RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige raadkamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15.218550.20
Uitspraakdatum: 20 augustus 2026
BESLISSING (ex artikel 6:6:31 Sv) van de rechtbank Noord-Holland, meervoudige raadkamer voor de behandeling van jeugdstrafzaken, naar aanleiding van de op 19 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ingediende vorderingen van de officier van justitie, welke vorderingen ertoe strekken dat de rechtbank de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel) van
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
thans verblijvende bij Rijks Justitiële Jeugdinrichting (hierna: RJJI) [RJJI] aan de [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
zal verlengen met vier maanden en dat de rechtbank aan een eventuele toekomstige voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, naast de van rechtswege geldende algemene voorwaarden, ook bijzondere voorwaarden verbindt en deze voorwaarden alvast vaststelt conform het advies van GGZ Reclassering Fivoor.
1. De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken waaronder:
het vonnis van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken van deze rechtbank van
19 oktober 2021 waarbij aan betrokkene de voorwaardelijke maatregel is opgelegd voor (onder meer) mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling. Dit zijn misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen;
de beslissing van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken van deze rechtbank van
3 juni 2022 waarin de rechtbank de tenuitvoerlegging van de maatregel gelast;
[pedagogisch directeur] , werkzaam als pedagogisch directeur RJJI bij Justitiële Jeugdinrichting (hierna: JJI) [JJI] , met daarbij als bijlage aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene;
een aanvullende brief over het PIJ-verlengingsadvies van 23 juli 2026 ondertekend door [gedragswetenschapper] , werkzaam als gedragswetenschapper en
[plaatsvervangend vestigingsdirecteur] , werkzaam als plaatsvervangend vestigingsdirecteur bij JJI [JJI] ;
het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Fivoor van 6 augustus 2026.
Tijdens de openbare behandeling in raadkamer van 20 augustus 2026 zijn gehoord betrokkene, zijn raadsman mr. M.J. Bouwman, de officier van justitie [officier van justitie] , almede de deskundigen [gedragswetenschapper] voornoemd, en [toezichthouder] en
[toezichthouder] , beiden werkzaam als toezichthouder bij de reclassering.
De officier van justitie heeft de vordering tot vaststellen bijzondere voorwaarden tijdens de
voorwaardelijke beëindiging van 19 juni 2026 tijdens de zitting ingetrokken. Daarnaast heeft hij de vordering over de verlenging van de termijn van de maatregel voor vier maanden van 19 juni 2026 gewijzigd naar een vordering tot verlenging van de maatregel voor zes maanden.
2. Het standpunt van RJJI
In genoemd verlengingsadvies van 17 juni 2026 is geadviseerd om de maatregel niet verder te verlengen. Dit advies is echter voor deze beslissing niet meer van belang door ontwikkelingen die kort daarna hebben plaatsgevonden en om die reden is een nieuw advies opgesteld op 23 juli 2026.
In dit advies is onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende opgenomen:
Gebleken is dat recent sprake is geweest van een agressie incident, waarbij betrokkene deuren heeft vernield bij zijn woonvoorziening [woonvoorziening] en verbaal erg agressief was. Vervolgens heeft betrokkene de woonvoorziening verlaten, waarna hij niet bereikbaar was voor de hulpverlening en het onbekend was waar hij verbleef. De inschatting was dat hij zo veel stress ervaarde dat de emotieregulatie- en copingsvaardigheden tekortschoten en hij keuzes onvoldoende kon overzien, met als gevolg een risico op psychotische ontregeling. Uiteindelijk is betrokkene enkele dagen later teruggeplaatst in de JJI [JJI] , waar een manisch psychotische ontregeling werd gezien, mogelijk geluxeerd door problematisch middelengebruik. Tevens is betrokkene bekend met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, ADHD, psychotische kwetsbaarheid en een traumatische voorgeschiedenis als vluchteling uit [land] .
Gezien de forse ontregeling is de verwachting dat stabilisatie niet haalbaar is binnen een
time-out periode en daarom is besloten om het Scholings- en Trainingsprogramma (hierna: STP) van betrokkene stop te zetten en hem over te plaatsen naar de Forensische observatie en begeleidingsafdeling (hierna: FOBA). Het doel is om vanuit het verblijf op de FOBA toe te werken naar stabilisatie van het psychiatrisch toestandsbeeld. Hierna kan pas samen met betrokkene worden gereflecteerd op de terugval. Op dit moment kan nog geen inschatting gemaakt worden over de benodigde duur die nodig is voor stabilisatie. De inzet van medicamenteuze behandeling zou het stabilisatieproces kunnen bevorderen, maar hier is betrokkene vooralsnog niet voor gemotiveerd. Na stabilisatie en een analyse van wat heeft geleid tot de huidige psychotische episode, kan worden bekeken hoe en wanneer een STP opnieuw ingezet kan worden. De woonvoorziening staat in ieder geval positief tegenover een terugkeer.
Gelet op het voorgaande wordt vanuit het behandelteam geadviseerd om de maatregel met een duur van zes maanden te verlengen.
De deskundige [gedragswetenschapper] heeft ter zitting het advies toegelicht en daaraan - zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd. Er is tijd nodig om voorwaarden op te zetten voor een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, waarbij het onder andere van belang is dat betrokkene wordt gemonitord door De Waag of Fivoor. Verder wordt een persoonlijkheidsonderzoek door een psychiater en een psycholoog (hierna: dubbel PO) niet van toegevoegde waarde geacht, omdat de diagnostiek en hierbij passende behandeling helder is. Ook zou een dergelijk onderzoek waarschijnlijk voor veel stress zorgen bij betrokkene. Het wordt wel in het belang van betrokkene geacht dat een onafhankelijke hulpverlener beschikbaar is voor betrokkene, waar hij zijn verhaal kan doen zonder angst voor negatieve gevolgen.
3. Standpunt van de jeugdreclassering
In genoemd advies van GGZ Reclassering Fivoor is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen.
Betrokkene is in januari 2026 gestart met STP en verblijft sindsdien in een woning van [woonvoorziening] . Hoewel dit goed is gegaan, zijn de zorgen in juni 2026 toegenomen. Zo is voorafgaand aan de escalatie, zoals genoemd onder 2, al sprake geweest van oplopende spanning, met dreiging en vernieling. Hierdoor was een time-out ingezet, maar betrokkene vermeed contact, liet zich niet helpen en heeft zich nooit gemeld. Uiteindelijk is hij aangehouden, waarbij werd gezien dat opnieuw sprake was van agressie. Betrokkene was uit de realiteit, niet goed in contact en deed suïcidale uitspraken. Op het moment van schrijven van het advies was betrokkene nog steeds niet in de realiteit en verbleef hij op de psychiatrische afdeling van de inrichting. Hier leek sprake te zijn van enige stabiliteit van het toestandsbeeld, maar uiteindelijk is toch weer een verslechtering ontstaan. De ontregeling is mogelijk het gevolg geweest van angst voor het verpesten van zijn STP, waardoor hij stress heeft ervaren, in combinatie met blowen.
De reclassering kan zich vinden in een verlenging van de maatregel voor de duur van zes maanden. Dit zal betekenen dat de maatregel de termijn van 4,5 jaar zal overschrijden, waardoor een dubbel PO plaats zal moeten vinden. Dit wordt noodzakelijk geacht om de huidige stand van zaken goed in kaart te brengen gebracht. Op dit moment staat alles in het teken van stabilisatie van betrokkene, waardoor nog geen plan gemaakt kan worden gericht op herstarten van de STP en de eventuele voorwaarden daarbij. Vanuit de JJI dient gekeken te worden naar het middelengebruik van betrokkene en hij dient inzicht te geven in zijn sociaal netwerk. Dit laatste lijkt een oorzaak te zijn van de ontstane triggers.
[toezichthouder] heeft het advies ter zitting ondergeschreven. Hij wijst erop dat een nieuw dubbel PO van belang is om goed in kaart te brengen waardoor de ontregeling is ontstaan, zodat zicht komt op wat betrokkene nodig heeft en de voorwaarden die daarbij voor de lange termijn gesteld kunnen worden.
4. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het volgende naar voren gebracht. Hoewel sprake was van een positieve ontwikkeling, is door recente ontwikkelingen noodzakelijk gebleken dat de maatregel toch verlengd moet worden. De komende periode dient te worden onderzocht hoe voorkomen kan worden dat betrokkene in de toekomst opnieuw psychotisch ontregelt. Op dit moment is het naar alle waarschijnlijkheid misgegaan door de overgang naar meer vrijheid en de druk om het goed te doen. Gekeken moet worden wat nodig is om dit in de toekomst beter te laten gaan. Naar verwachting zullen hiervoor zes maanden nodig zijn. Dat geen dubbel PO heeft plaatsgevonden staat een verlenging niet in de weg, aangezien dat geen wettelijk vereiste is. Gedurende de gevorderde zes maanden kan bekeken worden of een dergelijk onderzoek nog noodzakelijk wordt geacht.
5. Het standpunt van betrokkene en zijn raadsman
Door betrokkene is aangevoerd dat het gewijzigde verzoek van de officier van justitie voor hem als een straf voelt. Hij geeft aan dat het geruime tijd goed ging, maar dat hij een terugval heeft gehad door stress en de druk om het goed te willen doen. Nu is hij stabiel en heeft hij geen psychose meer. Hij is dan ook van mening dat hij met hulp terug kan naar zijn woonvoorziening, [woonvoorziening] . Omdat hij nu stabiel is, ziet hij ook geen meerwaarde in een dubbel PO.
De raadsman heeft geconcludeerd dat aan de voorwaarden voor verlenging van de maatregel is voldaan en dat de noodzaak voor de termijn van zes maanden voldoende is onderbouwd. De raadsman verzet zich daarom niet tegen toewijzing van de vordering. Ten aanzien van het dubbel PO stelt de raadsman zich op het standpunt dat dit onderzoek veel stress zal veroorzaken bij betrokkene. Daarbij komt dat de overschrijding van de termijn van 4,5 jaar gering is. Gelet hierop zou een dubbel PO meer schade toebrengen dan van toegevoegde waarde zijn. De raadsman bepleit daarom dat hiervan afgezien dient te worden.
6. De beoordeling
De rechtbank heeft bij het onderzoek in raadkamer bevonden dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is, mede gelet op het hierboven weergegeven en door de rechtbank overgenomen advies en de toelichting van de deskundige, van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voldaan. De maatregel is namelijk opgelegd voor een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Ook vereisen de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen nog steeds het voortduren van de maatregel en de maatregel is - gezien in het licht van de overgelegde rapportage en de toelichting daarop - nog steeds in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde.
De rechtbank constateert dat de maatregel in de afgelopen periode positief is verlopen. Desondanks is gebleken dat een verlenging van de maatregel noodzakelijk is in verband met een recente terugval, waarbij sprake is geweest van een manisch psychotische ontregeling bij betrokkene met fysiek en verbaal geweld. Op dit moment is het voornaamste doel dan ook om het toestandsbeeld van betrokkene verder te stabiliseren. Vervolgens is het van belang dat in kaart gebracht wordt waardoor de terugval is ontstaan en wat nodig is om dit in de toekomst te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat de gevorderde zes maanden hiervoor nodig zijn. De rechtbank realiseert zich dat de maatregel daarmee de termijn van 4,5 jaar zal overschrijden. Conform beleid dient dan een dubbel PO te worden opgesteld. De bedoeling hiervan is om tijdig door middel van dubbelrapportage kritisch te kijken naar de behandeling die betrokkene tot dan toe heeft gehad en waar nodig de behandeling aan te passen, zodat de laatste fase van de maatregel zo optimaal mogelijk benut kan worden. In het geval van betrokkene is door deskundige [gedragswetenschapper] voldoende toegelicht dat de reden van de terugval van betrokkene en de behandeling die voor hem passend is, helder is. Het is dan ook de vraag wat een dubbel PO zal toevoegen aan wat al bekend is bij de deskundigen. Dat vooralsnog geen dubbel PO is uitgevoerd staat naar het oordeel van de rechtbank op dit moment daarom niet aan een verlenging van de maatregel in de weg, omdat de noodzakelijkheid hiervan op dit moment niet is gebleken.
Op grond van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen ligt de vordering van de officier van justitie voor toewijzing gereed.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De te geven beslissing is gegrond op artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering.
8. De beslissing
De rechtbank:
verlengt de termijn van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ), voor de duur van zes maanden.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. C.E. Voskens, voorzitter,
mr. A.K. Mireku en mr. M.E. Kleijn, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Moes
en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026