ECLI:NL:RBNHO:2026:11662

ECLI:NL:RBNHO:2026:11662

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 31-07-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer C/15/380444 / KG ZA 26-441
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Kort geding. Toestemmingsformulier vakantie ondertekend ter zitting. Moeder veroordeeld tot nakoming voorlopige zorgregeling (ook tijdens de vakantie). Moeder kan niet eenzijdig contactmomenten wijzigen. Compensatie van de proceskosten omdat beide partijen hebben bijgedragen aan de noodzaak van dit kort geding.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/380444 / KG ZA 26-441

Vonnis in kort geding van 31 juli 2026

in de zaak van

[de moeder] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok,

tegen

[de vader] ,

te [plaats] ( [land] ),

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. N. van Amsterdam.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de moeder in de zomervakantie met haar minderjarige dochter op vakantie mag naar Spanje. De vader weigert toestemming voor deze vakantie, onder meer omdat de moeder weigert de voorlopige zorgregeling tijdens de zomervakantie uit te voeren en zij in strijd met het advies van de Raad handelt. De vader vordert daarom nakoming van de voorlopige zorgregeling op straffe van een dwangsom.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader alsnog het toestemmingsformulier voor de vakantie ondertekend, zodat de voorzieningenrechter op dit punt niet meer hoeft te beslissen. De voorzieningenrechter veroordeelt de moeder tot nakoming van de voorlopige zorgregeling op zondag en het verlenen van haar medewerking aan het begeleide contactmoment op woensdag, ook tijdens de zomervakantie van de dochter. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, omdat zij beiden hebben bijgedragen aan de noodzaak van deze kortgedingprocedure.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 13

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 t/m 6

- de aanvullende producties 14 t/m 16 van de moeder

- de aanvullende producties 7 t/m 9 van de vader

- de mondelinge behandeling van 29 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van mr. Ruijgrok namens de moeder

- het bericht van mr. Van Amsterdam dat omgangsbegeleider [omgangsbegeleider] de omgang direct weer kan begeleiden, ook tijdens de vakantie van de moeder.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] de dochter van partijen, [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] .

In december 2020 is de relatie tussen partijen beëindigd, waarna de moeder met [de minderjarige] in Nederland is gaan wonen. Partijen zijn een zorgregeling overeengekomen, maar na enkele jaren zijn bij de uitvoering van deze regeling problemen ontstaan. De moeder heeft tegen de vader aangifte gedaan van seksueel misbruik van [de minderjarige] .

In april 2025 heeft de vader bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot (onder meer) vaststelling van een zorgregeling ingediend. Omdat de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd achtte om een definitieve beslissing te kunnen nemen heeft zij in een beschikking van 1 juli 2025 de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten. Voor omgangsbegeleiding zijn partijen doorverwezen naar hulpverlening. Verder is een voorlopige regeling vastgesteld waarbij de vader elke zondag om 10:00 uur (onbegeleid) met [de minderjarige] videobelcontact zal hebben.

Op 12 november 2025 heeft de Raad haar advies uitgebracht. De Raad adviseerde – kort gezegd – om het definitieve besluit over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] voor negen maanden aan te houden in afwachting van de afloop van de strafrechtelijke procedure en de hulpverlening waar partijen naar zijn doorverwezen. Tot dat moment moest de voorlopige zorgregeling worden voortgezet.

Omdat de hulpverlenende instanties niet konden starten met behandeling, dan wel de behandeling was opgeschort, heeft de moeder in december 2025 een kort geding procedure bij de rechtbank Den Haag gestart. In deze procedure heeft de moeder, samengevat, gevorderd haar vervangende toestemming te verlenen opdracht te geven voor (spel)therapie en de op 1 juli 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling te wijzigen in die zin dat de videobelcontacten voorlopig niet meer plaatsvinden totdat een kinderpsycholoog heeft bevestigd dat het videobellen met [de minderjarige] kan worden gecontinueerd.

De rechtbank Den Haag heeft tijdens een mondelinge behandeling op 4 februari 2026 gelijktijdig het kort geding en de voortzetting van het hiervoor genoemde verzoek tot vaststelling van een zorgregeling behandeld. Tijdens deze zitting heeft De Raad mondeling verzocht om een ondertoezichtstelling. Dit verzoek is toegewezen, [de minderjarige] is van 4 februari 2026 tot 4 mei 2026 voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: Jeugdbescherming). In een beschikking van 18 februari 2026 heeft de rechtbank de verzoeken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aangehouden tot 15 april 2026. In het vonnis in kort geding van 18 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van moeder afgewezen en ten aanzien van de zorgregeling het volgende overwogen:

De voorzieningenrechter ziet dat in het rapport van de Raad van 12 november 2025

grote zorgen worden geuit over fysieke omgangsmomenten tussen de vader en [de minderjarige] . Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het op dit moment te vroeg om in deze kort geding procedure een fysieke zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat tijdens de (voorlopige) ondertoezichtstelling onder regie van de jeugdbeschermer zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor het contact tussen de vader en [de minderjarige] en de wijze waarop dat zal worden vormgegeven.

Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, ziet de

voorzieningenrechter geen aanleiding om te bepalen dat de belmomenten onder begeleiding

van een volwassene moeten plaatsvinden. De voorlopige videobelregeling tussen de vader en [de minderjarige] zoals bepaald in de beschikking van 1 juli 2025 wordt daarom gehandhaafd.

In een beschikking van 30 april 2026 van de rechtbank Den Haag is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van één jaar, tot 30 april 2027.

In een e-mail van 1 juli 2026 heeft Jeugdbescherming aan de ouders over de omgang van [de minderjarige] het volgende bericht, voor zover van belang:

Uit ons overleg met onze gedragsdeskundige is ook gekomen dat de huidige

omgangsregeling, te weten op woensdagmiddag, doorgang moet blijven vinden en dat beide

ouders zich hiervoor dienen in te spannen om dit mogelijk te maken. Wij achten het niet in

het belang van [de minderjarige] om een keuze te maken tussen een speeldate of niet naar [plaats]

voor de omgang te gaan gezien haar jonge leeftijd. Nu dat er nog geen hulpverlening kan

starten kunnen wij dus niets zeggen over wat [de minderjarige] wel of niet wil. Dit is dan ook de lijn die wij blijven volgen zolang er onduidelijkheid is en de bijzondere curator nog geen advies heeft uitgebracht, Dit houdt daarnaast ook in dat de omgang niet fysiek of telefonisch zal worden uitgebreid dan wel opgeschort. De omgang zal dus blijven plaatsvinden op woensdagmiddag bij Jeugdbescherming op kantoor.

(…)

Wat betreft aankomende zomervakantie dient de omgang plaats te vinden en kan enkel bij

hoge uitzondering worden afgezegd. Dit dient eerst besproken te worden met [naam] of met

mij, dan wel de bureaudienst van Jeugdbescherming als wij niet aanwezig zijn. De

bureaudienst is bereikbaar via [mailadres] of op [telefoonnummer]

. Voor de momenten van de aankomende zomervakantie waarbij beide partijen dan wel

één van de partijen op dat moment in het buitenland dan wel ergens anders in Nederland (of [land] ) verblijft dient de omgang plaats te vinden en willen wij dan ook aan [omgangsbegeleider] vragen om de omgang op afstand online te begeleiden.(…)

In een e-mail van 6 juli 2026 heeft de moeder aan de vader en Jeugdbescherming (samengevat) laten weten dat zij de begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] gedurende de zomervakantie opschort, omdat de moeder de weerstand bij [de minderjarige] ziet toenemen en volgens haar eerst onderzoek nodig is voordat beoordeeld kan worden of voortzetting van de omgang de juiste keuze is. Daarnaast heeft de moeder medegedeeld dat na de zomervakantie de woensdag, donderdag en vrijdag voor haar geen optie meer zijn voor omgang vanwege haar werk.

Op 14 juli 2026 heeft de vader een verzoekschrift bij de rechtbank Den Haag ingediend tot vervanging van de gecertificeerde instelling (GI) en benoeming van een bijzonder curator voor [de minderjarige] . Volgens opgave van partijen staat de mondelinge behandeling van deze verzoeken gepland op 15 of 16 september 2026.

In een e-mail van 15 juli 2026 heeft de advocaat van de moeder aan de advocaat van de vader gevraagd om ondertekening van een toestemmingsformulier voor een vakantie van de moeder met [de minderjarige] naar Spanje van 30 juli tot en met 16 augustus 2026.

In reactie hierop heeft de advocaat van de vader in een e-mail van 17 juli 2026 laten weten dat de vader niet zonder meer de toestemming voor de gewenste vakantie zal verlenen en hij de moeder zelf hierover nader zal informeren. In een e-mail van 20 juli 2026 heeft de vader aan de moeder toegelicht dat hij op dit moment over onvoldoende noodzakelijk informatie, duidelijkheid en waarborgen beschikt, zodat hij een beslissing over een buitenlandse reis niet zorgvuldig en verantwoord kan nemen. Zodra er meer duidelijkheid bestaat en er een concreet perspectief ligt op contactherstel, continuïteit van de begeleiding en een goede informatievoorziening is de vader bereid zijn standpunt opnieuw te beoordelen.

