ECLI:NL:RBNHO:2026:11484

ECLI:NL:RBNHO:2026:11484

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 15/126984-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Uitlevering naar Turkije toelaatbaar. De opgeëiste persoon wordt in Turkije verdacht van het medeplegen van invoer van verdovende middelen (XTC pillen), dubbele strafbaarheid en niet verjaard. Het oordeel over de vraag of een uitlevering moet worden geweigerd wegens een vermoeden van een dreigende schending van fundamentele rechten is voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De rechtbank zal de minister adviseren om Turkije te verzoeken garanties te verstrekken betreffende de detentieomstandigheden

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Uitlevering

Parketnummer: 15/126984-26

Raadkamernummer: 26-013262

Zittingsdatum: 18 augustus 2026

Uitspraakdatum: 1 september 2026

Uitspraak van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank op een verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1. De relevante schriftelijke stukken

Het verzoek tot uitlevering

In het dossier bevindt zich een gewaarmerkt verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon, afkomstig van de Turkse autoriteiten van 11 februari 2026, en gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland (hierna: het uitleveringsverzoek). Dit verzoek is in de Turkse taal opgesteld en is voorzien van een vertaling in de Engelse taal.

De uitlevering wordt gevraagd voor strafvervolging van de opgeëiste persoon, voor het strafbare feit dat is omschreven in de ‘samenvatting van de feiten’ in het uitleveringsverzoek. Dat strafbare feit betreft – kort gezegd – het medeplegen van het binnen Turkije brengen van verdovende middelen vanuit Nederland op 20 mei 2013.

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Het uitleveringsverzoek bevat:

 het origineel of een authentiek afschrift van een in de Turkse taal gestelde (en in het Engels vertaalde) door de daartoe bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat gegeven bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon, betrekking hebbende op het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

 een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

 de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

 stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en zijn nationaliteit;

 informatie betreffende het verloop van de verjaringstermijn.

Overige stukken in het dossier

In het uitleveringsdossier zijn verder onder meer de volgende stukken opgenomen:

 het Nederlandse strafblad van de opgeëiste persoon van 8 mei 2026;

 stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding, de uitleveringsdetentie en de schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon;

 de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 Uitleveringswet, van 6 mei 2026;

 de schriftelijke samenvatting van de officier van justitie, overgelegd ter zitting op 18 augustus 2026, inhoudende haar opvatting over de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek;

 de pleitnotities van de raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd op de zitting van 18 augustus 2026.

2. Het onderzoek ter zitting

De behandeling

Op de openbare zitting van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank het uitleveringsverzoek behandeld. Aldaar is mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek en van de inhoud van de hiervoor genoemde stukken. Op de zitting zijn gehoord:

 de officier van justitie mr. M. Diependaal, en

 de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam.

De identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft op de zitting verklaard dat hij de persoon is die genoemd wordt in het uitleveringsverzoek. Omdat die verklaring wordt ondersteund door het dossier en er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring en gaat de rechtbank ervan uit dat hij degene is van wie de uitlevering wordt verzocht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het verzoek tot uitlevering toelaatbaar moet worden verklaard.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, gelet op recente ontwikkelingen met betrekking tot de Turkse rechtsstaat. Er bestaat twijfel over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije. De opgeëiste persoon verzet zich tegen de politieke opvattingen van de huidige Turkse president en daarom is sprake van een gegrond vermoeden dat de opgeëiste persoon kan worden vervolgd of gestraft in verband met zijn politieke overtuiging. De kans dat hij een eerlijk proces krijgt en daartegen een effectief rechtsmiddel kan aanwenden, is daarom nihil.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de Minister te adviseren om de Turkse autoriteiten een onvoorwaardelijke terugkeergarantie en garanties betreffende de detentieomstandigheden te laten verstrekken.

3. De beoordeling van het verzoek tot uitlevering

Toepasselijke verdragen en wetten

Op het uitleveringsverzoek zijn het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna ook: EUV) en de Uitleveringswet (hierna ook: UW) van toepassing.

De genoegzaamheid van de stukken

De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12 lid 2 EUV en aan de eisen van artikel 18 UW.

Dubbele strafbaarheid

De uitlevering kan alleen worden toegestaan als er zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd voor het strafbare feit waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

De opgeëiste persoon wordt in Turkije verdacht van het medeplegen van invoer van verdovende middelen (XTC pillen). Naar Turks recht staan hierop vrijheidsstraffen van meer dan een jaar. Naar Nederlands recht is dit feit in artikel 2 onder A juncto artikel 10 van de Opiumwet strafbaar gesteld en bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Dus is voldaan aan het vereiste van gekwalificeerde dubbele strafbaarheid.

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering wordt ingevolge artikel 9 UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan – kort gezegd – de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd of heeft terechtgestaan of voor een feit dat naar Nederlands recht is verjaard. Blijkens het Nederlandse strafblad van de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake. Evenmin is naar Turks of Nederlands recht sprake van verjaring.

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 11 UW vindt uitlevering niet plaats voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten. Daarvoor zijn geen aanwijzingen.

Onschuld van de opgeëiste persoon

Van uitlevering moet worden afgezien als de opgeëiste persoon onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd. De opgeëiste persoon heeft op de zitting niet beweerd dat hij hiertoe in staat is. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van de kennelijke onschuld van de opgeëiste persoon.

Dreigende schending fundamentele rechten

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de opgeëiste persoon na uitlevering zal worden blootgesteld aan een dreigende schending van zijn fundamentele rechten als bedoeld in artikel 6 EVRM en artikel 10 UW. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Het is vaste rechtspraak dat het oordeel over de vraag of een uitlevering moet worden geweigerd wegens een vermoeden van een dreigende schending van fundamentele rechten is voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Wel kan de rechter in zijn advies aan de Minister weergeven wat door de verdediging is aangevoerd over een dreigende mensenrechtenschending.

Als de uitlevering met als doel strafvervolging betekent dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM én de opgeëiste persoon daartegen geen effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM kan aanwenden, is de rechter wel bevoegd om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging.

Gezien het voorgaande en gelet op het vertrouwensbeginsel, acht de rechtbank het beroep van de raadsman op de algemene zorgwekkende situatie van de rechtsstaat in Turkije onvoldoende. Het standpunt van de raadsman dat de opgeëiste persoon een uitgesproken mening over de Turkse politiek heeft en, zo begrijpt de rechtbank, als een tegenstander van het Turkse regime kan worden beschouwd, is niet onderbouwd. Daarbij komt dat de uitlevering is verzocht voor een commuun delict, te weten een drugsdelict. De vervolging van de opgeëiste persoon is dus niet ingegeven door politieke motieven.

Verder is niet gebleken dat de opgeëiste persoon geen daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM zou kunnen instellen tegen een eventueel oneerlijke of onevenredig lange berechtingsprocedure. Gelet hierop kan het verweer niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

De rechtbank zal de minister adviseren om Turkije te verzoeken garanties te verstrekken betreffende de toegang tot medische zorg in detentie, overigens veilige medische detentieomstandigheden en overige detentieomstandigheden (de hoeveelheid persoonlijke ruimte, de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel mag verblijven en de effectieve klachtmogelijkheid). Daarnaast zal de rechtbank de minister – gelet op artikel 4 lid 2 UW – adviseren om een onvoorwaardelijke terugkeergarantie te verlangen waarin staat dat de opgeëiste persoon iedere aan hem op te leggen vrijheidsstraf ter zake van het feit waarvoor hij wordt uitgeleverd in Nederland kan ondergaan.

Conclusie

Ten aanzien van het uitleveringsverzoek is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde eisen is voldaan. De gevraagde uitlevering moet daarom toelaatbaar worden verklaard.

4. De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Op de beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

- 1, 2 en 12 van het EUV;

- 2, 5, 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet.

5. De beslissing.

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van Turkije van [opgeëiste persoon], ter strafvervolging van de feiten omschreven in het uitleveringsverzoek.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze uitspraak is gewezen door:

mr. E.L. Hoogstraate, voorzitter,

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. I.A. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.L. Hoogstraate
  • mr. C.H. de Jonge van Ellemeet
  • mr. I.A. Groenendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand