RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12020462 \ CV EXPL 25-8543
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
HOIST FINANCE AB,
te Stockholm (Zweden),
eisende partij,
hierna te noemen: Hoist,
gemachtigde: NDA Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde], H.O.D.N. [bedrijf],
zaakdoende te [plaats 1] en wonende te [plaats 2]
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 27 november 2025, met 2 producties;
- mondeling antwoord van 24 december 2025;
- aanvullend antwoord van 24 februari 2026;
- vonnis van 1 april 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- aanvullende producties van Hoist van 13 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen afgesproken dat de zaak zou worden aangehouden tot 29 juli 2026, zodat [gedaagde] de meterstanden van de afgelopen vier jaar nog over kon leggen. [gedaagde] heeft echter geen stukken ingediend en heeft ook anderszins niets van zich laten horen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Tussen Vattenfall en [gedaagde] bestond een zakelijke overeenkomst tot levering van gas en elektriciteit voor en ten behoeve van het verbruiksperceel van de eenmanszaak van [gedaagde] aan de [adres] te [plaats 1].
Vattenfall heeft op grond van de hiervoor genoemde overeenkomst voorschotnota’s bij [gedaagde] in rekening gebracht:
Datum
Nummer
Bedrag
11 juli 2023
45031614574
€ 193,90
11 augustus 2023
47026866820
€ 196,00
11 september 2023
42535287159
€ 196,00
11 oktober 2023
40540560764
€ 222,00
In de eindafrekeningen staat: “Uw energienota (…)
Omdat wij uw meterstanden niet ontvangen hebben, of niet uit konden lezen, hebben wij ze geschat. Liggen uw echte standen veel hoger of veel lager? Vertel het ons via vattenfall.nl/correctie-energienota. Zo voorkomt u onnodig bijbetalen volgend jaar.”
[gedaagde] heeft de onder rechtsoverweging 2.2 genoemde nota’s ondanks aanmaning niet betaald.
Op 9 februari 2024 heeft Vattenfall de vordering gecedeerd aan Hoist.
3. Het geschil
Hoist vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 807,90, vermeerderd met rente en kosten.
Hoist legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de tussen [gedaagde] en Vattenfall gesloten overeenkomst gehouden is om de voorschotnota’s te betalen. [gedaagde] heeft deze nota’s ondanks aanmaning niet betaald. Om die reden is [gedaagde] ook rente en kosten verschuldigd.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Hoist, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Hoist.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Hoist heeft betaling gevorderd van voorschotnota’s over de maanden juli 2023 tot en met oktober 2023. Ter onderbouwing heeft zij naar de eindafrekeningen verwezen. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat hij die voorschotnota’s niet is verschuldigd, omdat deze te hoog zijn. Hij heeft betoogd dat hij in de betreffende periode (lees: juli 2023-oktober 2023) nagenoeg geen gas heeft verbruikt. Om die reden kunnen de voorschotnota’s niet juist zijn. Het verweer van [gedaagde] slaagt niet en wel om het volgende.
Niet in geschil is dat de eindafrekeningen zijn opgesteld op basis geschatte meterstanden (zie rechtsoverweging 2.3). Vattenfall kon daartoe overgaan omdat zij de meterstanden die het werkelijk verbruik weergeven – na herhaalde verzoeken – niet van [gedaagde] heeft gekregen. Dat [gedaagde] geen bericht heeft gekregen dat hij de meterstanden moest doorgeven volgt de kantonrechter niet. Uit de eindafrekening blijkt wel degelijk dat [gedaagde] is verzocht om deze over te leggen. Ook in deze procedure heeft [gedaagde] – hoewel hij daartoe tweemaal in de gelegenheid is gesteld – nagelaten om de meterstanden van het werkelijk verbruik over te leggen. De wel door [gedaagde] overgelegde meterstand van januari 2026 kan niet als bewijs dienen dat de schattingen van Vattenfall onjuist zijn, omdat deze ziet op een andere periode. Vattenfall mocht dan ook uitgaan van de schattingen en van de door haar berekende voorschotten. Niet ter discussie staat dat [gedaagde] het voorschotbedrag zelf niet heeft aangepast.
Nu Vattenfall mocht afrekenen op basis van de geschatte meterstanden moet er van uit worden gegaan dat de vordering van Hoist correct is. De eindafrekeningen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de voorschotten zijn betaald, terwijl dit niet het geval is. De door Hoist gevorderde hoofdsom is daarom toewijsbaar. [gedaagde] moet dus een bedrag van € 807,90 aan Hoist betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
Hoist vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 40,00. Deze vordering is toewijsbaar, omdat [gedaagde] deze niet heeft betwist.
Hoist heeft een bedrag aan vervallen wettelijke handelsrente gevorderd. Zij heeft echter niet gespecificeerd over welke periode deze rente is berekend en waarom. De enkele mededeling dat de rente is berekend vanaf de dag dat [gedaagde] in verzuim is, is niet voldoende, omdat Hoist niet heeft gesteld en onderbouwd wanneer [gedaagde] is verzuim is geraakt. De kantonrechter kan daardoor niet beoordelen of er een grondslag voor de gevorderde vervallen wettelijke handelsrente bestaat en wijst dit gedeelte dan ook af. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf 30 dagen na de dag volgende op de dag van ontvangst van de factuur, omdat niet gebleken is dat partijen een andere uiterste betaaldatum zijn overeengekomen.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hoist worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
846,14
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Hoist te betalen een bedrag van € 807,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 30 dagen na de dag volgende op dag van ontvangst van de facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Hoist te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 846,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.