3. Het geschil

in conventie

De moeder vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de moeder vervangende toestemming te verlenen om in de periode van 30 juli tot en met 16 augustus 2026 met [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , naar Spanje af te reizen en aldaar de zomervakantie door te brengen;

II. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft de vader alsnog het tostemmingsformulier voor de vakantie van moeder met [de minderjarige] naar Spanje ondertekend, waarna de vordering in conventie onder I door de moeder is ingetrokken. De moeder heeft de gevorderde proceskostenveroordeling gehandhaafd, zodat de voorzieningenrechter op de vordering in conventie onder II nog zal beslissen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

De vader vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

I. De vrouw te veroordelen tot nakoming van de voorlopige zorgregeling, te weten iedere zondag videobellen in een rustige setting waarbij het contact niet begeleid wordt door een derde, zonder dat daar een tijdslimiet aan wordt verbonden, op straffe van een dwangsom van € 750,- voor iedere keer dat de regeling niet of onvolledig wordt nagekomen, met een maximum van € 500.000,-;

II. De moeder te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan de onmiddellijke hervatting van de wekelijkse begeleide contactmomenten op woensdag, op het kantoor van Jeugdbescherming Amsterdam, onder begeleiding van [omgangsbegeleider] , op straffe van een dwangsom van € 750,- voor iedere keer dat moeder haar medewerking niet verleent, met een maximum van € 500.000,-;

III. De vrouw te veroordelen om moeder te veroordelen te faciliteren dat [de minderjarige] het cadeau krijgt op haar verjaardag, dat door vader aan haar zal worden toegestuurd en dat zij dit tijdens het videobelmoment op zondag 30 augustus 2026 om 10:00 uur samen zullen uitpakken;

IV. De moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

De vader legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat er al jaren geen (fysiek) contact meer is tussen hem en [de minderjarige] . De moeder frustreert op alle mogelijke manieren dit contact en weigert uitvoering te geven aan de vastgestelde zorgregeling en slaat daarnaast het advies van de Raad in de wind. Als de moeder en [de minderjarige] op vakantie gaan, dan kan het contactmoment op woensdag digitaal plaatsvinden, want de betrokken omgangsbegeleider ( [omgangsbegeleider] ) heeft laten weten bereid te zijn online de omgang met [de minderjarige] te begeleiden.

De moeder voert verweer. De moeder concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vader, omdat de contactmomenten voor [de minderjarige] te belastend zijn. Dit uit zich in huilbuien, woede-uitbarstingen en nachtmerries. De moeder heeft moeite met het feit dat er twee contactmomenten zijn, terwijl de Raad tot de conclusie is gekomen dat er onderzoek nodig is over de vraag wat [de minderjarige] qua contact met de vader aankan. Dat onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Voor de oplegging van een dwangsom is geen aanleiding, omdat de moeder heeft aangetoond dat zij aan de zondagse belmomenten haar medewerking verleent. Het tweede contactmoment zal de moeder na de zomervakantie hervatten, ook al vraagt de moeder zich af of dit in het belang van [de minderjarige] is. De moeder is bereid om het verjaardagcadeau van de vader in ontvangst te nemen en tijdens het videobelmoment op 30 augustus 2026 aan [de minderjarige] te overhandigen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter zal eerst de vorderingen van de vader in reconventie beoordelen en daarna beslissen op de door partijen over en weer gevorderde proceskostenveroordeling.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De vader woont in [land] . De zaak heeft daarom een internationaal karakter en eerst zal beoordeeld moeten worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen en zo ja, welk recht van toepassing is.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgt uit artikel 8 lid 1 van Verordening (EG) nr 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (Brussel II bis), omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, dat handelt over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid, is om diezelfde reden ook Nederlands recht van toepassing.

De moeder moet de voorlopige zorgregeling nakomen

Partijen discussiëren over de nakoming van de voorlopige zorgregeling die ziet op het videobelmoment tussen de vader en [de minderjarige] iedere zondagochtend om 10:00 uur. Volgens de vader wordt al ruim een jaar geen uitvoering gegeven aan deze regeling, omdat momenten door de moeder worden afgezegd, [de minderjarige] in tijd beperkt wordt en zij op onrustige locaties moet videobellen. De moeder betwist dit en voert aan dat er iedere zondag een videobelmoment plaatsvindt, maar deze momenten soms heel kort zijn omdat er veel weerstand bij [de minderjarige] is en zij niet met de vader wil videobellen.

Uit het kortgedingvonnis van 18 februari 2026 volgt dat de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de videobelregeling tussen de vader en [de minderjarige] zoals is bepaald in de beschikking van 1 juli 2025 moet worden gehandhaafd. Om misverstanden te voorkomen is in de beslissing opgenomen dat het contact niet begeleid zal worden door een volwassene. Andere voorwaarden zijn niet aan de zorgregeling gesteld en de moeder heeft ter zitting verklaard de zorgregeling niet te willen specificeren. De voorzieningenrechter zal de moeder daarom veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals is bepaald in de beschikking van 1 juli 2025 en bevestigd in het kortgedingvonnis van 18 februari 2026. Daarbij wordt opgemerkt dat het uiteraard in het belang is van [de minderjarige] dat zij alle tijd krijgt om in een rustige en veilige omgeving met de vader te videobellen.

De moeder moet meewerken aan de begeleide contactmomenten op woensdag

In het kortgedingvonnis van 18 februari 2026 staat dat de voorzieningenrechter ervan uitging dat tijdens de (voorlopige) ondertoezichtstelling onder regie van de Jeugdbeschermer zou worden gekeken naar de mogelijkheden voor het contact tussen de vader en [de minderjarige] en de wijze waarop dat zou worden vormgegeven. Vaststaat dat de gecertificeerde instelling heeft bepaald dat er naast de voorlopige zorgregeling op zondag, iedere woensdag begeleide omgang zal zijn op het kantoor van Jeugdbescherming in Amsterdam. Dit fysieke contactmoment heeft vanaf omstreeks maart plaatsgevonden.

De moeder heeft in haar e-mail van 6 juli 2026 de regeling op woensdag voor de duur van de zomervakantie opgeschort, omdat de stem van [de minderjarige] naar de achtergrond is verdwenen en er in deze periode geen hulpverlening is. De vader voert aan dat de gecertificeerde instelling heeft bepaald dat de omgang ook moet plaatsvinden in geval van vakantie en dat deze alleen bij hoge uitzondering kan worden afgezegd. De vader is ongerust over een verslechtering van zijn band met [de minderjarige] en wenst dat de opgebouwde vertrouwensband tussen [de minderjarige] en omgangsbegeleider [omgangsbegeleider] zo snel als mogelijk wordt heropgestart.

De voorzieningenrechter zal de moeder veroordelen haar medewerking te verlenen aan de onmiddellijke hervatting van de wekelijkse begeleide contactmomenten op woensdag. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt het belang van het kind. Uit de overgelegde e-mail van 1 juli 2026 van Jeugdbescherming volgt dat zij het – na overleg met hun gedragsdeskundige – in het belang van [de minderjarige] achten om de huidige omgangsregeling op woensdagmiddag voort te zetten. Jeugdbescherming wil deze omgang voortzetten zolang er onduidelijkheid is en de (nog aan te stellen) bijzonder curator nog geen advies heeft uitgebracht. De voorzieningenrechter zal dit advies van een deskundige hulpverlener volgen.

Omdat inmiddels vaststaat dat de moeder met [de minderjarige] in Spanje op vakantie zal zijn van 30 juli tot en met 16 augustus 2026 geldt voor deze periode dat het contact op woensdag via videobellen zal plaatsvinden. Partijen zijn het erover eens dat het contactmoment op woensdag alleen doorgang zal vinden als begeleiding door [omgangsbegeleider] mogelijk is. Uit de e-mail van 1 juli 2026 van Jeugdbescherming volgt dat aangeboden is om [omgangsbegeleider] te vragen de omgang tijdens de vakantie van de moeder op afstand online te begeleiden, maar het is partijen niet bekend of [omgangsbegeleider] hier ook toe in staat/bereid is. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de moeder geprobeerd contact op te nemen met [omgangsbegeleider] , maar zonder resultaat. Na de zitting heeft mr. Van Amsterdam de voorzieningenrechter bericht dat [omgangsbegeleider] de vader telefonisch heeft laten weten dat zij de omgang direct weer kan begeleiden, ook tijdens de vakantie van de moeder. De moeder zal daarom veroordeeld worden haar medewerking te verlenen aan videobelmomenten tijdens de vakantie in Spanje onder begeleiding op afstand van [omgangsbegeleider] .

Ten overvloede het volgende. De moeder heeft in haar e-mail van 6 juli 2026 en tijdens de zitting aangegeven na de zomervakantie niet meer op woensdag beschikbaar te zijn voor fysieke omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Zij heeft verklaard alleen op maandag en dinsdag beschikbaar te zijn, vanwege haar werk. De vader heeft daarop gereageerd dat die dagen niet wenselijk zijn voor contact omdat deze (te) dicht op het videobelmoment op zondag zitten. De voorzieningenrechter wil benadrukken dat de moeder ook na haar vakantie gehouden is haar medewerking te verlenen aan het fysieke contactmoment op woensdag. Uiteraard staat het haar vrij om in overleg met de vader en de gecertificeerde instelling een ander moment in de week voor te stellen, maar zij kan deze woensdag niet eenzijdig wijzigen.

Dwangsom

Gelet op het feit dat de moeder eenzijdig en zonder overleg met de gecertificeerde instelling is overgegaan tot opschorting van (een deel van) de zorgregeling ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming. De rechtbank begrijpt dat er bij de moeder zorgen bestaan over [de minderjarige] en dat nader onderzoek moet worden uitgevoerd, maar dit betekent niet dat de moeder in strijd met het advies van jeugdbescherming als verwoord in de e-mail van 1 juli 2026 mag handelen.

De voorzieningenrechter zal daarom een dwangsom opleggen voor zowel het nakomen van de voorlopige zorgregeling op zondag, als het begeleide contactmoment op woensdag. De dwangsom wordt vastgesteld op een bedrag van € 250,- per keer dat de moeder niet aan de veroordelingen voldoet, totdat een maximum van € 10.000,- is bereikt.

Het verjaardagscadeau voor [de minderjarige]

De moeder heeft ingestemd met het verzoek van de vader om een cadeau voor [de minderjarige] op te sturen, dat tijdens het videobelmoment op zondag 30 augustus 2026 door de moeder aan [de minderjarige] zal worden overhandigd zodat [de minderjarige] dit cadeau dan kan uitpakken. Omdat de moeder haar woonadres niet kenbaar wil maken heeft zij verklaard dat het cadeau naar het kantooradres van haar advocaat kan worden gestuurd, waar de moeder het cadeau dan zal ophalen. Tijdens de zitting heeft de vader toegelicht dat hij graag, naast een klein cadeau, (net als vorig jaar) een actrice wil sturen, waardoor het niet mogelijk is om dit af te leveren bij het kantoor van de advocaat. De vader begrijpt bovendien niet waarom de moeder het adres waar zijn dochter woonachtig is niet met hem wil delen.

Vaststaat dat het contact tussen partijen ernstig is verstoord. Hoewel onduidelijk is gebleven waarom de moeder haar adresgegevens niet wil delen met de vader, acht de voorzieningenrechter het niet in het belang van [de minderjarige] om de verhoudingen tussen partijen nog verder op scherp te zetten. Daarom zal bepaald worden dat de vader – zoals door de moeder voorgesteld – dit jaar een cadeau naar het kantooradres van de advocaat van de moeder ( [adres] ) kan sturen.

Proceskosten

De proceskosten worden zo gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat het geschil voortkomt uit de relatie die tussen partijen heeft bestaan.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om één van partijen in de proceskosten te veroordelen, zoals partijen over en weer hebben verzocht. Zij is van oordeel dat beide partijen hebben bijgedragen aan de noodzaak van dit kort geding. De moeder door het opschorten van de voorlopige zorgregeling gedurende de zomervakantie, en de vader door niet tijdig voor de zitting mee te werken aan het ondertekenen van het toestemmingsformulier voor de vakantie van de moeder met [de minderjarige] .

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

veroordeelt de moeder tot nakoming van de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 1 juli 2025 van de rechtbank Den Haag, inhoudende dat [de minderjarige] videobelcontact met de vader zal hebben: elke zondagochtend om 10:00 uur, waarbij het contact niet begeleid wordt door een andere volwassene,

veroordeelt de moeder haar volledige medewerking te verlenen aan de onmiddellijke hervatting van de wekelijkse begeleide contactmomenten op woensdag, op het kantoor van Jeugdbescherming Amsterdam en tijdens de vakantieperiode van de moeder van 30 juli tot en met 16 augustus middels videobellen, onder begeleiding van [omgangsbegeleider] ,

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat de moeder niet aan de veroordelingen onder 5.2 en/of 5.3 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

veroordeelt de moeder te faciliteren dat [de minderjarige] het cadeau van de vader krijgt op haar verjaardag, dat door de vader aan het kantooradres van de advocaat van de moeder ( [adres] ) zal worden toegestuurd waar het cadeau door moeder zal worden opgehaald, en dat zij dit tijdens het videobelmoment op zondag 30 augustus 2026 om 10:00 uur samen zullen uitpakken,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vrugt en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

1589

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand