RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Beverwijk, verzoeker
de korpschef van politie, de politiechef van eenheid Noord-Holland
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/3809
(gemachtigde: mr. I. Korkmaz),
en
(gemachtigde: M. van Breenen).
Procesverloop
1. Op 14 april 2026 heeft [naam bedrijf] B.V. een aanvraag gedaan tot het verkrijgen van een toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) om verzoeker (beveiligings)werkzaamheden ten behoeve van dit bedrijf te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming in het besluit van 16 juni 2026 geweigerd omdat de korpschef feiten en omstandigheden bekend zijn geworden waardoor verzoeker op dit moment niet betrouwbaar wordt gevonden.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij als gevolg van het bestreden besluit een onmiddellijk en volledig verlies van zijn inkomen heeft. Hij is uitsluitend werkzaam als zzp’er in de beveiligingsbranche, heeft geen andere diploma’s en geen andere bron van inkomen. Dit terwijl verzoeker kostwinner is van zijn gezin met een minderjarig kind.
De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit vaste rechtspraak volgt dat een financieel belang in beginsel onvoldoende is om een voorlopige voorziening te treffen. Dat is alleen anders als verzoeker aannemelijk kan maken dat hij in een financiële noodsituatie terecht zal komen. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de korpschef dat verzoeker de gestelde financiële noodsituatie niet heeft onderbouwd. De mail van Pré-wonen, die verzoeker heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang, is in dit kader onvoldoende. Aanvullend overweegt de voorzieningenrechter dat de hoorzitting in bezwaar op 31 augustus 2026 zal plaatsvinden. Niet is gebleken dat verzoeker niet in staat is om de beslissing op bezwaar af te wachten.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de korpschef ingenomen standpunt juist is en of het besluit in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu bekende stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal houden.
Conclusie
3. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Er is ook geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: