden, gemeente Velsen, openlijk, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit- meermalen, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen en- eenmaal, (met geschoeide voet) in het gezicht te schoppen, terwijl die [benadeelde partij 2] op de grond lag en- het over de grond slepen en trekken van die [benadeelde partij 2] .

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair

medeplegen van poging tot doodslag.

Feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hij heeft verzocht aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden te verbinden – en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren – zoals geadviseerd door de Raad in zijn rapport van 21 juli 2026. Een locatieverbod, zoals door de benadeelde partij is verzocht, acht de officier van justitie niet aangewezen.

Tot slot heeft de officier van justitie verbeurdverklaring van de in beslag genomen iPhone en schoenen gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft feit 2 op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijk strafdeel passend is, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest van de verdachte. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair of subsidiair ten laste gelegde feit komen, dan is de strafmodaliteit van jeugddetentie niet passend.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen iPhone terug moet worden gegeven aan de verdachte, nu niet is vastgesteld welke informatie deze bevat. Voor wat betreft de schoenen heeft de raadsman zich gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.

De aard en ernst van de feiten

Het zwaartepunt ligt bij het feit van 28 augustus 2025, waarbij de verdachte zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Het slachtoffer is onder het mom van een seksafspraak het bos in gelokt en is daar vervolgens meermalen met kracht tegen zijn gezicht en hoofd geslagen en geschopt en tegen zijn lichaam geschopt. Het slachtoffer heeft hierdoor potentieel dodelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder zeven gebroken ribben, een (beperkte) klaplong, een gebroken neusbot en een gebroken oogkas, waarbij een stuk bot naar binnen is verplaatst, met aanwijzingen voor een hersenkneuzing en voor breuken van de botkamertjes naast zijn neus. Het slachtoffer is nadat de verdachten klaar met hem waren compleet hulpeloos en buiten bewustzijn in het bos aan zijn lot overgelaten. De verdachten hadden zijn telefoon, bril en autosleutel in het bos her en der weggegooid, waardoor het slachtoffer – als hij daartoe al in staat was – niet om hulp kon vragen of kon vertrekken. Dat het slachtoffer er slecht aan toe was blijkt onder andere uit zijn verklaring tegenover de politie waar hij zegt dat hij later in de avond wakker is geworden toen er een voorbijganger met een hondje langsliep, terwijl dit in werkelijkheid bijna acht uur later is geweest. Ook de eerste verbalisant ter plaatse heeft opgeschreven dat zij schrok van wat zij zag, dat het hoofd van het slachtoffer bijna compleet bebloed was met vers en opgedroogd bloed en dat zijn hand en arm ongezond koud aanvoelden. Naast dit lichamelijk letsel is sprake van geestelijk letsel. Het feit is voor het slachtoffer buitengewoon ingrijpend en zeer beangstigend geweest. Hij heeft verklaard dat hij tijdens het geweld dacht dat hij het niet zou overleven en dat hij de daders gesmeekt heeft te stoppen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting hierop op de zitting is gebleken dat het feit tot op de dag van vandaag enorme impact op het slachtoffer heeft. Dit alles valt de verdachte zeer zwaar aan te rekenen.

Daarnaast heeft de verdachte zich drie maanden eerder ook schuldig gemaakt aan een geweldsdelict, te weten de openlijke geweldpleging op 12 mei 2025. De verdachte heeft samen met een ander het slachtoffer, met wie een conflict speelde, doelbewust opgezocht en hem vervolgens meermalen geslagen en geschopt. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Als gevolg van dit gewelddadige handelen heeft het slachtoffer letsel en pijn opgelopen.

Beide strafbare feiten waren geplande geweldsfeiten, waarbij de verdachte – telkens samen met een ander of anderen – doelbewust geweld tegen de slachtoffers heeft gebruikt. Naast de gevolgen die dit geweld op de slachtoffers heeft gehad, zorgen dergelijke geweldsdelicten ook in de maatschappij voor gevoelens van angst en onveiligheid. Ook dit valt de verdachte aan te rekenen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 21 juli 2026, opgesteld door [naam] en het door de jeugdreclassering opgestelde plan van aanpak van 6 augustus 2026. De Raad heeft aangegeven dat de verdachte de afgelopen periode mooie stappen heeft gezet door onder andere zijn schooldiploma te halen, te werken in de koffiezaak van zijn moeder/stiefvader, zijn rijbewijs te halen en zijn eigen bedrijf op te zetten in het geven van kickboks lessen/workshops. Bij veroordeling maakt de Raad zich echter grote zorgen over de houding van de verdachte, zijn denkbeelden en zijn gewetensontwikkeling. De Raad acht het in dat geval van groot belang dat er zicht komt op en duidelijkheid over de binnenwereld van de verdachte, hiervoor zal diagnostiek en behandeling nodig zijn. Op de zitting heeft de Raad aangegeven dat bij een veroordeling de agressie van de verdachte een groot punt van aandacht is. Het recidiverisico wordt ingeschat op (heel) hoog. Vanwege de schorsing van de voorlopige hechtenis op 16 oktober 2025 is de jeugdreclassering bij de verdachte betrokken geraakt. De Raad vindt het positief dat de verdachte zich tijdens zijn schorsing heeft gehouden aan de voorwaarden. De Raad heeft geadviseerd de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat zij niet denkt dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie een positieve bijdrage zal hebben, hoewel het gaat om zeer ernstige geweldsfeiten. Het is daarbij wel van belang dat de verdachte een goede dagbesteding heeft en aan zijn toekomst werkt. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: het houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, het hebben van een positieve dagbesteding in de vorm van werk en deze behouden, meewerken aan diagnostiek en behandeling, bijvoorbeeld van De Waag of een andere soortgelijke instelling die door de jeugdreclasseerder passend wordt geacht, het meewerken aan een delictbespreking, een contactverbod met de medeverdachten van beide delicten en een contactverbod met de slachtoffers van beide delicten. Op de zitting heeft de Raad verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen. [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] heeft namens de jeugdreclassering op de zitting aangegeven dat zij achter het advies van de Raad staat.

De straffen

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van met name het medeplegen van de poging doodslag een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. Het gaat om een vooraf bedacht plan om iemand die weerloos is in de val te lokken om hem zwaar geweld aan te doen. De duur van het voorarrest van 10 dagen doet geen recht aan die ernst en brengt onvoldoende tot uitdrukking dat dergelijke geplande acties, die naar uit zaken bekend is onder jongeren of jongvolwassenen ook op social media behoorlijk aandacht krijgen, volstrekt onacceptabel zijn. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijk deel opleggen dat langer is dan het voorarrest. In het advies van de Raad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een fors deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank ziet alles afwegende geen reden om af te wijken van de door de officier van justitie geëiste straf.

Dit betekent dat volgens de rechtbank een jeugddetentie van twaalf maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van twee jaar verbinden, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Om de verdachte na zijn onvoorwaardelijke jeugddetentie te begeleiden zal de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel verbinden: het houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, het hebben en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van werk, meewerken aan diagnostiek en behandeling, bijvoorbeeld van De Waag of een andere soortgelijke instelling die door de jeugdreclasseerder passend wordt geacht, het meewerken aan een delictbespreking, een contactverbod met de medeverdachten van beide delicten en een contactverbod met de slachtoffers van beide delicten.

De rechtbank ziet evenals de officier van justitie geen aanleiding om het door de benadeelde partij gevraagde locatieverbod voor het bos op te leggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden

De verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan twee misdrijven die zijn gericht tegen en een gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten (kort gezegd) medeplegen poging doodslag en openlijke geweldpleging.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten, het tijdsbestek waarin deze feiten zijn gepleegd en het hoge recidivegevaar moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk strafbaar feit zal plegen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 STK GSM en 1 PR Schoenen, verbeurd moeten worden verklaard. Uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat het onder 1 primair bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, is begaan.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De gemachtigde raadsvrouw mr. K. Lans heeft namens de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] een vordering tot schadevergoeding van € 42.475,02 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen. De gestelde schade bestaat uit:

Zorgkosten Menzis € 729,61

Parkeerkosten € 3,13

Vermiste kleding en schoenen € 200,00

Beschadigde iPhone € 949,00

Korting salaris € 593,28

Totaal materiële schade € 2.475,02

- Immateriële schade € 40.000,00

De raadsvrouw heeft toegelicht dat de korting op het salaris heeft plaatsgevonden omdat de benadeelde een tijd niet inzetbaar is geweest. De werkgever van benadeelde heeft deze kosten van het salaris in maart afgetrokken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor het (bijgestelde) totaalbedrag van € 42.475,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.026,02 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Zorgkosten Menzis € 729,61

Parkeerkosten € 3,13

Vermiste kleding en schoenen € 200,00

Beschadigde iPhone € 500,00

Korting salaris € 593,28

De rechtbank overweegt hiertoe dat de (bijgestelde) schadeposten zorgkosten Menzis, parkeerkosten, vermiste kleding en schoenen, en korting salaris kunnen worden toegewezen, nu deze kosten voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging niet zijn betwist.

Voor wat betreft de beschadigde iPhone wijst de rechtbank de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,00. De rechtbank maakt hierbij gebruik van haar schattingsbevoegdheid en houdt rekening met afschrijvingskosten. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze post voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank een bedrag van € 2.026,02 aan materiële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum vordering, te weten

22 juli 2026.

Immateriële schade

Ook is namens de benadeelde partij een bedrag van € 40.000,00 gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek mogelijk onder meer als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.

In dit geval staat vast dat de benadeelde partij ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder 1 primair gepleegde strafbare feit, zoals hierboven al is beschreven.

Uit de vordering van de benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring is de ernst van de gevolgen gebleken. De benadeelde partij heeft tot op de dag van vandaag nog last van de gevolgen van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring dat zijn evenwicht, reuk- en smaakzin en geheugen nog niet zijn verbeterd. De benadeelde partij durft in het donker de straat niet op, is constant alert en heeft depressieve gevoelens en gedachten. Het trauma dat hij heeft opgelopen, zal op verschillende manieren nog lange tijd deel uitmaken van zijn leven, aldus de benadeelde partij.

De rechtbank overweegt dat er blijkens de toelichting op de vordering nog geen eindsituatie is. Ten tijde van de laatste medische controles was het herstel van benadeelde nog niet voltooid. Met de huidige toelichting is de vordering voldoende onderbouwd

tot het bedrag van € 25.000,00 en zal dit in zoverre worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige deel van de immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor de behandeling van dit deel is in de strafprocedure geen plaats, nu dit leidt tot een te grote belasting van deze procedure.

Conclusie

Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 27.026,02. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de delen van de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De vergoeding van het bedrag van € 2.026,02 aan materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2026, omdat vast is komen te staan dat de verdachte op die datum bekend is geworden dan wel bekend had kunnen worden met de vordering, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De vergoeding van het bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Hoofdelijk

Omdat de verdachte het onder 1 primair bewezen verklaarde feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 27.026,02 aan de Staat moet betalen, waarbij de vergoeding van de materiële schade

(€ 2.026,02) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade (€ 25.000,00) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De gemachtigde raadsman mr. M. de Klerk heeft namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Op de zitting heeft de raadsman namens de benadeelde partij een toelichting gegeven op de vordering.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het totaalbedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij enig lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder 2 gepleegde strafbare feit.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Hoofdelijk

Omdat de verdachte het onder 2 bewezen verklaarde feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover deze mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 500,00 aan de Staat moet betalen, dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 287 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 7 (zeven) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, zo vaak en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 10 (tien) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 27.026,02 (zevenentwintigduizend zesentwintig euro en twee eurocent), bestaande uit € 2.026,02 voor de materiële schade en € 25.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan [benadeelde partij 1] van dit toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente:

telkens tot de dag van volledige betaling.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachte(n) is betaald, de veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de veroordeelde ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij[benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.026,02 (zevenentwintigduizend zesentwintig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente

telkens tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de

medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de veroordeelde in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot

betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan [benadeelde partij 2] van dit toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2025 tot de dag van volledige betaling.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de veroordeelde ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij[benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

12 mei 2025 tot de dag dat de veroordeelde het volledige bedrag heeft betaald, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de

medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de veroordeelde in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot

betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting

tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.E. van der Veen, voorzitter en tevens kinderrechter,

mr. E.G. van Roest en mr. R. Heemskerk, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C. Kramer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026.

mr. R. Heemskerk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.E. van der Veen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand