RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/380605 / KG ZA 26-451
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Imdahl,
tegen
[gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. F.R. Menso.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2026 met producties 1 tot en met 18,
- het bericht van 2 augustus 2026 van mr. Menso met producties 1 tot en met 7,
- het bericht van 3 augustus 2026 van mr. Imdahl inzake het bezwaar tegen de door de vrouw ingediende producties,
- het bericht van 3 augustus 2026 van mr. Menso met een nadere toelichting op de producties 1 tot en met 7,- de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026- de pleitnota van de vrouw.
2. Uitgangspunten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Begin 2023 is de relatie beëindigd.
Uit deze relatie is geboren de minderjarige [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2022). De man heeft [minderjarige] erkend. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
Op 12 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde onder zaaknummer C/15/348584 / KG ZA 24-43 een vonnis gewezen (hierna: het kort geding vonnis van 12 maart 2024). Dit vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:
“ 5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
(…)
in reconventie:
veroordeelt de man aan de vrouw € 400,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 1 februari 2024;
(…)”
Op 4 maart 2026 heeft deze rechtbank tussen de man als verzoeker en de vrouw als verweerster onder zaaknummer C/15/360663 / FA RK 25-66 een beschikking gewezen (hierna: de beschikking van 4 maart 2026). De beschikking luidt, voor zover van belang, als volgt:
“ 7. Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in de gemeente Hoorn, telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 233,- per kind per maand, met ingang van 5 maart 2026;
(…)”
De man heeft vanaf september 2024 maandelijks niet de volledige alimentatie betaald.
Bij brief van 9 juli 2026 heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: het LBIO) aan de man medegedeeld dat het LBIO executoriaal derdenbeslag zal leggen onder de werkgever of uitkeringsinstantie van de man voor de vordering betreffende de achterstand van de alimentatie, begroot op een bedrag van € 4.903,19.
De man heeft op 4 juni 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht dat het gerechtshof de beschikking van 4 maart 2026 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, bepaalt dat de ingangsdatum van de alimentatie wordt vastgesteld op 1 februari 2024, subsidiair op september 2024 en meer subsidiair op de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 30 december 2024.
3. Het geschil
De man vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 12 maart 2024, voor zover het de plicht van de man tot betaling van kinderalimentatie tot 5 maart 2026 betreft, totdat inhoudelijk ter zake is beslist in de appelprocedure.
De man legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Als gevolg van het door LBIO gelegde loonbeslag is de man in een acute financiële noodsituatie terechtgekomen. Zonder loonbeslag bedraagt het netto inkomen van de man € 2.281,67 per maand. Door het loonbeslag houdt het LBIO daarop maandelijks een bedrag van € 535,90 in. De maandelijkse vaste lasten van de man zijn € 2.907,74 per maand. Het beslag veroorzaakt dus niet slechts een beperkte vermindering van financiële ruimte, maar maakt het maandelijkse tekort concreet en direct zichtbaar, aldus de man.
De vrouw voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de kant van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de kant van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
De man beroept zich er niet op dat de te executeren beslissing berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Thans dient beoordeeld te worden of sprake is van een noodtoestand aan de kant van de man dan wel van misbruik van bevoegdheid door de vrouw.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen grond bestaat voor een verbod tot executie. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in een noodtoestand verkeert, zoals de vrouw terecht heeft aangevoerd in haar verweer. Op grond van de stellingen van de man en de door hem overgelegde stukken is de voorzieningenrechter niet overtuigd geraakt dat de man niet verweten kan worden dat hij – kennelijk – niet in staat is de alimentatie te betalen. De man heeft er zelf voor gekozen om begin 2025 een woning te kopen en andere grote uitgaven te doen terwijl hij wist dat in de nabije toekomst een uitspraak van de bodemrechter zou komen over de alimentatieverplichting. Daarbij was de man ermee bekend dat de vrouw de executie zou (kunnen) voortzetten indien de bodemzaak nadelig voor hem zou eindigen (productie 19 bij dagvaarding). Vanaf september 2024 is de man immers de geldende alimentatieverplichting niet nagekomen. De man had de verantwoordelijkheid moeten nemen om er voor te zorgen dat hij deze verplichting wel kon nakomen. Verder heeft de man geen inzicht gegeven in zijn gezamenlijke financiële huishouding.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een noodtoestand bij de man noch van misbruik van bevoegdheid aan de kant van de vrouw door thans op basis van het kort geding vonnis van 12 maart 2024 tot executoriaal loonbeslag over te gaan. De vorderingen worden daarom afgewezen.
Vanwege de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om de man, zoals door de vrouw gevorderd, in de proceskosten te veroordelen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van de man af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Voogd en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.