ECLI:NL:RBNHO:2026:11532

ECLI:NL:RBNHO:2026:11532

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer C/15/379405 / KG ZA 26-363
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Tussen partijen speelt een geschil over de zorgregeling ten aanzien van de kinderen. De man heeft begin juni van dit jaar bericht dat hij de zorgregeling niet langer kan uitvoeren vanwege zijn mentale gesteldheid. Hij wenst de kinderen voortaan een weekend per twee weken bij zich te hebben. De vrouw stemde daar niet mee in, waarna de man de zorgmomenten niet meer is nagekomen. De vrouw vordert dat de man de zorgregeling nakomt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een situatie van onmacht verkeert. De man moet de zorgregeling daarom nakomen en de vordering van de vrouw wordt toegewezen. Omdat de man niet vrijwillig nakomt, acht de voorzieningenrechter een dwangsom noodzakelijk. Deze wordt wel beperkt.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/379405 / KG ZA 26-363

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mrs. K. Tülü en H. Tülü,

tegen

[gedaagde partij] ,

te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat; mr. A. Kotan.

1. De zaak in het kort

Tussen partijen speelt een geschil over de zorgregeling ten aanzien van de kinderen. De man heeft begin juni van dit jaar bericht dat hij de zorgregeling niet langer kan uitvoeren vanwege zijn mentale gesteldheid. Hij wenst de kinderen voortaan een weekend per twee weken bij zich te hebben. De vrouw stemde daar niet mee in, waarna de man de zorgmomenten niet meer is nagekomen. De vrouw vordert dat de man de zorgregeling nakomt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een situatie van onmacht verkeert. De man moet de zorgregeling daarom nakomen en de vordering van de vrouw wordt toegewezen. Omdat de man niet vrijwillig nakomt, acht de voorzieningenrechter een dwangsom noodzakelijk. Deze wordt wel beperkt.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 12 producties- de conclusie van antwoord met 1 productie- de mondelinge behandeling van 3 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt

- de schikking tussen partijen over de vakantieregeling

- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 21 augustus 2026 over de zorgregeling- de pleitnota van de vrouw.

Omdat de belangen van de kinderen bij het geschil zijn betrokken is één van hen uitgenodigd voor een kindgesprek. Het kind heeft echter van het gesprek afgezien. De andere twee kinderen kwamen vanwege hun leeftijd respectievelijk beperking niet voor een gesprek in aanmerking.

3. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is door de rechtbank Amsterdam ontbonden bij beschikking van 7 augustus 2024 (hierna: de beschikking). De echtscheiding is definitief geworden door inschrijving van de beschikking in de registers burgerlijke stand van de gemeente Den Haag op [datum] .

Uit het huwelijk van partijen zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren (hierna samen: de kinderen):

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De

kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

Partijen hebben hun afspraken over de kinderen vastgelegd in een ouderschapsplan dat deel uit maakt van de beschikking. De rechtbank heeft de inhoud van het ouderschapsplan voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In artikel 4.2 van het ouderschapsplan is de zorgregeling als volgt vastgelegd:

(…) De kinderen verblijven op de maandag, dinsdag en woensdag bij de moeder en op de donderdag en vrijdag bij de vader. De weekenden worden om en om verdeeld.

Eind 2025 hebben partijen de zorgregeling in overleg gewijzigd naar een

regeling van week op week af, met het wisselmoment op maandag.

De man heeft de vrouw begin juni van dit jaar bericht dat hij de zorgregeling niet langer kan uitvoeren vanwege zijn mentale gesteldheid. De man is kort daarna de zorgmomenten niet meer nagekomen.

Partijen zijn op 3 juli 2026 op de zitting een vakantieregeling overeengekomen (hierna: deelschikking), zodat dit kort geding alleen nog ziet op nakoming van de zorgregeling.

4. Het geschil

De vrouw vordert – samengevat – en voor zover nog aan de orde gelet op de deelschikking, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te veroordelen tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals vastgelegd in artikel 4.2 van het ouderschapsplan, inhoudende dat de kinderen de ene week van donderdag tot zaterdagmiddag bij de man verblijven en de daaropvolgende week van donderdagmiddag tot maandagmiddag, en de man te bevelen de kinderen op de overeengekomen tijdstippen op te halen en gedurende de aan hem toebedeelde momenten te verzorgen;

II. (…);

III. te bepalen dat de man een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere keer dat hij nalaat de onder I (…) bedoelde veroordeling na te komen, met een maximum van € 25.000,-;

IV. de man te veroordelen in de proceskosten.

De vrouw legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een zorgregeling zijn overeengekomen, maar de man deze niet nakomt. Zij acht onvoldoende onderbouwd dat hij de zorgregeling niet kan nakomen vanwege zijn mentale gesteldheid. Dit is daarnaast innerlijk tegenstrijdig met zijn eigen overige verklaringen en ontslaat hem hoe dan ook niet van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid, aldus de vrouw. De kinderen hebben er recht op en belang bij dat hun vader een bestendige rol in hun leven blijft vervullen, in het bijzonder het oudste kind waarvan in het ouderschapsplan is onderkend dat hij vanwege zijn verstandelijke beperking bijzondere zorg en begeleiding behoeft. De plotselinge en herhaalde teleurstelling dat de man niet komt opdagen, is schadelijk voor het emotionele welzijn van de kinderen. Daarnaast is de vrouw een eigen onderneming gestart waar zij op de dagen dat de kinderen bij de man zijn aan werkt en waarvoor zij regelmatig naar het buitenland reist. Doordat de man de zorgregeling niet nakomt, wordt zij ook met aanzienlijke praktische gevolgen geconfronteerd, aldus nog steeds de vrouw.

De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, dan wel een tijdelijke aangepaste zorgregeling vast te stellen gedurende zijn medische behandeling inhoudende dat hij de kinderen eenmaal per twee weken gedurende het weekend bij zich zal hebben, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

De man voert aan dat het belang van de kinderen ook voor hem voorop staat. Juist daarom heeft hij voorgesteld voorlopig een beperkte weekendregeling te hanteren totdat zijn behandeling effect zou hebben. Van een ouder die dagenlang nauwelijks slaapt, onder psychiatrische behandeling staat en psychofarmaca gebruikt, kan niet worden verlangd dat hij drie jonge kinderen meerdere dagen per week zelfstandig verzorgt. Dat zou juist strijdig

zijn met hun belangen, aldus de man. De feitelijk dagelijkse leiding van de gezamenlijk onderneming van partijen rust vrijwel volledig op de man. De onderneming verkeert al geruime tijd in zwaar financieel weer. Door de schuldenlast van circa € 700.000,- wordt de man dagelijks geconfronteerd met betalingsregelingen, incassodruk, personeelstekorten en voortdurende zorgen over het voortbestaan van de onderneming. Onder andere deze uitzonderlijke belasting heeft uiteindelijk geleid tot ernstige psychische klachten. De man wil de zorgregeling wel nakomen, maar kan dat niet door de onverwachte medische

omstandigheden, aldus de man.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De zaak heeft een internationaal karakter omdat de man de Turkse nationaliteit heeft. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en stelt ook de Turkse nationaliteit te hebben.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht over een vordering tot nakoming van een zorgregeling, als de minderjarige kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben op het moment dat de procedure start. Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de vrouw in [plaats] hadden ten tijde van de betekening van de dagvaarding in deze procedure, acht de voorzieningenrechter zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Spoedeisendheid

De spoedeisendheid volgt uit de aard van de zaak. Tussen de man en de vrouw is een zorgregeling voor de kinderen overeengekomen, die de man sinds begin juni van dit jaar niet nakomt. Gelet op het belang van de kinderen bij regelmatig contact met hun vader en het feit dat de zorg voor de kinderen in strijd met de afspraken feitelijk alleen op de vrouw rust, is het spoedeisend belang gegeven.

Toetsingskader

Uitgangspunt is dat partijen het gezamenlijk gezag over de kinderen uitoefenen. Op grond van artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek (BW) omvat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. De wet gaat

blijkens lid 4 van dat artikel na ontbinding van het huwelijk bij gezamenlijke uitoefening van het gezag uit van het recht van een kind op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Verder is van belang dat partijen een ouderschapsplan hebben opgesteld en in dat kader een zorgregeling in de zin van artikel 1:247 lid 5 BW ten aanzien van de kinderen zijn overeengekomen waarbij zij in het belang van de kinderen zelf invulling hebben gegeven aan gelijkwaardig ouderschap. Wanneer sprake is van een geschil over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, kan dit op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Nakoming zorgregeling

Uit het hiervoor aangehaalde toetsingskader volgt dat op de man de plicht en het recht rust om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Met de zorgregeling hebben partijen invulling gegeven aan het recht van de kinderen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding. De man is daarom (wettelijk) verplicht om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden zoals in de zorgregeling overeengekomen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van dusdanige omstandigheden dat hij de zorgregeling niet kan nakomen. De voorzieningenrechter licht dat hieronder toe.

De man voert aan dat hij in mei dit jaar is verwezen naar de geestelijke gezondheidszorg en met de behandeling met een antidepressivum is gestart. Tijdens een vervolgconsult eind juni is de diagnose opnieuw bevestigd waarna hij een eerste gesprek met een psycholoog heeft gehad. De man stelt eind augustus een tweede gesprek bij een psychiater te hebben.

Uit de overgelegde medische gegevens blijkt weliswaar dat de man al in mei 2026 bij de huisarts is geweest en een antidepressivum heeft voorschreven gekregen, maar de ernst en aard van de psychische klachten van de man blijkt daar niet uit. Dit blijkt evenmin uit de doorverwijzing naar een psycholoog. Het had op de weg van de man gelegen om nader te onderbouwen dat hij door de ernst en aard van zijn klachten (tijdelijk) niet voor de kinderen kan zorgen. De overgelegde medische gegevens en de enkele stelling dat hij is doorverwezen naar een psychiater zijn daarvoor onvoldoende.

Dat de man medicatie heeft is op zichzelf ook onvoldoende om de zorgregeling niet na te kunnen komen. Het weerhoudt de man er immers niet van het gezamenlijke transportbedrijf te runnen.

De voorzieningenrechter heeft er begrip voor dat het bedrijf (en de schuld) een zware last voor de man is, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om de zorgregeling na te komen en voor de kinderen te zorgen zoals overeengekomen. De vrouw erkent daarbij dat het een gezamenlijke schuld betreft en heeft aangeboden actief mee te helpen binnen het bedrijf met de administratie, door haar rijbewijs C te halen of telefoontjes aan te nemen. De man wijst dit echter af. Dit zou hem niet helpen, omdat de vragen dan toch weer bij hem terecht komen. Dat laatste kan hij echter voorkomen door de vrouw juist wel bij de onderneming te betrekken.

De voorzieningenrechter neemt ten slotte aan dat de man, zoals hij stelt, voor de kinderen wil zorgen. Dat hij dit niet kan, heeft hij echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw tot nakoming van de zorgregeling zal worden toegewezen.

Dwangsom

De man verzoekt de gevorderde dwangsom af te wijzen, omdat hij wel wil nakomen maar niet kan.

Hiervoor is overwogen dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in een situatie van onmacht verkeert. Omdat de man niet vrijwillig de zorgregeling nakomt, acht de voorzieningenrechter een dwangsom als prikkel wel noodzakelijk. De gevorderde dwangsom zal echter worden beperkt zoals in de beslissing vermeld.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt de man tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals vastgelegd in artikel 4.2 van het ouderschapsplan, inhoudende dat de kinderen de ene week van donderdag tot zaterdagmiddag bij de man verblijven en de daaropvolgende week van donderdagmiddag tot maandagmiddag, en de man te bevelen de kinderen op de overeengekomen tijdstippen op te halen en gedurende de aan hem toebedeelde momenten te verzorgen,

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.

1621

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand