RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/145087-23 en 13/270567-20 (tul)
Uitspraakdatum: 1 september 2026
Tegenspraak
verkort strafvonnis (art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Klein en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni mei 2023 te Uithoorn en/of Beverwijk en/of Den Helder en/of Den Bosch en/of Gouda en/of Alkmaar en/of Hardinxveld-Giessendam en/of Krimpen aan de Lek en/of Nijmegen en/of Breda en/of Halfweg en/of Amsterdam en/of s'Heerenberg en/of Eibergen en/of Etten-Leur en/of Houten en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer A], [slachtoffer B], [slachtoffer C], [slachtoffer D] en één of meer anderen,
(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten (telkens)
- de afgifte van een bankpas en/of creditcard en/of bij die bankpas/creditcard horende (pin)code, en/of
- de afgifte van inloggegevens en/of een gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of toegangscode voor het inloggen op internetbankieren, en/of
- het inloggen op internetbankieren en/of
- het autoriseren en/of goedkeuren en/of mogelijk maken van een betaling en/of overboeking,
door, (telkens) met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens)
- een sms-bericht naar voornoemd(e) perso(o)n(en) te versturen, als ware dit een sms-bericht afkomstig van de Rabobank en/of ABN-Amro bank en/of ING-bank en/of SNS-bank en/of een andere bank en/of International Card Services en/of een andere creditcarduitgever, met daarin de mededeling dat er een nieuwe bankpas/creditcard is aangevraagd en/of wordt opgestuurd en/of als dit niet klopt er contact moet worden opgenomen met het vermelde telefoonnummer, en/of het verzoek om contact op te nemen met de bank in verband met misbruik op de lopende rekening en/of misbruik met de creditcard, en/of (vervolgens)
- een e-mailbericht naar voornoemd(e) perso(o)n(en) te versturen, als ware dit een e-mailbericht afkomstig van de Rabobank en/of ABN-Amrobank en/of ING-bank en/of SNS-bank en/of een andere bank en/of International Card Services en/of een andere creditcarduitgever, met daarin het verzoek om contact op te nemen met de bank via het vermelde telefoonnummer en/of ,
- telefonisch contact met voornoemd(e) perso(o)n(en) te hebben, en/of (vervolgens)
- zich voor te doen als een bonafide medewerker (van de fraudehelpdesk/alarmcentrale) van de Rabobank en/of ABN-Amro bank en/of ING-bank en/of SNS-bank en/of een andere bank en/of International Card Services en/of een andere creditcarduitgever, en/of (vervolgens)
- voornoemd(e) perso(o)n(en) voor te houden dat er frauduleuze/criminele handelingen zijn verricht en/of dreigen te worden verricht met betrekking tot één of meer van hun/zijn/haar bankrekeningen en/of creditcards, en/of (vervolgens)
- voornoemd(e) perso(o)n(en) te vragen om de inloggegevens en/of de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of de toegangscode voor het inloggen op internetbankieren door/af te geven, en/of (vervolgens)
- voornoemd(e) perso(o)n(en) te vragen in te loggen op internetbankieren en/of (vervolgens)
- voornoemd(e) perso(o)n(en) te vragen om een betaling en/of overboeking te autoriseren en/of goed te keuren en/of mogelijk te maken, en/of (vervolgens)
- voornoemd(e) perso(o)n(en) te vragen zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of creditcard(s) (in een enveloppe) af te geven en/of (vervolgens) in ontvangst te nemen;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 juni 2023 tot en met 11 juni 2023 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer en/of Uithoorn en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer E] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een doosje met daarin een (zilveren) armband, door met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,
- een sms-bericht naar [slachtoffer E] te versturen, als ware dit een sms-bericht afkomstig van de SNS-bank, met daarin de mededeling dat er een nieuwe bankpas is aangevraagd en/of wordt opgestuurd en/of als dit niet klopt er contact moet worden opgenomen met het vermelde telefoonnummer, en/of (vervolgens)
- telefonisch contact met [slachtoffer E] op te nemen en/of te hebben, en/of (vervolgens)
- zich voor te doen als een bonafide medewerker (van de fraudehelpdesk/alarmcentrale) van de SNS-bank, en/of (vervolgens)
- tegen [slachtoffer E] te zeggen dat er een nieuwe bankpas is aangevraagd en/of dat er fraude wordt gepleegd met/op haar inboedelverzekering, en/of (vervolgens)
- tegen [slachtoffer E] te zeggen dat zij haar kluis met goud en/of sieraden moet leeghalen en/of (vervolgens) het goud en/of de sieraden in een enveloppe moet stoppen en/of (vervolgens) (voorzien van een code) af te geven aan een bezorger, en/of (vervolgens)
- zich te begeven naar de woning van [slachtoffer E] (gelegen aan [A-straat] te Nieuw-Vennep) en aldaar aan [slachtoffer E] te vragen haar goud en/of sieraden af te geven en/of (vervolgens) een doosje met daarin een (zilveren) armband in ontvangst te nemen.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is kennis te nemen van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Op het verweer van de verdediging zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. De bewijsmiddelen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist. De bewijsmiddelen worden dan aan dit vonnis gehecht.
Bewijsmotivering feit 1 en feit 2
De verdachte wordt in beide feiten verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude.
De verdachte heeft erkend dat hij uit naam van banken sms-berichten heeft gestuurd, waarin staat dat het slachtoffer een nieuwe bankpas heeft aangevraagd en dat, indien dit niet het geval is, het slachtoffer contact moet opnemen met een telefoonnummer. De verdachte heeft naar eigen zeggen verder geen handelingen verricht die tot de oplichtingen hebben geleid.
Het verweer van de raadsvrouw komt er (kort gezegd) op neer dat dit handelen van de verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger te kunnen aanmerken en het hoogstens als medeplichtigheid aan de bankhelpdeskfraude kan worden gezien. De verdachte heeft alleen de sms-berichten gestuurd, hij had geen wetenschap van de gegevens van de slachtoffers die op de onder hem inbeslaggenomen telefoons zijn aangetroffen en het is aannemelijk dat dit deeltelefoons betreffen, die ook door anderen zijn gebruikt.
Daarnaast kan het sturen van het hiervoor genoemde sms-bericht niet worden aangemerkt als het afgeven van enig goed, het verlenen van een dienst of het ter beschikking stellen van gegevens als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr. Daarom is geen sprake van oplichting.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er meerdere personen bij de zaak betrokken waren, dat het de bedoeling was dat de ontvangers van de sms-berichten contact zouden opnemen met het daarin genoemde telefoonnummer, en dat het “gelukt” was als er werd verdiend aan een beller.
Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte niet alleen meer dan 1.000 sms-berichten naar (potentiële) slachtoffers heeft verstuurd, maar ook nauw betrokken was bij het voeren van de telefoongesprekken die tot de oplichtingen van de slachtoffers hebben geleid. Dit volgt onder meer uit het feit dat de drie telefoons (iPhone 6s, iPhone 7 en iPhone 13) waarmee naar de slachtoffers is gebeld op 13 juni 2023 in de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen en tijdens de oplichtingshandelingen en in de nachtelijke uren voornamelijk aangestraald hebben aan een zendmast nabij de woning van de verdachte.
In de iPhone 13 zijn Excelbestanden aangetroffen met gegevens van (potentiële) slachtoffers. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het Excelbestand in de iPhone 13 stond en dat hij het gebruikte om daar de nummers uit te halen waarnaar hij de sms-berichten stuurde. De iPhone 13 is met verschillende telefoonnummers gebruikt voor het versturen van sms-berichten én voor het bellen met slachtoffers. Daarnaast is de iPhone 13 door de verdachte ook privé gebruikt. Er is met het telefoonnummer dat eindigt op [nummers A] gebeld en geappt met zijn toenmalige vriendin en er is met dit nummer contact geweest met [persoon A 1], een kennis van de verdachte. Op 11 juni 2023 zijn met dit telefoonnummer bloemen besteld bij [bloemenzaak] in Amstelveen. De bestelling is door de beller bevestigd met het e-mailadres [mailadres A]@gmail.com. Dit e-mailadres is ook gebruikt bij het doen van bestellingen bij webwinkels, welke bestellingen door middel van overschrijvingen van bankrekeningen van slachtoffers werden betaald. Een aantal van deze bestellingen is afgeleverd op het woonadres van de verdachte. De bloemen zijn besteld op naam van [naam B], waarbij de eigenaar van de bloemenwinkel heeft aangegeven dat de spelling mogelijk niet geheel juist is. De derde naam van de verdachte is [naam B]. Op het moment dat de bloemen op 11 juni 2023 bij [bloemenzaak] in Amstelveen werden opgehaald, maakten alle drie de telefoons die op 13 juni 2023 bij de verdachte zijn aangetroffen, verbindingen met zendmasten in Amstelveen. Verder heeft de koper van de bloemen, nadat de bestelling was opgehaald, gebeld met [bloemenzaak] om te vragen of zijn oortje nog in de bloemenwinkel lag. Tijdens dit getapte gesprek is een ander getapt gesprek met een slachtoffer ([slachtoffer E]) te horen, waarbij door dezelfde persoon tegen het slachtoffer wordt gezegd dat hij zijn oortje kwijt is. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het de verdachte is geweest die het oplichtingsgesprek met [slachtoffer E] heeft gevoerd.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een grote rol bij de oplichtingen heeft gehad en dat hij in nauwe en bewuste samenwerking met anderen een groot aantal, voornamelijk oudere slachtoffers heeft opgelicht. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1
hij in de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2023 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer A], [slachtoffer B], [slachtoffer C], [slachtoffer D] en anderen,
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed,, en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten telkens
- de afgifte van een bankpas en/of creditcard en/of bij die bankpas/creditcard horende pincode, en/of
- de afgifte van inloggegevens en/of een gebruikersnaam en/of wachtwoord en/of toegangscode voor het inloggen op internetbankieren, en/of
- het inloggen op internetbankieren en/of
- het autoriseren en/of goedkeuren en/of mogelijk maken van een betaling en/of overboeking,
door, telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid telkens
- een sms-bericht naar voornoemde personen te versturen, als ware dit een sms-bericht afkomstig van de Rabobank of ABN-Amro bank of ING-bank of SNS-bank of een andere bank of International Card Services of een andere creditcarduitgever, met daarin de mededeling dat er een nieuwe bankpas/creditcard is aangevraagd en als dit niet klopt er contact moet worden opgenomen met het vermelde telefoonnummer, en het verzoek om contact op te nemen met de bank, en/of vervolgens
- een e-mailbericht naar voornoemde personen te versturen, als ware dit een e-mailbericht afkomstig van de Rabobank of ABN-Amrobank of ING-bank of SNS-bank of een andere bank of International Card Services of een andere creditcarduitgever, met daarin het verzoek om contact op te nemen met de bank via het vermelde telefoonnummer en/of ,
- telefonisch contact met voornoemde personen te hebben, en
- zich voor te doen als een bonafide medewerker van de fraudehelpdesk/alarmcentrale van de Rabobank of ABN-Amro bank of ING-bank of SNS-bank of een andere bank of International Card Services of een andere creditcarduitgever, en
- voornoemde personen voor te houden dat er frauduleuze/criminele handelingen zijn verricht of dreigen te worden verricht met betrekking tot één of meer van hun/zijn/haar bankrekeningen en/of creditcards, en/of
- voornoemde personen te vragen om de inloggegevens en/of de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of de toegangscode voor het inloggen op internetbankieren te geven, en/of
- voornoemde personen te vragen in te loggen op internetbankieren en
- voornoemde personen te vragen om een betaling en/of overboeking te autoriseren en/of goed te keuren en/of mogelijk te maken, en/of vervolgens
- voornoemde personen te vragen zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of creditcard(s) (in een enveloppe) af te geven en/of vervolgens in ontvangst te nemen;
2
hij in de periode van 10 juni 2023 tot en met 11 juni 2023 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer en Uithoorn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, , met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer E] heeft bewogen tot de afgifte van een doosje met daarin een zilveren armband, door met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid,
- een sms-bericht naar [slachtoffer E] te versturen, als ware dit een sms-bericht afkomstig van de SNS-bank, met daarin de mededeling dat er een nieuwe bankpas is aangevraagd enen als dit niet klopt er contact moet worden opgenomen met het vermelde telefoonnummer, en vervolgens
- telefonisch contact met [slachtoffer E] te hebben, en
- zich voor te doen als een bonafide medewerker van de fraudehelpdesk/alarmcentrale van de SNS-bank, en
- tegen [slachtoffer E] te zeggen dat er een nieuwe bankpas is aangevraagd en dat er fraude wordt gepleegd met haar inboedelverzekering, en
- tegen [slachtoffer E] te zeggen dat zij haar kluis met goud en sieraden moet leeghalen en het goud en de sieraden in een enveloppe moet stoppen en voorzien van een code af te geven aan een bezorger, en vervolgens
- zich te begeven naar de woning van [slachtoffer E] gelegen aan [A-straat] te Nieuw-Vennep en aldaar aan [slachtoffer E] te vragen haar goud en sieraden af te geven en vervolgens een doosje met daarin een zilveren armband in ontvangst te nemen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd
feit 2:
medeplegen van oplichting
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 277 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen, zoals de reclassering heeft geadviseerd. Volgens de raadsvrouw is het passend om een deels voorwaardelijk straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van bankhelpdeskfraude. De verdachte had een Excelbestand voorhanden met een groot aantal persoonsgegevens van mensen op hoge leeftijd, die bestemd waren tot het plegen van de bankhelpdeskfraude. De verdachte verstuurde sms-berichten naar slachtoffers die op deze lijst stonden. Deze slachtoffers belden naar het telefoonnummer dat in het sms-bericht stond. Hen werd wijsgemaakt dat zij met medewerkers van de bank spraken en dat hun banktegoed of hun waardevolle spullen gevaar liepen. De slachtoffers werden op slinkse en geraffineerde wijze gemanipuleerd om hun inloggegevens van hun bankrekening te geven, waarna geld van de bankrekeningen werd afgeschreven of bestellingen bij webwinkels vanaf hun bankrekeningen werden betaald. In een aantal gevallen werd de bankpas door een van de verdachten bij het slachtoffer thuis opgehaald. De verdachte heeft in elk geval één keer zelf zo’n telefoongesprek gevoerd. In dat geval heeft het slachtoffer een zilveren armband, die emotionele waarde voor haar had, aan een van de medeverdachten afgegeven.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben op een georganiseerde en doortrapte wijze misbruik gemaakt van het gewekte vertrouwen bij de slachtoffers. Uit het dossier is gebleken dat dit soort feiten de slachtoffers niet alleen financieel treft, maar ook hun vertrouwen in de medemens aantast en voor gevoelens van schaamte, stress en angst zorgt. Daarnaast is bankhelpdeskfraude een misdrijf dat het vertrouwen ondermijnt dat rekeninghouders in het algemeen in het betalingsverkeer en het bankwezen mogen hebben. Dit vertrouwen is van groot belang voor het maatschappelijk en economisch verkeer. Ook leidt bankhelpdeskfraude tot hoge kosten voor de banken. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte in het bijzonder gelet op
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 16 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van bankhelpdeskfraude onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
De rechtbank heeft verder gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 21 juli 2026. De reclassering heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen en een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, dagbesteding in de vorm van het volgen van een opleiding en het meewerken aan het aflossen van zijn schulden.
De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij zich al ruim 2,5 jaar goed aan de voorwaarden houdt die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd, dat hij werk heeft en dat hij per eind augustus een hbo-opleiding wil gaan volgen.
Overschrijding redelijke termijn
Ook weegt de rechtbank in strafmatigende zin het tijdsverloop in deze zaak mee. In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn is aangevangen op 14 juni 2023, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Het eindvonnis wordt op 1 september 2026 gewezen. De redelijke termijn is daarmee met ruim 14 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdachte valt toe te rekenen en dat niet anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden.
Straf
De verdachte was 21 jaar oud toen hij de strafbare feiten pleegde. Het uitgangspunt is dat een meerderjarige volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank volgt het advies van de reclassering om jeugdstrafrecht toe te passen niet. De reclassering adviseert geen pedagogische interventies en de rechtbank ziet in de omstandigheden waaronder de oplichtingen zijn gepleegd en in de persoonlijkheid van de verdachte geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Voor oplichting zijn binnen de rechtspraak geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is het met de officier van justitie en de raadsvrouw eens dat het na al die tijd niet meer opportuun is om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die langer duurt dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Alles afwegend acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk passend en geboden. Het tijdsverloop in deze zaak resulteert er in dat de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf vermindert met ongeveer twee maanden. De rechtbank zal daarom, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf van 277 dagen opleggen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
7. Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons (nummers 18, 19, 20 van de beslaglijst), moeten worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten zijn begaan met behulp van de telefoons, die aan de verdachte toebehoren.
8. Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten kleding, schoenen, tassen en een geldbedrag van € 300,-, moeten worden teruggegeven aan de verdachte, met dien verstande dat het conservatoir beslag op deze voorwerpen blijft voortduren. De verdachte kan er dus niet zonder meer vanuit kan gaan dat hij deze voorwerpen daadwerkelijk terugkrijgt.
9. Vorderingen benadeelde partijen feit 1
Benadeelde partijen
Als benadeelde partijen hebben zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit gevoegd:
ABN AMRO bank
ING bank
Rabobank
[benadeelde A]
[benadeelde B]
[benadeelde E]
[slachtoffer C]
[benadeelde D]
Niet-ontvankelijkheidsverweer raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de benadeelde partijen die niet in de tenlastelegging worden genoemd niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat ten aanzien van deze benadeelde partijen geen sprake is van rechtstreekse schade dat door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. Ook de banken die een vergoeding hebben verzocht voor de schade die zij hebben geleden omdat zij slachtoffers schadeloos hebben gesteld die niet op de tenlastelegging staan, moeten daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
In de tenlastelegging worden vier namen van slachtoffers genoemd en met betrekking tot de overige slachtoffers is de zinsnede ‘één of meer anderen’ opgenomen. Het is vaste rechtspraak dat niet alle slachtoffers in de tenlastelegging genoemd hoeven te worden, zolang uit de bewijsmiddelen volgt om welke slachtoffers het gaat. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de benadeelde partijen die een vordering hebben ingediend, rechtstreekse schade hebben geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. Deze benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in de vordering.
Vordering ABN AMRO bank
De benadeelde partij ABN AMRO bank heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 9.105,-, bestaande uit vergoeding van de schade aan de rekeninghouders [persoon A 2] (€ 3.500,-), [persoon B] (€ 280,-) en [persoon C] (€ 5.325,-).
ABN AMRO heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd dat zij als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting van deze slachtoffers rechtstreeks schade heeft geleden, doordat zij de slachtoffers schadeloos heeft gesteld. Dit bedrag wordt daarom toegewezen.
Verder heeft ABN AMRO bank vergoeding verzocht van de onderzoekskosten van € 360.-.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoekskosten moeten worden toegewezen. Uit de toelichting is voldoende duidelijk waaruit het onderzoek heeft bestaan en het bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor.
In totaal wordt dus het gehele gevorderde bedrag van € 9.465,- toegewezen.
Vordering ING Bank
De benadeelde partij ING bank heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 10.552,76,-, bestaande uit vergoeding van de schade aan de rekeninghouders [persoon D] (€ 4.991,18), [slachtoffer B] (€ 863,-), [persoon E] (€ 1.820,01), [persoon F] (€ 140,40), [persoon G] (€ 814,97), [slachtoffer A] (€ 962,-) en [persoon H] (€ 961,20).
ING Bank heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd dat zij als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting van deze slachtoffers rechtstreeks schade heeft geleden, doordat zij de slachtoffers schadeloos heeft gesteld. Dit bedrag wordt daarom toegewezen.
Verder heeft ING bank vergoeding verzocht van de onderzoekskosten van € 1.080.-.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoekskosten moeten worden toegewezen. Uit de toelichting is voldoende duidelijk waaruit het onderzoek heeft bestaan en het bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor.
In totaal wordt dus het gehele gevorderde bedrag van € 11.632,76 toegewezen.
Vordering Rabobank
De benadeelde partij Rabobank heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 4.291,40, bestaande uit vergoeding van de schade aan de rekeninghouders [benadeelde D] (€ 3.891,-) en [persoon I] (€ 160,40).
Rabobank heeft gemotiveerd en met stukken onderbouwd dat zij als gevolg van de bewezen verklaarde oplichting van deze slachtoffers rechtstreeks schade heeft geleden, doordat zij de slachtoffers schadeloos heeft gesteld. Dit bedrag wordt daarom toegewezen.
Verder heeft Rabobank vergoeding verzocht van de onderzoekskosten van € 240.-.
De rechtbank is van oordeel dat de onderzoekskosten moeten worden toegewezen. Uit de toelichting is voldoende duidelijk waaruit het onderzoek heeft bestaan en het bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor.
In totaal wordt dus het gehele gevorderde bedrag van € 4.531,40 toegewezen.
Vordering [benadeelde A]
De benadeelde partij [benadeelde A] heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend van € 550,-. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de vordering heeft onderbouwd met concrete gegevens over de gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad.
De door de benadeelde partij gestelde gevolgen zijn naar het oordeel van rechtbank echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 BW.
De benadeelde partij de gelegenheid geven om de vordering verder te onderbouwen zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank verklaart de vordering daarom niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering [benadeelde B]
De benadeelde partij [benadeelde B] heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 3.000,-. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde oplichting, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot
vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Vordering [benadeelde E]
De benadeelde partij [benadeelde E] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van
€ 2.280,65, bestaande uit € 1.780,65 aan materiële en € 500,- aan immateriële schade.
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde oplichting, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade van € 1.780,65 daarom geheel toe.
Immateriële schade
De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. De rechtbank verwijst ten aanzien van het juridisch kader naar de hiervoor onder 9.5. opgenomen overweging bij de vordering van de benadeelde partij [benadeelde A].
De rechtbank kan op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij niet vaststellen dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de vordering heeft onderbouwd met concrete gegevens over de gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad.
De door de benadeelde partij gestelde gevolgen zijn naar het oordeel van rechtbank echter onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 BW.
De benadeelde partij de gelegenheid geven om de vordering verder te onderbouwen zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank verklaart dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering [slachtoffer C]
De benadeelde partij [slachtoffer C] heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 30.000,- wegens de aankoop van goud. Deze schade is verder niet onderbouwd en heeft geen betrekking op het bewezen verklaarde feit. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering.
Vordering [benadeelde D]
De benadeelde partij [benadeelde D] heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 8.906,-. De benadeelde partij is inmiddels overleden. Nu de vordering voor het overlijden is ingediend, is de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde oplichting, dat Rabobank een bedrag van € 3.891,- aan de benadeelde partij heeft vergoed en dat een bedrag van € 4.976,- (geleden schade door afschrijvingen van de creditcard van ICS) niet is vergoed. De rechtbank wijst de vordering daarom tot een bedrag van € 4.976,- toe en verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente, hoofdelijkheid en kosten (benadeelde partijen feit 1)
De rechtbank wijst de door de benadeelde partijen gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 juni 2023 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan een benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel feit 1
De rechtbank legt ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde B], [benadeelde E] en [benadeelde D] de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.
ABN AMRO bank en ING bank hebben ook verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal ten aanzien van deze toegewezen vorderingen echter niet de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien ABN AMRO bank en ING bank rechtspersonen zijn waarvan naar het oordeel van de rechtbank kan worden verwacht dat zij de schadevergoeding zelf bij de verdachte (kunnen) incasseren.
10. Vordering benadeelde partij feit 2
Vordering [slachtoffer E]
De benadeelde partij [slachtoffer E] heeft een vordering tot vergoeding van materiële schade ingediend van € 1.000,-, wegens het verlies van diverse juwelen en erfstukken.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezen verklaarde oplichting, doordat ze haar zware zilveren armband heeft afgegeven. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de schade op een bedrag van € 100,-. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen en zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente, hoofdelijkheid, kosten en schadevergoedingsmaatregel feit 2
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 11 juni 2023 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet.
11. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 11 juli 2022 in de zaak met parketnummer 13/270567-20 heeft de rechtbank Amsterdam de verdachte ter zake van oplichting veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 184 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 12 augustus 2022 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 juli 2022 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering zal afwijzen, omdat de proeftijd inmiddels twee jaar is verlopen en het onwenselijk is dat de verdachte deze straf nog moet uitzitten.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de tenuitvoerlegging niet opportuun is, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 326 van het Wetboek van Strafrecht.
13. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 277 DAGEN
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde A] en [slachtoffer C] niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij ABN AMRO bank geleden schade van € 9.465,-, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan ABN AMRO bank voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij ING bank geleden schade van € 11.632,76 als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan ING bank voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Rabobank geleden schade van € 4.531,40 als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Rabobank voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde B] geleden schade van € 3.000,- als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde B] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde B] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde E] geleden schade van € 1.780,65 als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde E] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde E] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.780,65 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde D] geleden schade van € 4.976,- als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde D] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde D] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.976,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer E] geleden schade van € 100,- als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer E] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat als genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer E] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/270567-20 opgelegde voorwaardelijke straf.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.A. Groenendijk, voorzitter,
mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september 2026.