RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/344518-25 (P)
Uitspraakdatum: 1 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 18 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Primair hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Beverwijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijkeen ander, te weten [benadeelde partij]van het leven te beroven,- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt waardoor die [benadeelde partij] (vervolgens) ten val is gekomen en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet(en)) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Beverwijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,aan een ander, te weten [benadeelde partij]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel, te weten (een) gebroken oogkas, gebroken neus, gebroken ribben, klaplong, schaafwonden en hersenkneuzingen, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij]- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen waardoor die [benadeelde partij] (vervolgens) ten val is gekomen en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met geschoeide voet(en)) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het primaire feit
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag. Er is volgens de raadsman in de eerste plaats geen sprake van medeplegen, nu geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, noch van dubbel opzet. In de tweede plaats is er geen aanmerkelijke kans op de dood geweest.
Ten aanzien van het subsidiaire feit
De raadsman heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu geen sprake is van medeplegen.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering primair feit
Medepleger
De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, nu geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, noch van opzet op doodslag. Hoewel de verdachte bij het incident aanwezig is geweest, heeft hij zelf geen geweld gebruikt of een andere actieve bijdrage aan het geweld geleverd. De verdachte was ook niet op de hoogte van de lok-seksafspraak en van de aanwezigheid van de derde verdachte. Uit het dossier blijkt niet door hoeveel personen het slachtoffer is belaagd. Het DNA onderzoek duidt er meer op dat juist de twee medeverdachten het slachtoffer hebben belaagd, overeenkomstig wat door de verdachte wordt verklaard. Dat het DNA van de verdachte op de bril van het slachtoffer is aangetroffen, zegt niets over hoe het daar op is terecht gekomen. Dat er verder nergens DNA van de verdachte is gevonden is juist ontlastend, het ondersteunt dat hij zelf geen geweld heeft toegepast
De rechtbank volgt de raadsman niet en overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de vorm van medeplegen sprake is, als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van het delict. Bij de beoordeling hiervan speelt onder meer een rol de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich al dan niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte tegelijkertijd met de twee medeverdachten het bos in rijdt. Dit heeft de verdachte ook op zitting verklaard. Op de beelden is vervolgens te zien dat een van de medeverdachten vier minuten later het bos uit loopt en het slachtoffer opwacht (hierna: de eerste medeverdachte), terwijl de verdachte en de andere medeverdachte gedurende vijf minuten in het bos achterblijven. De eerste medeverdachte en het slachtoffer lopen vervolgens samen het bos in. Het slachtoffer heeft in zijn aangifte verklaard dat op het moment dat hij samen met de eerste medeverdachte het bos inliep, er al heel snel twee vrienden (naar de rechtbank begrijpt: van de eerste medeverdachte) achter een boom vandaan kwamen. De eerste medeverdachte (de jongen met wie hij het bos inliep), hield hem tegen toen hij weg wilde lopen en de anderen begonnen te slaan. Hij werd meteen in elkaar geramd. Het was voor het slachtoffer duidelijk dat het een afgesproken zaak was tussen de drie verdachten. Het op hem uitgeoefende geweld heeft volgens het slachtoffer circa tien minuten geduurd, waarna hij het bewustzijn is verloren. Op de beelden is te zien dat de eerste medeverdachte elf minuten na het bos ingelopen te zijn, het bos weer uitloopt en de auto van het slachtoffer verplaatst. Dit duurt ongeveer acht minuten. De verdachte is al die tijd samen met het slachtoffer en de andere medeverdachte in het bos achtergebleven. Nadat de eerste medeverdachte de auto van het slachtoffer heeft geparkeerd, loopt hij het bos weer in. Twee minuten later rijdt de verdachte om 22:36 uur op zijn scooter het bos uit. Om 22:37 uur volgen de twee medeverdachten op een fatbike.
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte vanaf de aankomst bij het bos met de medeverdachten tot het vertrek uit het bos met een of beide van de medeverdachten in het bos aanwezig is geweest en dus ook gedurende de gehele tijd dat het incident plaatsvond. Het slachtoffer heeft ter plaatse aan de politieagenten die hem in het bos aantroffen verteld dat hij door drie jongens in elkaar was geslagen en geschopt. Ook in het ziekenhuis heeft het slachtoffer tegenover de verbalisant verklaard dat het drie personen waren die hem hadden aangevallen.
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden – in onderlinge verband en samenhang bezien –volgt dat de verdachte een van de twee jongens was die achter een boom met de tweede medeverdachte klaar stond, terwijl de eerste medeverdachte het slachtoffer ophaalde, dat de verdachte achter de boom vandaan is gekomen en samen met een of beide medeverdachten het slachtoffer fysiek heeft aangevallen, dat de verdachte tot het laatst in het bos is gebleven en nagenoeg gelijktijdig met de twee medeverdachten het bos heeft verlaten. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het oordeel dat de verdachte opzet had op geweldsuitoefening op het slachtoffer, dat de rol van de verdachte van wezenlijk belang is geweest, dat hij aanwezig is geweest op cruciale momenten en dat hij zich niet heeft teruggetrokken.
De suggestie van de raadsman dat het DNA van de verdachte door het van zich afduwen van de vechtpartij of secundaire overdracht op de binnenzijde van het glas van de bril van het slachtoffer zou zijn gekomen, is niet concreet gemaakt en niet aannemelijk geworden. Het relaas van de verdachte dat hij niet bij de aanvang van het gevecht aanwezig was, maar verderop stond te rommelen aan zijn scooter omdat deze niet helemaal goed werkte, zoals hij op de zitting heeft verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Daartoe is van belang dat dit wordt weersproken door de aangifte. Verder heeft de verdachte bij de politie zich hier minder stellig over uitgelaten, daar zegt hij enkel dat hij misschien bezig was met zijn scooter. Ook het scenario dat hij al is weggelopen terwijl het gevecht nog gaande was maar in het donker de weg in het bos niet kon vinden en daarom nagenoeg direct voor de medeverdachten het bos uit komt rijden, acht de rechtbank niet aannemelijk. Deze verklaring wordt door niets ondersteund. Ook de verdachte zelf heeft bij de politie niets van die strekking verklaard. Het relaas van de verdachte schuift de rechtbank dan ook terzijde en kan de redengevendheid van bovenstaande feiten en omstandigheden niet ontzenuwen.
Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt en medepleger van het gepleegde geweld is.
Voorwaardelijk opzet op de dood
De raadsman heeft bepleit dat (voorwaardelijk) opzet op de dood niet kan worden bewezen. Er is geen sprake van vol opzet en er is op basis van dit dossier te weinig concrete informatie om vast te kunnen stellen dat er een aanmerkelijke kans op de dood is geweest. Het dossier bevat uiteindelijk alleen de aangifte, de letselverklaring en de beelden. Dat is onvoldoende om de intensiteit en kracht van het geweld in combinatie met het mogelijk in te treden gevolg vast te stellen, aldus de raadsman. Dat in de letselverklaring staat dat het letsel potentieel dodelijk is geweest, is eveneens niet bruikbaar om de aanmerkelijke kans vast te stellen. Daar komt bij dat het slachtoffer met beperkt medisch ingrijpen naar huis kon. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt niet dat de verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans, te weten een in de gegeven omstandigheden reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, wordt aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. Indien geen inzicht wordt gegeven omtrent wat ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, kan dit worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank heeft de verdachte hierboven als medepleger van het gepleegde geweld aangemerkt. Dit betekent dat het geheel aan gepleegde geweldshandelingen aan de verdachte kan worden toegerekend.
Uit het forensisch medisch onderzoek is gebleken dat het slachtoffer (onder meer) een gekneusde borstkas met vier gebroken ribben aan de linkerzijde en twee gebroken ribben aan de rechterzijde heeft opgelopen en een (beperkte) klaplong, dat er aanwijzingen zijn voor een hersenkneuzing, dat zijn neusbot gebroken is en dat hij een breuk in de binnenwand van zijn linkeroogkas heeft waarbij een stukje bot naar binnen is verplaatst. Ook zijn er aanwijzingen voor breuken van botkamertjes naast de neus en heeft het slachtoffer bloeduitstortingen aan beide oren en rondom beide ogen. Uit dit vastgestelde letsel blijkt dat het slaan en schoppen op en tegen het hoofd en de romp is geweest en met grof geweld heeft plaatsgevonden. Dit wordt ook verklaard door het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij klappen op zijn hoofd heeft gehad, in het gezicht en tegen zijn hoofd is geschopt, op de grond is gesmeten en vervolgens is getrapt en geschopt en bewusteloos is geraakt. Volgens de bevindingen van de forensisch arts was sprake van potentieel dodelijk inwendig letsel en is de door het slachtoffer gegeven toedracht een goed passende verklaring voor de geconstateerde letsels.
Het geldt als feit van algemene bekendheid dat het hoofd – met daarin de hersenen – een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam is dat bij fors geweld tegen het hoofd de aanmerkelijke kans bestaat dat dodelijk letsel wordt toegebracht. Ook feit van algemene bekendheid is dat de ribben dienen ter bescherming van vitale organen, zoals het hart en de longen.
Daar komt bij dat het slachtoffer compleet hulpeloos, zonder telefoon en buiten bewustzijn, in een donker en verlaten bos aan zijn lot is overgelaten.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer door de geweldshandelingen dodelijk letsel zou oplopen. De verdachte heeft hiermee voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer gehad.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 augustus 2025 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met anderen,ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven,- meermalen, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en - meermalen, met kracht met geschoeide voet(en) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Primair
medeplegen van poging tot doodslag.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 195 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hij heeft verzocht aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden te verbinden – en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren – zoals geadviseerd door de Raad in zijn rapport van 10 augustus 2026, met uitzondering van het door de Raad geadviseerde contactverbod met de medeverdachten. Een locatieverbod, zoals door de benadeelde partij is verzocht, acht de officier van justitie ook niet aangewezen.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 200 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – samengevat – verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bij het bepalen van de straf rekening te houden met de LOVS-oriëntatiepunten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rol van de verdachte is gering, hij heeft een blanco strafblad, hij heeft zich aan stevige schorsingsvoorwaarden moeten houden, hij heeft sinds zijn schorsing geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en hij heeft oprecht spijt betuigd. De raadsman heeft verzocht de geadviseerde voorwaarde van het meewerken aan een delictbespreking niet op te leggen, nu deze het risico op een terugmelding met zich meebrengt omdat de verdachte bang is voor de medeverdachten. Wat betreft de overige bijzondere voorwaarden heeft de raadsman geen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat het contactverbod met de medeverdachten juist kan dienen ter bescherming van de verdachte. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarden voor een dadelijke uitvoerbaarheid wordt voldaan. Tot slot heeft de raadsman verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De aard en ernst van het feit
Op 28 augustus 2025 heeft de verdachte zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Het slachtoffer is onder het mom van een seksafspraak het bos in gelokt en is daar vervolgens meermalen met kracht tegen zijn gezicht en hoofd geslagen en geschopt en tegen zijn lichaam geschopt. Het slachtoffer heeft hierdoor potentieel dodelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder zeven gebroken ribben, een (beperkte) klaplong, een gebroken neusbot en een gebroken oogkas, waarbij een stuk bot naar binnen is verplaatst, met aanwijzingen voor een hersenkneuzing en voor breuken van de botkamertjes naast zijn neus. Het slachtoffer is nadat de verdachten klaar met hem waren compleet hulpeloos en buiten bewustzijn in het bos aan zijn lot overgelaten. De verdachten hadden zijn telefoon, bril en autosleutel in het bos her en der weggegooid, waardoor het slachtoffer – als hij daartoe al in staat was – niet om hulp kon vragen of kon vertrekken. Dat het slachtoffer er slecht aan toe was blijkt onder andere uit zijn verklaring tegenover de politie waar hij zegt dat hij later in de avond wakker is geworden toen er een voorbijganger met een hondje langsliep, terwijl dit in werkelijkheid bijna acht uur later is geweest. Ook de eerste verbalisant ter plaatse heeft opgeschreven dat zij schrok van wat zij zag, dat het hoofd van het slachtoffer bijna compleet bebloed was met vers en opgedroogd bloed en dat zijn hand en arm ongezond koud aanvoelden. Naast dit lichamelijk letsel is sprake van geestelijk letsel. Het feit is voor het slachtoffer buitengewoon ingrijpend en zeer beangstigend geweest. Hij heeft verklaard dat hij tijdens het geweld dacht dat hij het niet zou overleven en dat hij de daders gesmeekt heeft te stoppen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting hierop op de zitting is gebleken dat het feit tot op de dag van vandaag enorme impact op het slachtoffer heeft. Dit alles valt de verdachte zeer zwaar aan te rekenen.
Daarnaast zorgen dergelijke feiten ook in de maatschappij voor gevoelens van angst en onveiligheid.
In het voordeel van de verdachte gaat de rechtbank er op basis van het dossier van uit dat de verdachte niet de initiatiefnemer is geweest en ter plaatse de minst agressieve van de daders is geweest. Van het biologisch materiaal dat op het slachtoffer en zijn spullen is aangetroffen, is het leeuwendeel niet van de verdachte, maar van de twee medeverdachten. Dit duidt erop dat zij een groter aandeel in het gepleegde geweld hebben gehad. Verder gaat de rechtbank er van uit dat hij degene is geweest die het slachtoffer woorden heeft horen zeggen in de trant van “doe eens een beetje rustig aan”, wat de verdachte spontaan bij de politie min of meer ook zo heeft verklaard. Verder heeft de verdachte ervan blijk gegeven zich te schamen voor zijn betrokkenheid en doordrongen te zijn van het leed van het slachtoffer.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 10 augustus 2026, opgesteld door [naam] . De Raad heeft zowel in zijn rapport als op de zitting aangegeven dat er, naast deze verdenking, geen risicofactoren zijn. De verdachte functioneert op alle leefgebieden goed; het gaat thuis goed en de verdachte gaat – naar zijn zeggen – nu om met jongeren die een positieve invloed op hem hebben. Volgend schooljaar zal de verdachte starten met een nieuwe opleiding om een diploma te halen. Het recidiverisico wordt ingeschat op (heel) laag. Vanwege de schorsing van de voorlopige hechtenis op 31 december 2025 is de jeugdreclassering bij de verdachte betrokken geraakt. De Raad vindt het positief dat de verdachte zich tijdens zijn schorsing heeft gehouden aan de voorwaarden en meewerkt aan de begeleiding door de jeugdreclassering. [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] heeft namens de jeugdreclassering op de zitting aangegeven dat de begeleiding goed gaat en dat de verdachte de afspraken goed nakomt, maar dat de jeugdreclassering geen meerwaarde meer ziet in verdere begeleiding. Deze visie wordt op de zitting niet gedeeld door de Raad die een taak voor de jeugdreclassering ziet in bijvoorbeeld het inzichtelijk maken van de risicofactoren en de delictbespreking, zodat de verdachte handvatten voor de toekomst kan krijgen om risico’s te herkennen en goede keuzes te leren maken. De Raad heeft geadviseerd de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd: het houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, het meewerken aan een delictbespreking, een contactverbod met de medeverdachten en een contactverbod met het slachtoffer.
De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij veel gevolgen heeft ondervonden van de verdenking en voorlopige hechtenis. Hij heeft zijn opleiding moeten stoppen omdat hij geen VOG heeft kunnen krijgen. Daarmee is zijn droom en beeld voor de toekomst om jongerenwerker te worden (voorlopig) van tafel. De verdachte heeft hierin een grote stap moeten maken, maar heeft zichzelf herpakt en de knop om weten te zetten om een nieuwe opleiding te gaan volgen.
De straffen
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. Maar gelet op het minder zware aandeel van de verdachte in het geheel en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank reden hem niet terug te sturen naar de jeugdgevangenis, maar in plaats daarvan een onvoorwaardelijke werkstraf van onder jeugdstrafrecht maximale duur, zodat de verdachte de directe consequenties van zijn handelen ervaart. De rechtbank ziet wel aanleiding om een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 135 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van twee jaar en de volgende bijzondere voorwaarden verbinden: het houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, het meewerken aan een delictbespreking en een contactverbod met het slachtoffer.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het door de Raad geadviseerde contactverbod met de medeverdachten op te leggen, nu de verdachte heeft aangegeven geen contact meer met de medeverdachten te willen. Ook zal de rechtbank conform het standpunt van de officier van justitie het door de benadeelde partij gevraagde locatieverbod voor het bos niet opleggen.
Geen dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren af. Niet voldaan is aan het vereiste dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. De verdachte heeft geen relevante veroordelingen op zijn documentatie, er is volgens de Raad sprake van een laag recidiverisico en de verdachte heeft zich tijdens zijn schorsing niet opnieuw schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de straffen die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De gemachtigde raadsvrouw mr. K. Lans heeft namens de benadeelde partij
[benadeelde partij] een vordering tot schadevergoeding van € 42.475,02 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen. De gestelde schade bestaat uit:
Totaal materiële schade € 2.475,02
- Immateriële schade € 40.000,00
De raadsvrouw heeft toegelicht dat de korting op het salaris heeft plaatsgevonden omdat de benadeelde een tijd niet inzetbaar is geweest. De werkgever van benadeelde heeft deze kosten van het salaris in maart afgetrokken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het (bijgestelde) totaalbedrag van € 42.475,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de (bijgestelde) schadeposten zorgkosten Menzis en parkeerkosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor wat betreft de kleding heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet aansprakelijk is voor kleding die door de politie in beslag is genomen voor het onderzoek. De benadeelde partij moet voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ook ten aanzien van de schoenen dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu een causaal verband met het feit onvoldoende kan worden vastgesteld. Subsidiair moet deze post worden gematigd.
Voor wat betreft de iPhone stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze telefoon niet weg is, maar is beschadigd. Uit het dossier volgt niet of de telefoon onbruikbaar is geworden. Reparatiekosten kunnen daarom worden toegewezen, vervangingskosten voor een nieuwe telefoon niet. Ook het deel “Amac support” van de factuur bij de vordering staat in een te ver verwijderd verband. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat deze post moet worden gematigd.
Ten aanzien van de korting op het salaris stelt de raadsman zich op het standpunt dat het onduidelijk is wat de reden voor deze korting is. Uit de loonstrook valt dit niet op te maken. Deze post wordt door de raadsman uitdrukkelijk betwist. De beoordeling levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en de benadeelde partij moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze aanzienlijk moet worden gematigd. Gelet op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal is een bedrag van onder de € 10.000,00 passend.
Ten aanzien van de wettelijke rente heeft de raadsman opgemerkt dat de wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment waarop de immateriële schade wordt begroot, te weten per datum vonnis.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.026,02 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Zorgkosten Menzis € 729,61
Parkeerkosten € 3,13
Vermiste kleding en schoenen € 200,00
Beschadigde iPhone € 500,00
Korting salaris € 593,28
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De (bijgestelde) schadeposten zorgkosten Menzis en parkeerkosten kunnen worden toegewezen, nu deze kosten voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging niet zijn betwist.
Ten aanzien van de vermiste kleding en schoenen is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 200,00 voor vergoeding in aanmerking komt. Uit het dossier is gebleken dat er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de geleden schade. Uit de aangifte blijkt dat de benadeelde partij in het bos is aangetroffen zonder schoenen. Dit wordt ondersteund door zowel de getuige als de eerste verbalisanten ter plaatse. Voor wat betreft de kleding van de benadeelde overweegt de rechtbank dat deze als gevolg van de gepleegde geweldshandelingen onder het bloed zaten en zoals na onderzoek is gebleken het DNA van de verdachten bevatten. Dat de inbeslagname van de kleding noodzakelijk voor het onderzoek was, komt voor rekening van de verdachte. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Voor wat betreft de beschadigde iPhone wijst de rechtbank de vordering gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,00. De rechtbank maakt hierbij gebruik van haar schattingsbevoegdheid en houdt rekening met afschrijvingskosten. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze post voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van de korting op het salaris is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd met de overgelegde salarisstrook en de toelichting op de zitting, waaruit volgt dat deze schade in rechtstreeks verband staat tot het bewezen verklaarde feit. De raadsman heeft daartegenover dit deel van de vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom geheel toe.
Gelet op bovenstaande zal de rechtbank een bedrag van € 2.026,02 aan materiële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum vordering, te weten
22 juli 2026.
Immateriële schade
Ook is namens de benadeelde partij een bedrag van € 40.000,00 gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek mogelijk onder meer als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder 1 primair gepleegde strafbare feit, zoals hierboven al is beschreven.
Uit de vordering van de benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring is de ernst van de gevolgen gebleken. De benadeelde partij heeft tot op de dag van vandaag nog last van de gevolgen van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring dat zijn evenwicht, reuk- en smaakzin en geheugen nog niet zijn verbeterd. De benadeelde partij durft in het donker de straat niet op, is constant alert en heeft depressieve gevoelens en gedachten. Het trauma dat hij heeft opgelopen, zal op verschillende manieren nog lange tijd deel uitmaken van zijn leven, aldus de benadeelde partij.
De rechtbank overweegt dat er blijkens de toelichting op de vordering nog geen eindsituatie is. Ten tijde van de laatste medische controles was het herstel van benadeelde nog niet voltooid. Met de huidige toelichting is de vordering voldoende onderbouwd tot het bedrag van € 25.000,00 en zal dit in zoverre worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe. Voor het overige deel van de immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor de behandeling van dit deel is in de strafprocedure geen plaats, nu dit leidt tot een te grote belasting van deze procedure.
Conclusie
Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 27.026,02. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de delen van de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De vergoeding van het bedrag van € 2.026,02 aan materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2026, omdat vast is komen te staan dat de verdachte op die datum bekend is geworden dan wel bekend had kunnen worden met de vordering, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van het bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Hoofdelijk
Omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 27.026,02 aan de Staat moet betalen, waarbij de vergoeding van de materiële schade
(€ 2.026,02) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de immateriële schade (€ 25.000,00) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.3. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 135 (honderdvijfendertig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, zo vaak en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 15 (vijftien) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de veroordeelde tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 27.026,02 (zevenentwintigduizend zesentwintig euro en twee eurocent), bestaande uit € 2.026,02 voor de materiële schade en € 25.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan [benadeelde partij] van dit toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente:
telkens tot de dag van volledige betaling.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachte(n) is betaald, de veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de veroordeelde ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij[benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.026,02 (zevenentwintigduizend zesentwintig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente
telkens tot de dag van volledige betaling, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de
medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de veroordeelde in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing over de voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.G. van Roest, voorzitter en tevens kinderrechter,
mr. P.E. van der Veen en mr. R. Heemskerk, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C. Kramer,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026.
mr. R. Heemskerk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.