RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/226079-25 (P)
Uitspraakdatum: 3 september 2026
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 20 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] van De Jeugd en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) en [coach] (de coach van de verdachte).
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Amine, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren heeft gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 5 juli 2025 te Haarlem opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de nabijheid van eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , door een explosief bij/tegen de ruit en/of muur van het pand te plaatsen/leggen en/of dit explosief in aanraking met vuur te brengen waardoor het explosief tot ontploffing is gekomen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de goederen die
zich ten tijde van de explosie in voornoemde pand bevonden, te duchten was;
feit 2:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Haarlem [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met een vuurwapen te schieten op eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] in eigendom van [benadeelde partij 1] ;
feit 3:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 4:
hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een 9mm (machine)pistool zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten vijftien, althans één of meer, kogelpatronen, welke geschikt zijn om met voornoemd vuurwapen te worden verschoten, van het merk, kaliber, en type: Luger 9mm Cbc
voorhanden heeft gehad;
feit 5:
hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de goederen die zich ten tijde van de explosie in voornoemde pand bevonden te duchten was, een explosief op de straat voor het pand en/of tegen de muur en/of ruit heeft geplaatst/gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde sprake
is van een eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht (Sr). De bewezenverklaarde gedragingen leveren een op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op zodat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Bewijsmotivering feit 1
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af. Op
5 juli 2025 heeft een getuige, die in het eetcafé [eetcafé] aan [adres] in [plaats] aanwezig was, een harde knal en glasgerinkel gehoord. Eén van de ramen in het pand is beschadigd. Tijdens het politieonderzoek op 6 juli 2025 komt naar voren dat de schade het gevolg is van vuurwerk dat tot ontploffing is gekomen. Verbalisanten vinden restanten van vuurwerk (zoals kartondeeltjes die zijn herkend van het merk Di Eli Blasio, type Cobra 6 of 2G), en een geel schutvel van dubbelzijdige tape. De verbalisanten is ambtshalve bekend dat zelfgemaakte explosieven kunnen bestaan uit één of meerdere stukken zwaar vuurwerk, met daaromheen tape. Het schutvel is onderzocht op DNA-sporen. Het hierop aangetroffen DNA-profiel komt overeen met het DNA-profiel van de verdachte.
Uit de camerabeelden van diverse bedrijven in de omgeving blijkt dat een taxi kort voor de ontploffing een persoon heeft afgezet vlakbij het eetcafé. Door de chauffeur van die taxi is verklaard dat hij het broertje van oud-klasgenoot [broer] heeft opgehaald in [plaats] en heeft afgezet in de Waarderpolder vlak bij het eetcafé. Nadat hij hem heeft afgezet loopt de persoon in de richting van het eetcafé. De chauffeur hoort vlak daarna een explosie. De chauffeur omschrijft de persoon die hij heeft opgehaald als een jongen met een bos bruine krullen, volledig in het zwart gekleed. De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan dit signalement voldoet. Ook woont hij in [plaats] en heeft hij een broer die [broer] heet.
Op grond van deze bevindingen, in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte diegene is geweest die opzettelijk de ontploffing teweeg heeft gebracht.
Bewijsmotivering feit 2 en feit 3
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af. Op
6 juli 2025 is geschoten op eetcafé [eetcafé] aan [adres] in [plaats] . Door getuigen is verklaard dat ze meerdere schoten hebben gehoord. Bij het politieonderzoek op
6 juli 2025 zijn bij het pand 15 kogelhulzen en meerdere schotbeschadigingen aan het pand aangetroffen. Uit camerabeelden blijkt dat een persoon bij het pand stopte en zijn armen uitstrekte, waarna vijftien korte knallen zijn te horen. Uit camerabeelden blijkt ook dat deze persoon daarna naar het station Spaarnwoude is gelopen, met de trein naar Sanpoort-Noord is gegaan en vervolgens op station Sanpoort-Noord een taxi naar [plaats] heeft genomen. Deze taxichauffeur heeft verklaard dat hij een jongen met een bos krullen, vlassig snorretje en groene broek naar [plaats] heeft gebracht. Deze persoon heeft de taxichauffeur verteld bij [bedrijf] te werken. De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan dit signalement voldoet. Hij woont ook in [plaats] . Op de telefoon van de verdachte is bovendien een afbeelding aangetroffen van hem met een shirt met [bedrijf] -logo aan. Daarnaast blijkt uit de zendmastgegevens dat de verdachte op het moment van de schietpartij in de buurt van [adres] in [plaats] was.
Op grond van deze bevindingen, in samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte diegene is geweest die op het bedrijfspand heeft geschoten. Dat door het schieten op het eetcafé bij de eigenaar en huurder van het pand de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen is duidelijk. Ook zijn meerdere beschadigingen aan het pand ontstaan. Daarmee heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich schuldig gemaakt aan zowel het ten laste gelegde feit 2 als het ten laste gelegde feit 3.
Bewijsmotivering feit 4
Zoals hierboven in 3.3.3 is uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de persoon is die met een wapen heeft geschoten op 6 juli 2025. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Bewijsmotivering feit 5
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat op 8 juli 2025 een melding is binnengekomen dat een vuurwerkbom/explosief is aangetroffen bij eetcafé [eetcafé] aan [adres] in [plaats] . Uit de camerabeelden blijkt dat rond 05:09 uur een vlam zichtbaar is, maar dat geen ontploffing heeft plaatsgevonden. Uit de camerabeelden volgt dat iemand bij het eetcafé aanwezig was en dat deze persoon later naar het station Spaarnwoude is gelopen. Op dit station heeft hij de trein gemist en vervolgens een taxi gebeld. Deze taxichauffeur heeft verklaard dat hij een jongen met Egyptisch uiterlijk naar [plaats] heeft gebracht. De ouders van de verdachte zijn van Egyptische afkomst. Het telefoonnummer dat is gebruikt om de taxi te bellen is herleid naar een telefoonnummer dat bij de verdachte in gebruik is.
Op grond van deze bevindingen, in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte degene is geweest die een poging heeft gedaan om opzettelijk brand te stichten dan wel een ontploffing teweeg te brengen bij het bedrijfspand.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij op 5 juli 2025 te Haarlem opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de nabijheid van eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , door een explosief bij/tegen de ruit en/of muur van het pand te plaatsen en dit explosief in aanraking met vuur te brengen waardoor het explosief tot ontploffing is gekomen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de goederen die zich ten tijde van de explosie in voornoemde pand bevonden, te duchten was.
Feit 2:
hij op 6 juli 2025 te Haarlem [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen met een vuurwapen te schieten op eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] in eigendom van [benadeelde partij 1] .
Feit 3:
hij op 6 juli 2025 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , dat aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, heeft beschadigd.
Feit 4:
hij op 6 juli 2025 te Haarlem een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een 9mm (machine)pistool zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten vijftien kogelpatronen, welke geschikt zijn om met voornoemd vuurwapen te worden verschoten, van het merk, kaliber, en type: Luger 9mm Cbc voorhanden heeft gehad.
Feit 5:
hij op 8 juli 2025 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van eetcafé [eetcafé] gelegen aan [adres] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de goederen die zich ten tijde van de explosie in voornoemde pand bevonden te duchten was, een explosief op de straat voor het pand en/of tegen de muur en/of ruit heeft geplaatst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Voor zover sprake was van in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn deze verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken, is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
- feit 1: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- ten aanzien van de feiten 2 en 3:
de eendaadse samenloop van
- feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht/zware mishandeling;en
- feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;
- feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- feit 5: poging tot opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 105 dagen met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen, naast de algemene voorwaarden, ook de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden. Daarbij heeft de officier van justitie als aanvullende voorwaarde gevorderd dat de verdachte meewerkt aan een delictanalyse in het kader van zijn behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende jeugddetentie.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de verdachte in ieder geval geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De verdediging vindt het belang dat de positieve stappen die de verdachte heeft gezet, niet worden doorkruist. De verdachte is goed in contact en komt afspraken na. De verdachte staat ook open voor begeleiding en behandeling.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft in een tijdsbestek van vier dagen meerdere ernstige strafbare feiten gepleegd, telkens op dezelfde plaats bij eetcafé [eetcafé] in [plaats] . Op 5 juli 2025 heeft hij zich schuldig gemaakt aan het tot ontploffing brengen van een explosief. Bij dit incident is gebruik gemaakt van zwaar vuurwerk. Op 6 juli 2025 heeft hij ten minste vijftien keer geschoten op hetzelfde eetcafé. Hoewel het eetcafé gesloten was op het tijdstip van deze delicten, was op beide dagen iemand in het pand aanwezig. Dat diegene ongedeerd is gebleven, is een gelukkige omstandigheid die niet te danken is aan de verdachte. Het had immers heel anders kunnen aflopen. Op 8 juli 2025 heeft de verdachte een poging gedaan om een zelfgemaakte vuurwerkbom tot ontploffing te brengen. Daarbij ontstond alleen een steekvlam. De vuurwerkbom bestond uit drie stukken vuurwerk van het type Cobra-6. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving.
Het plegen van aanslagen met explosieven is een fors maatschappelijk probleem. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Ook het feit dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad en daarmee daadwerkelijk heeft geschoten, draagt hieraan bij. Het is onduidelijk gebleven waarom de verdachte deze ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank acht het in dat opzicht ook zorgwekkend dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
Strafblad
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 2 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechtbank Rotterdam op 27 februari 2026 (na het plegen van de bewezenverklaarde feiten in deze zaak) is veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, waardoor artikel 63 Sr. van toepassing is.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de adviesrapportage van de Raad van
11 augustus 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad, en de rapportage van Pro Justitia, opgesteld door GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] van
26 november 2025.
Het psychologisch rapport is opgesteld ten behoeve van de strafzaak van februari 2026 in Rotterdam. In dit rapport komt naar voren dat de verdachte een ernstige normoverschrijdende gedragsstoornis en een gestagneerde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische trekken heeft. De verdachte redeneert doorgaans vanuit zijn eigen belang en heeft een egocentrische houding. Geadviseerd wordt dat de verdachte gesprekken voert over risico- en beschermende factoren, zodat hij leert over pro-sociaal gedrag. Dergelijke gesprekken passen in een behandeling vanuit een forensische polikliniek waarbij een delictanalyse en het opstellen van een terugvalpreventieplan aan de basis liggen. Deze behandeling is aan de verdachte door de rechtbank Rotterdam als bijzondere voorwaarde opgelegd.
Uit de rapportage van de Raad blijkt – kort samengevat – het volgende. De Raad ziet positieve ontwikkelingen bij de verdachte. Het afgelopen half jaar zijn geen incidenten geweest, ook niet nu hij een minder strak kader heeft. Hij houdt zich op dit moment goed aan de opgelegde bijzondere voorwaarden.
De Raad vindt de belangrijke risicofactoren, die de kans op herhaling vergroten, ook nog aanwezig. De verdachte is gericht op geld en het lijkt erop dat hij omgaat met mensen die dit ook belangrijk vinden. Hoewel de Raad niet kan inschatten in hoeverre dit een rol heeft gespeeld bij de huidige verdenkingen, omdat de verdachte daar niet over wil praten, kan deze houding ten aanzien van status en bezit wel een risicofactor vormen. De Raad ziet dat de verdachte meewerkt aan de behandeling, maar dat hij nog steeds geen intrinsieke motivatie heeft voor deze behandeling. Hij wil de frequentie van de afspraken beperken en ziet zelf geen noodzaak voor de behandeling. Tot op heden is hij niet snel geneigd om tijdens de gesprekken naar zichzelf te kijken en hierop te reflecteren. Hij kan zich geen situatie voorstellen waarbij zich risico’s zou kunnen voordoen. Dit is volgens de Raad juist een belangrijk onderdeel voor het verkleinen van de risico’s. Zeker in combinatie met zijn behoefte aan geld verdienen en hang naar succes, ziet de Raad risico’s waardoor hij in nieuwe probleemsituaties terecht kan komen. Daarbij geeft de jeugdreclassering aan weinig inzicht te hebben in het leven van de verdachte. Ook worden risico’s gezien in de sociale contacten die de verdachte heeft (gehad), vanwege de huidige verdenkingen. Al met al ziet de Raad dat gedragsmatig positieve stappen zijn gezet, maar dat de belangrijkste risicofactoren op het gebied van houding, probleembesef en behandelmotivatie nog steeds aanwezig zijn.
Hoewel volgens de Raad een jeugddetentie past bij de ernst van de verdenking, prevaleert voortzetting van de behandeling als wordt gekeken naar het verkleinen van de risico’s. Deze behandeling zal niet worden voortgezet op het moment dat de verdachte in jeugddetentie zit. Zoals ter zitting is toegelicht, adviseert de Raad daarom de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf onder een aantal bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden zijn:
- gedurende de proeftijd aanwezig zijn werk;
- meewerkt aan behandeling bij een forensische polikliniek zoals Co-Fiducia of een soortgelijke instantie, zo lang als de reclassering dit nodig acht en waarbij de frequentie van de afspraken wordt bepaald door de reclassering in samenspraak met de behandelaar;
- meewerkt aan de coaching vanuit Co-Fiducia, of een soortgelijke instantie, zo lang als de reclassering dat nodig acht.
Daarnaast adviseert de Raad om het toezicht en de begeleiding door de volwassenenreclassering te laten uitoefenen, omdat dit beter aansluit bij de verdachte. Ter zitting is door de jeugdreclassering toegelicht dat een pedagogische aanpak bij de verdachte minder lijkt te prevaleren en dat hij een meer zelfstandige benadering nodig lijkt te hebben.
Conclusie
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstig en een onvoorwaardelijke jeugddetentie is daarvoor een passende straf. Gelet op de adviezen van de deskundigen acht de rechtbank het echter niet wenselijk dat de verdachte nu vast komt te zitten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de rechtbank in Rotterdam in februari van dit jaar al een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een pakket bijzondere voorwaarden aan de verdachte heeft opgelegd waar behandeling onderdeel van uit maakt. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou deze behandeling doorkruisen. De verdachte heeft hulpverlening en begeleiding nodig voor zijn problematiek. Voorkomen moet worden dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan ernstige strafbare feiten en hiervoor past voortzetting van het kader dat aan de verdachte reeds is opgelegd.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een voorwaardelijke jeugddetentie van 105 dagen. De rechtbank zal bepalen dat de jeugddetentie vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen ook de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.
De door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde betreffende het meewerken aan een delictanalyse in het kader van zijn behandeling zal de rechtbank niet opleggen, aangezien deze voorwaarde – zoals door de Raad ter zitting is toegelicht – lastig uitvoerbaar is.
Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank daarnaast aan de verdachte opleggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen jeugddetentie. Het is belangrijk dat de verdachte ook nu nog de gevolgen ondervindt van zijn herhaalde keuze om strafbaar te handelen.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert materiele en immateriële schade
die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten heeft geleden. Hij vordert € 67.196,32,-
aan materiele schadevergoeding, bestaande uit gederfde inkomsten, werkzaamheden van de boekhouder, verlies huurgenot, herstel schadeposten (banken, ruiten en schilderwerk), kosten inspectie brandveiligheid en kosten van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast vordert hij
€ 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente en wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
7.1.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het materiele deel van de vordering, waarbij de officier van justitie de rechtbank verzoekt gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van een onderbouwing van het psychisch letsel. Daarbij overweegt de officier van justitie dat dit niet het type feit is waarbij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
7.1.2. Standpunt van de verdediging
Materiele schadevergoeding
De verdediging is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, aangezien de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, dan wel dat toewijzing een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De verdediging voert daartoe aan dat niet kan worden vastgesteld dat door de sluiting van het pand daadwerkelijk winst gederfd is. Blijkens de getuigenverklaring in het dossier waren namelijk geen gasten te zien en is onduidelijk of het eetcafé wel in gebruik was. Daarnaast is de vordering niet onderbouwd met aangiftes. Wel zijn Btw-aangiftes overgelegd, maar daaruit blijkt niet wat het daadwerkelijke inkomen is geweest in vergelijkbare periodes.
De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat aangezien de kosten voor de gederfde inkomsten niet kunnen worden toegewezen, dit ook geldt voor de factuur van de boekhouder die heeft berekend waaruit de gederfde inkomsten bestaan. Bovendien was de verklaring van de boekhouder niet noodzakelijk als de aangifte inkomstenbelasting was overgelegd.
De vordering ten aanzien van de huurkosten dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de huurder geen huur verschuldigd is als de verhuurder niet aan de verplichting van de levering van het pand kan voldoen. Ook zijn geen afschriften bijgevoegd waaruit blijkt dat de huur is doorbetaald tijdens de sluiting op last van de burgemeester.
De vervanging van ruiten en de kosten voor het schilderwerk van de kozijnen en muur komen volgens de verdediging ten laste van de eigenaar van het pand. De vordering dient op dit punt niet-ontvankelijk verklaard te worden. Ten aanzien van de gevorderde schade voor de banken blijkt niet uit het dossier dat alle banken beschadigd waren. Het vaststellen van de daadwerkelijke kosten voor de schade aan de banken levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De kosten voor inspectie brandveiligheid komen volgens de verdediging ten laste van de verhuurder en niet de huurder.
De kosten ten behoeve van camera’s en beveiliging zijn pas in augustus 2026 gemaakt, dus ruim na heropening van het eetcafé. Naar het oordeel van de verdediging kan dan ook geen rechtstreeks verband worden vastgesteld.
Immateriële schade
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de aangever niet direct is geconfronteerd met de explosies en beschieting, omdat hij niet in het pand aanwezig was, en dus niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon anderzijds, waardoor de vordering op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit geldt temeer nu de geschetste angstgevoelens niet worden onderbouwd door bijvoorbeeld documenten van een arts of hulpverlener. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering sterk gematigd dient te worden, aangezien aangever niet direct is geconfronteerd met de explosies.
7.1.3. Oordeel van de rechtbank
Materiele schade
De rechtbank beoordeelt de verschillende posten als volgt.
De vordering wordt voor wat betreft de kosten voor de gederfde inkomsten, niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op de uitgebreide en gemotiveerde betwisting van verschillende aspecten van dit deel van de vordering, waardoor nader onderzoek noodzakelijk is voordat op deze schadepost kan worden beslist, is de rechtbank van oordeel dat behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en alleen bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De vordering die ziet op de factuurkosten voor de boekhouder hangt dusdanig samen met de schadepost van de gederfde inkomsten dat de rechtbank deze vordering ook niet-ontvankelijk verklaart.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de kosten ten behoeve van het verlies van huurgenot wordt dit deel van de vordering ook niet-ontvankelijk verklaard. De behandeling van dit onderdeel van de vordering zou nader onderzoek vergen, wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Ten aanzien van de gevorderde herstel schadeposten, te weten de kosten voor de vervanging van de banken, ruiten en het schilderwerk, overweegt de rechtbank dat vaststaat dat hier schade aan is ontstaan en dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten. Door de verdediging is de hoogte van deze vordering betwist. Nu deze kosten onvoldoende specifiek zijn onderbouwd, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en bepaalt de gevorderde kosten voor herstel schadeposten op een bedrag van € 3.000,00. De rechtbank verklaart de vordering tot vergoeding van de overige schade niet-ontvankelijk.
De vordering ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de brandinspectie wordt toegewezen. Deze schade vloeit rechtsreeks voort uit de bewezenverklaarde feiten.
De kosten die gemaakt zijn voor de veiligheidsmaatregelen hebben een te ver verwijderd verband met de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op de datum van de aanschaf van de veiligheidsmaatregelen, namelijk geruime tijd na heropening van het pand. Dit deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal
€ 3.495,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2026 (het moment waarop de vordering is ingediend).
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij
heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden
door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn
vordering van materiële schade. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij
de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding van toepassing is. De omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde is geschrokken, gevoelens van angst heeft gekregen en zich zorgen maakt over zijn veiligheid en die van zijn vrouw en kinderen – hoe voorstelbaar ook – vormt onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en de bedreiging voor de benadeelde zodanig voor de hand liggen dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de ten laste gelegde feiten plaatsvonden aan het bedrijfspand van de benadeelde partij en hij hier op het moment zelf niets van heeft gemerkt. Het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Niet hoofdelijk
De benadeelde partij heeft verzocht om te bepalen dat de verdachte hoofdelijk voor het hele schadebedrag kan worden aangesproken. Gelet op artikel 6:102 van het BW zijn twee of meer personen hoofdelijk verbonden als op ieder van hen de verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade. Er is in deze zaak geen medeverdachte. De verplichting tot vergoeding van de schade rust daarom enkel op de verdachte. De rechtbank wijst het verzoek om de vordering hoofdelijk toe te wijzen dan ook af.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 36f, 45, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
12. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd volgens het rooster aanwezig is bij werk;
- meewerkt aan behandeling bij een forensische polikliniek zoals Co-Fiducia of een soortgelijke instantie, zo lang als de reclassering dit nodig acht en waarbij de frequentie van de afspraken wordt bepaald door de reclassering in samenspraak met de behandelaar;
- meewerkt aan coaching vanuit Co-Fiducia of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland te Haarlem tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen jeugddetentie.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 3.495,00 bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.495,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. C.E. Voskens en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Moes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 september 2026.