ECLI:NL:RBNHO:2026:1154

ECLI:NL:RBNHO:2026:1154

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 1505107825
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Steekpartij na het uitgaan. Meermaals steken met mes in buikstreek van slachtoffer. Poging tot doodslag. 21 maanden gevangenisstraf + TBS met voorwaarden. Schorsing VH onder dezelfde bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.051078.25 (P)

Uitspraakdatum: 13 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

[geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentiecentrum] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.E. de Boer, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij, op of omstreeks 16 februari 2025 te Bergen (NH)ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals in de buikstreek (onder andere in de buurt van de lever) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair hij, op of omstreeks 16 februari 2025 te Bergen (NH) aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steekwonden, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals in de buikstreek (onder andere in de buurt van de lever) te steken;

meer subsidiair hij, op of omstreeks 16 februari 2025 te Bergen (NH) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, meermaals in de buikstreek (onder andere in de buurt van de lever) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverweging poging tot doodslag

Heeft de verdachte aangever gestoken?

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting uit van het volgende. In de nacht van 16 februari 2025 was er een woordenwisseling tussen [slachtoffer] (hierna: de aangever) en de verdachte in eetgelegenheid [...] in Bergen. Buiten op straat heeft er een tweemans gevecht plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte. Getuigen hebben hierover verklaard dat over en weer werd geslagen, dat sprake was van duw- en trekwerk en dat het gevecht niet lang duurde (seconden). Getuigen hebben verder verklaard dat er plotseling veertjes door de lucht vlogen en dat de vechtpartij toen stopte. De verdachte is weggerend via een steeg. De aangever bleek drie keer in zijn buik te zijn gestoken. De jas van de aangever is kapot gegaan, waarbij mogelijke steekbeschadigingen zijn aangetroffen aan de voorkant van zijn jas. Uit onderzoek aan de jas van de verdachte is gebleken dat er bloed van de aangever op zijn jas zat.

Getuige [A] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte na het duwen en trekken een stap achteruit deed en dat de verdachte toen een mes in zijn rechterhand hield. [A] zag dat de verdachte het mes in zijn rechterhand bij zijn rechterzij hield, waarbij het mes naar voren was gericht. Hij hoorde [...] roepen: “Doe dat mes weg, doe dat mes weg”, waarop de verdachte volgens [A] het mes dichtklapte en wegrende. [A] zag dat het een zilverkleurig klapmes was, hij schat de lengte daarvan op ongeveer 15 tot 18 centimeter. Getuige [B] heeft verklaard dat de verdachte wegrende via een steeg en dat zij er gelijk achteraan is gegaan. Ter hoogte van de kapper hoorde zij iets vallen en zij zag dat dit een mes was. Het viel aan de kant waar de verdachte liep en [B] heeft dit mes aan de verdachte teruggegeven, waarna hij het mes in zijn zak heeft gestopt. [B] beschrijft het mes als een vlindermes van tenminste 10 centimeter lang. Getuige [C] heeft verklaard dat zij tijdens de vechtpartij allemaal veertjes zag dwarrelen en dat de verdachte wegrende. Zij zag daarna dat aangever bloedde bij zijn buik. Zij is achter [B] en de verdachte aangerend en zag dat er wat op de grond viel. Zij zag dat dit een mes was, dat [B] dit opraapte en aan de verdachte heeft gegeven.

Anders dan de verdediging heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat bovengenoemde getuigenverklaringen op relevante en essentiële punten met elkaar overeenstemmen. De rechtbank acht deze getuigenverklaringen dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Dat er uiteenlopend is verklaard over de precieze aanleiding van de vechtpartij, maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die de aangever meermalen met een mes in zijn buik heeft gestoken. Vaststaat immers dat de verdachte een mes vasthield in een steekhouding toen hij na het korte handgemeen een stap naar achteren deed, terwijl kort daarvoor tijdens het gevecht tussen aangever en de verdachte veertjes van de donsjas van het slachtoffer door de lucht gingen. De rechtbank gaat er vanuit dat dit het moment is geweest dat de verdachte de aangever met het mes heeft gestoken. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier om aan te nemen dat iemand anders dan de verdachte de aangever zou hebben gestoken. Uit de getuigenverklaringen volgt dat er sprake was van een tweemans gevecht en dat de jongens die er omheen stonden zich niet met het gevecht bemoeiden totdat de veertjes in de lucht kwamen.

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet?

Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood van de aangever had, al dan niet in voorwaardelijke vorm.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de aangever wilde doden. Vol opzet op de dood kan daarom niet worden aangenomen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van de aangever – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden, reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de aangever met een uitklapbaar mes van ten minste tien centimeter drie keer in zijn buikstreek heeft gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het (meermaals) steken met een mes met een dergelijke lengte in de buikstreek, waar zich vitale organen bevinden, kan leiden tot de dood. Dat de verdachte met enige kracht heeft gestoken, leidt de rechtbank af uit het feit dat door de kleding van de aangever heen is gestoken – waarbij de veertjes uit de jas vlogen – en de letselbeschrijvingen waaruit volgt dat de verdachte actief bloed verloor door opgelopen letsel aan zijn lever. Het letsel was van dien aard dat een spoedoperatie noodzakelijk was om de bloeding te stelpen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat door het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans is ontstaan dat de aangever daardoor zou komen te overlijden. Uit de aard van de gedraging volgt verder dat de verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag, zoals primair is ten laste gelegd. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 16 februari 2025 te Bergen (NH) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, meermaals in de buikstreek (onder andere in de buurt van de lever) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweerexces

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, omdat sprake is van noodweerexces.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een noodweersituatie, waardoor een beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is allereerst vereist dat sprake is (geweest) van een noodweersituatie, in die zin dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed.

Uit het dossier volgt dat in eetgelegenheid [...] een woordenwisseling is ontstaan tussen de verdachte en de aangever. Daargelaten de vraag wie de aanstichter is geweest, staat op basis van het dossier en wat ter zitting is besproken vast dat de verdachte en de aangever samen naar buiten zijn gegaan om het ontstane conflict uit te vechten, waarna een kortdurend handgemeen ontstond dat werd omschreven als het over en weer slaan en duw- en trekwerk. Bij die stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangever jegens de verdachte. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden op te leggen. Aan de maatregel zouden de voorwaarden moeten worden verbonden die de reclassering heeft voorgesteld, waaronder opname in een forensische zorginstelling.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat een contactverbod met de aangever als voorwaarde aan de tbs moet worden verbonden. Daarnaast is gevorderd dat de rechtbank ook een contactverbod met de aangever oplegt als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaar, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de gedragbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden geschorst met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat naar voren gebracht dat het over de verdachte opgemaakte Triple onderzoek onvoldoende dragend is om de geadviseerde tbs met voorwaarden op te leggen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het gedrag van de verdachte een traumareactie is op een recente mishandeling. Bovendien ziet de raadsvrouw voldoende ruimte om de beschreven problematiek van de verdachte met behulp van een deels voorwaardelijk strafkader op te vangen. Door de raadsvrouw is verzocht een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een klinische opname, in combinatie met de overige door de rapporteurs geadviseerde voorwaarden. In het verlengde hiervan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel niet aangewezen is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door de aangever drie keer met een mes in zijn buik te steken, tijdens een kort handgemeen zonder noemenswaardige aanleiding. De aangever heeft daarbij levensbedreigend letsel opgelopen, waarbij hij drie dagen opgenomen is geweest op de Intensive Care afdeling van het ziekenhuis. Uit de door de aangever ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat er momenten zijn geweest waarop hij dacht dat hij dit niet ging overleven. Ook heeft de aangever ter zitting op indringende wijze verteld hoe de lichamelijke en geestelijke klachten hem tot op heden beperken in zijn werk, sport en sociale leven. Dit alles heeft zich bovendien vlak voor de ingang van een eetgelegenheid, in de openbaarheid, afgespeeld. Het handelen van de verdachte heeft daarmee bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid en onrust in de maatschappij. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Persoon van de verdachte

Bij bepaling van de strafmaat kijkt de rechtbank ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte van 19 december 2025 volgt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van onder meer de volgende stukken:

het Pro Justitia rapport (Triple onderzoek) van 5 augustus 2025, opgemaakt door [naam forenisisch milieuonderzoeker] , forensisch milieuonderzoeker, [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, en [naam psychiater] , psychiater;

een aanvullend NFIP-rapport van 17 september 2025; en

een reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 6 november 2025, opgesteld door [naam reclasseringswerker] reclasseringswerker.

Toerekenbaarheid

De onderzoekers concluderen dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken. De verdachte is vanuit zijn vermijdende persoonlijkheid geneigd om boosheid en agressie weg te maken en te loochenen. Hoewel de verdachte heeft aangegeven zich niets te kunnen herinneren van het incident, lijkt het de onderzoekers voorstelbaar dat indien de emoties boosheid en agressie bij de verdachte getriggerd worden, deze emoties de verdachte kunnen overspoelen en dat dit kan leiden tot een emotionele woede-uitbarsting. Geadviseerd wordt dan ook om de verdachte het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde conclusie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de motivering met betrekking tot de toerekenbaarheid wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusie van de onderzoekers, dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, dan ook over. De rechtbank houdt hier rekening mee in de strafoplegging.

Advies deskundigen en reclassering over hulpverlening en toezicht

Vanwege de complexe problematiek van de verdachte en het daarmee samenhangende matig tot hoge recidiverisico achten de psycholoog, psychiater en de reclassering behandeling aangewezen, De behandeling zal vanwege de vermijdende problematiek van de verdachte intensief en langdurig moeten zijn, en gericht op de vermijdende (en afhankelijke) persoonlijkheidsdynamiek en het zicht krijgen op zijn emotionele binnenwereld. Daarbij wordt aangegeven dat moet worden gewaakt voor overschatting van de verdachte. Voorts wordt geadviseerd om lopende de behandeling neuro(psycho)logisch onderzoek in te zetten naar de cognitieve klachtenpresentatie van de verdachte.

Een tbs-kader wordt als noodzakelijk en meest passend beschouwd om de behandeling vorm te geven. Middels dit kader kan de verdachte gemotiveerd worden om in behandeling te blijven en kan gewerkt worden aan de genoemde behandel- (en diagnostische) doelen. Het kader van tbs met voorwaarden met in aanvang een klinische opname (in een laag-matig beveiligde setting) zou moeten volstaan. Op die wijze is de behandeling geborgd en kan met voortschrijdend inzicht ingezet worden op het natraject.

Naar aanleiding van de gezamenlijke vragen van de verdediging en de officier van justitie hebben de psycholoog en psychiater bij aanvullend NIFP-rapport van 17 september 2025 toegelicht dat een deels voorwaardelijk kader (ook met de voorwaarde van klinische opname) als te weinig intensief en te vrijblijvend wordt gezien. Een klinische opname (die in het algemeen een jaar duurt) binnen een dergelijk kader wordt als te kort beschouwd voor de aangewezen behandeling en diagnostiek. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat mocht het de verdachte ‘te heet onder de voeten worden’, hij vanuit zijn vermijdende copingstijl ervoor kiest om zijn straf uit te zitten, terwijl onderzoekers een behandeling als noodzakelijk zien om het recidiverisico te verlagen.

De reclassering heeft geadviseerd om, in geval van tbs met voorwaarden, de volgende voorwaarden op te leggen:

- geen strafbaar feit plegen;- meewerken aan reclasseringstoezicht;- meewerken aan time-out;- niet naar het buitenland;- opname in een zorginstelling;- aansluitende ambulante behandeling;- begeleid wonen of maatschappelijke opvang;- drugsverbod;- alcoholverbod;- dagbesteding;- meewerken aan schuldhulpverlening/budgetbeheer.

Ten aanzien van de klinische opname heeft de reclassering toegelicht dat de verdachte is aangemeld en geaccepteerd bij FPK [...] , maar dat nog niet bekend is wanneer hij opgenomen kan worden. Mocht de geïndiceerde kliniek geen plaats hebben op de

datum einde detentie, dan zal de Divisie Individuele Zaken zorg dragen voor een

overbruggingsplek in een kliniek met hetzelfde beveiligingsniveau.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezen feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gelet op straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken opleggen. Ook heeft de rechtbank daarbij rekening gehouden met de conclusie van de deskundigen dat de feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Alles afwegend vindt de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebracht tijd, op zijn plaats.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De op te leggen maatregel

De rechtbank is het eens met de conclusie van de deskundigen dat hulpverlening en toezicht in de vorm van tbs met voorwaarden noodzakelijk is. De rechtbank ziet deze noodzaak voornamelijk gelegen in de duurzame en langdurige (klinische) behandeling voor de verdachte. Anders dan de raadsvrouw en met de deskundigen, acht de rechtbank deze noodzakelijke behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel voor de verdachte te licht en te vrijblijvend. Een klinische opname binnen een dergelijk kader geeft onvoldoende waarborgen. De verwachting is immers dat deze te kort zal zijn. Gelet op de vermijdende houding ten aanzien van zijn problematiek bestaat ook het risico dat de verdachte op enig moment ervoor kiest om zijn straf ‘uit te zitten’, waardoor hij onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij. De rechtbank neemt tot slot in overweging dat de verdachte in het verleden reeds verschillende vormen van behandeling en ondersteuning heeft ontvangen, die kennelijk niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

De rechtbank stelt vast dat er in dit geval is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van tbs met voorwaarden: tijdens het begaan van het primaire feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, het feit dat de verdachte heeft begaan is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel. De rechtbank zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden.

De verdachte heeft zich op de zitting ten overstaan van de rechtbank bereid verklaard de geadviseerde voorwaarden na te leven als deze worden opgelegd.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom bij omzetting naar terbeschikkingstelling met dwangverpleging langer duren dan vier jaar. De rechtbank acht een ongemaximeerde terbeschikkingstelling bij het niet voldoen aan de voorwaarden noodzakelijk om herhaling te voorkomen.

De rechtbank ziet geen reden om het door de officier van justitie gevorderde contactverbod als extra voorwaarde aan de tbs te verbinden, omdat niet is gebleken dat de verdachte sinds het gebeurde op enigerlei wijze heeft geprobeerd -direct of indirect- in contact te komen met de aangever, terwijl er evenmin aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de verdachte dit in de toekomst actief zal proberen.

De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding om het door de officier van justitie gevorderde contactverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank zal de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z Sr, aan de verdachte opleggen. De rechtbank acht oplegging van deze maatregel in het geval van de verdachte noodzakelijk en wenselijk naast de oplegging van de gevangenisstraf en de behandeling in het kader van de tbs met voorwaarden. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan.

Voorlopige hechtenis

Voor de situatie dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start, in de beoogde FPK [...] , dan wel in een (tijdelijke) overbruggingskliniek.

Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig, omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal aan de schorsing van de voorlopige hechtenis dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs met voorwaarden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in verband met het voorgaande naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729 (ro. 6.4.2-6.5).

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [...] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 52.034,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit vijf posten, namelijk: (i) een bedrag van € 261,-, te weten het eigen risico dat de benadeelde partij aan zijn ziektekostenverzekering heeft moeten betalen, (ii) een bedrag van € 140,-, in verband met het verblijf in het ziekenhuis, (iii) een ter terechtzitting beperkt bedrag tot € 151,-, te weten de gemaakte reis- en parkeerkosten, (iv) een bedrag van € 575,- in verband met verplaatste schade, en (v) een bedrag van € 907,-, te weten de geleden schade aan kleding en schoenen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij nog immateriële schade gevorderd voor een bedrag van € 50.000,-.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële en immateriële schade kan worden toegewezen. De bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de gevorderde ziektekosten op het standpunt gesteld dat zij dienen te worden afgewezen, omdat uit de overgelegde stukken blijkt dat dit kosten zijn die vergoed zijn voor een bril op 18 maart 2025 en gebitsreiniging op 23 april 2025. Er bestaat aldus geen verband met het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen de gemaakte reiskosten wegens bezoeken gerelateerd aan de darmproblematiek en het ten laste gelegde feit. Voor wat betreft de gevorderde kleding meent de raadsvrouw dat het bedrag voor de jas niet voldoende is onderbouwd, aangezien niet blijkt of de overgelegde bon op de jas ziet. Ook de gevorderde verplaatste schade is volgens de raadsvrouw onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat door de benadeelde partij ten onrechte aansluiting is gezocht bij categorie II van de Rotterdamse Schaal inzake ernstig buikletsel waarbij de darmfunctie wordt aangetast. Het gevorderde schadebedrag dient, gelet op het opgelopen letsel, aanzienlijk te worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

(i) Eigen risico

Uit het verzoek tot schadevergoeding volgt dat het gevorderde schadebedrag van € 261,- ziet op het eigen risico zorgkosten (p. 3). Uit het bijgevoegde overzicht blijkt dat de kosten in verband met het ambulancevervoer op 16 februari 2025, bestaande uit “ambulance kilometers” en “ambulance spoed” ten laste van het eigen risico zijn gebracht (p. 30). Hiermee is het volledige eigen risico ad € 385,- opgemaakt als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Nu de benadeelde partij ten aanzien van deze post het gevorderde bedrag echter heeft beperkt tot € 261,-, zal de rechtbank dit bedrag toewijzen.

(ii) Ziekenhuisverblijf

De kosten voor het verblijf in het ziekenhuis zijn voldoende aannemelijk gemaakt, de benadeelde partij heeft deze schade geleden en deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. Deze schade is niet betwist door de verdediging. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

(iii) Reis- en parkeerkosten

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting zijn reis- en parkeerkosten beperkt tot een afgerond bedrag van € 151,-. De rechtbank begrijpt dat het nog gaat om de volgende posten:

bezoek MDL-arts en inleveren bloed/ontlasting € 55,92 (reiskosten € 40,66 en parkeerkosten € 15,26)

bezoek Spoedeisende Hulp € 7,20 (reiskosten € 5,02 en parkeerkosten € 2,18)

behandeling psycholoog € 87,36 (reiskosten € 63,16 en parkeerkosten € 24,20)

Ten aanzien van de reis- en parkeerkosten voor het bezoek aan de MDL-arts en het inleveren van bloed/ontlasting ten behoeve van het onderzoek aan de darmen overweegt de rechtbank als volgt. Uit het aan het verzoekschrift tot schadevergoeding gehechte ziekenhuisverslag

(p. 17) volgt dat onduidelijk is of er sprake is van een causaal verband tussen de bij de benadeelde partij geconstateerde ontstekingen aan de darmwand en de door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte scheur/snede in de lever. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de vordering met betrekking tot de reis- en parkeerkosten naar de MDL-arts (inbegrepen het inleveren van bloed/ontlasting) te kunnen beoordelen. De behandeling van dit gedeelte van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat nader onderzoek naar een eventueel causaal verband tussen deze kostenpost en het bewezenverklaarde feit noodzakelijk zal zijn. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de gevorderde reis- en parkeerkosten (€ 55,92) dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gevorderde kosten voor het bezoek aan de Spoedeisende Hulp (de nazorg en het verwijderen van de hechtingen) en aan de psycholoog heeft gemaakt en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Deze schade is niet betwist door de verdediging. Dit deel van de vordering, ten bedrage van in totaal € 94,56 (€ 7,20 en € 87,36) zal dan ook worden toegewezen.

(iv) verplaatste schade

Ten aanzien van de verplaatste schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het letsel dat is toegebracht, in combinatie met de geneeskundige verklaringen over het herstel van de benadeelde partij, acht de rechtbank het aannemelijk dat het voor de benadeelde partij na zijn ontslag uit het ziekenhuis een aantal weken niet mogelijk is geweest zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen zelfstandig te verrichten, waardoor hij in die periode hulp van zijn ouders nodig heeft gehad en waarvoor hij ook een professionele dienstverlener had kunnen inschakelen. De vordering is voldoende onderbouwd. De rechtbank komt dit deel van de vordering billijk voor, zodat deze post in zijn geheel zal worden toegewezen.

(v) kleding

De benadeelde partij vordert voorts vergoeding van kleding die als gevolg van het strafbare feit kapot is gegaan. Dat de kleding die de benadeelde partij die dag droeg kapot is gegaan dan wel bebloed is geraakt als gevolg van het strafbare feit vindt de rechtbank gelet op de plaats en de aard van het letsel aannemelijk. Deze schade staat dan ook in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit en is voldoende onderbouwd met facturen en komt daarom voor toewijzing in aanmerking.

Slotsom

De slotsom is dat de rechtbank een bedrag van (€ 261,- + € 140,- + € 94,56 + € 575,- + € 907 ,- =) € 1.977,56,- zal toewijzen aan materiële schade.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op de eerste en laatste grondslag is gebaseerd.

Nu in onderhavige zaak sprake is geweest van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering tot immateriële schade van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.

Ten aanzien van de gestelde darmschade stelt de rechtbank voorop dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat er – zoals door de benadeelde partij is gesteld – een causaal verband bestaat tussen de chronische actieve darmontsteking van de benadeelde partij en het bewezenverklaarde feit. Wel volgt uit de schriftelijke en mondelinge onderbouwing dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van littekenvorming en klachten aan het spijsverteringsysteem. Ook staat vast dat de benadeelde partij is gediagnosticeerd met PTSS, waardoor geestelijk letsel (psychische schade) is opgelopen.

De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 20.000,- zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de onderbouwing van de vordering en op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordering van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

Slotsom

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een totaalbedrag van

(€ 1.977,56- + € 20.000,- =) € 21.977,56, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ook zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder het primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 3.4 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en stelt daarbij de volgende algemene en bijzondere voorwaarden betreffende zijn gedrag:

Stelt als algemene voorwaarde voor zijn gedrag:

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:

1. Meewerken aan reclasseringstoezicht

De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de verdachte:

2. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

3. Niet naar het buitenland

De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

4. Opname in een zorginstelling

De verdachte laat zich opnemen in FPK [...] of een soortgelijke zorginstelling, dan wel in een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend op detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.

Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

5. Ambulante behandeling

De verdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering.

De behandeling start aansluitend aan zijn klinische behandeling en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

6. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan zijn klinische behandeling en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

7. Drugsverbod

De verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

8. Alcoholverbod

De verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

9. Dagbesteding

De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

10. Meewerken aan schuldhulpverlening/budgetbeheer

De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden en werkt zonodig mee aan schuldhulpverlening/budgetbeheer.

Geeft opdracht aan de reclassering bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Wijst toe de vordering tot oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 21.977,56, bestaande uit € 1.977,56 als vergoeding voor de materiële en € 20.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [...] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 21.977,56, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 131 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Schorst het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de verdachte in het kader van de klinische behandeling (zoals omschreven in voorwaarde 4) zal worden opgenomen in een zorginstelling, dan wel in een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in een zorginstelling. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 10 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarde:

- dat de verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. I.A. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.J.A. Krips,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L. Boonstra
  • mr. A. Buiskool
  • mr. I.A. Groenendijk

Griffier

  • mr. I.A. Groenendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?